RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12163543 \ UC EXPL 26-2722
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.A.M. Drinkenburg,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
procederend in persoon,
2 2. [gedaagde sub 2] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .
1 De procedure
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- de dagvaarding van 16 maart 2026,- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] van 27 april 2026,
- de aanvullende productie 12 van [eiser] van 7 september 2026.
Op 7 september 2026 heeft er een zitting plaatsgevonden. Hierbij waren namens [eiser] de heer [A] en de heer [B] aanwezig, met haar gemachtigde mr. J.A.M. Drinkenburg. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] waren niet aanwezig. De aanwezigen namens [eiser] hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
De kantonrechter heeft partijen laten weten dat het vonnis vandaag wordt uitgesproken.
2 De kern van de zaak
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben in hun woning op drie verdiepingen een gietvloer laten leggen door [eiser] . Dit zou in totaal € 52.183,00 kosten. [eiser] stelt dat zij meerwerk heeft verricht en vordert in deze procedure € 9.137,50 van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Volgens [eiser] bleek tijdens de werkzaamheden dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wilden dat de vloer naadloos zou aansluiten bij de dorpels van de schuifpui. Daarvoor heeft [eiser] een extra, dikke egalinelaag aangelegd. Volgens [eiser] was dit in eerste instantie geen onderdeel van de overeenkomst. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zeggen dat zij vanaf het begin met [eiser] hadden afgesproken dat de vloer zou aansluiten bij de dorpels en dat dus geen sprake is van meerwerk. Zij hebben de factuur voor het meerwerk daarom niet betaald. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dit alsnog moet doen omdat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van meerwerk.
3 De beoordeling
Toetsingskader
De kantonrechter zal in dit vonnis de vordering van [eiser] op [gedaagde sub 1] en de vordering van [eiser] op [gedaagde sub 2] los van elkaar behandelen. Voor de gedaagden geldt namelijk een ander toetsingskader, omdat zij niet allebei hebben gereageerd op de dagvaarding van [eiser] . Hierna wordt eerst de vordering van [eiser] op [gedaagde sub 2] beoordeeld en dan de vordering van [eiser] op [gedaagde sub 1] . Dit vonnis geldt tegen beide gedaagden als vonnis op tegenspraak.1
De vorderingen van [eiser] op [gedaagde sub 2]
[gedaagde sub 2] is niet verschenen in deze procedure. Zij heeft niet gereageerd op de dagvaarding en [gedaagde sub 1] heeft ook niet verklaard dat hij namens haar heeft gereageerd. De kantonrechter heeft daarom verstek tegen [gedaagde sub 2] verleend. Dit betekent dat de vorderingen tegen haar worden toegewezen, tenzij de kantonrechter vindt dat deze in strijd zijn met de wet of een geldige reden ervoor ontbreekt. De standpunten die [gedaagde sub 1] heeft genoemd in zijn conclusie van antwoord, wegen niet mee bij de vorderingen van [eiser] op [gedaagde sub 2] .
[gedaagde sub 2] moet € 9.137,50 aan [eiser] betalen
De kantonrechter zal de vordering van [eiser] voor wat betreft de hoofdsom toewijzen. [eiser] heeft de vordering voldoende onderbouwd en is niet zonder geldige reden ingesteld. Deze vordering is daarom niet in strijd met de wet. Dat betekent dat [gedaagde sub 2] € 9.137,50 aan [eiser] moet betalen.
[gedaagde sub 2] hoeft de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten niet te betalen
Naast de hoofdsom vordert [eiser] ook betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente over de hoofdsom. Deze vorderingen zullen worden afgewezen. Uit de bijlagen bij de dagvaarding2 blijkt namelijk dat op de overeenkomst algemene voorwaarden van toepassing zijn. [eiser] heeft die algemene voorwaarden niet bij de dagvaarding gevoegd. De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of in de toepasselijke algemene voorwaarden een of meerdere contractuele regelingen zijn opgenomen over de verschillende onderdelen van de vordering, en zo ja, of die regelingen oneerlijk zijn. Wanneer de algemene voorwaarden niet zijn overgelegd, kan de kantonrechter haar ambtshalve taak op dit punt niet uitvoeren. De kantonrechter moet daar consequenties aan verbinden. Omdat de kantonrechter geen aanleiding heeft te veronderstellen dat ten aanzien van de gevorderde hoofdsom een contractuele regeling is bedongen, zal die consequentie worden beperkt tot de buitengerechtelijke incassokosten en rente. Die gevorderde vergoedingen zullen bij wijze van sanctie worden afgewezen, ook al zijn deze vergoedingen in deze procedure gebaseerd op wettelijke bepalingen.
De vorderingen van [eiser] op [gedaagde sub 1]
[gedaagde sub 1] heeft met een e-mail gereageerd op de vorderingen van [eiser] en is daarmee ‘verschenen’ in deze procedure. Bij de beoordeling van de vorderingen van [eiser] moeten daarom ook de standpunten van [gedaagde sub 1] worden beoordeeld.
Tussen [gedaagde sub 1] en [eiser] is in geschil of de € 9.137,50 die [eiser] van [gedaagde sub 1] vordert voor de extra egalinelaag, meerwerk is of niet. Of er sprake is van meerwerk of niet, is van belang omdat wanneer blijkt dat geen sprake is van meerwerk, [eiser] (in beginsel) niet € 9.137,50 bovenop de vooraf afgesproken € 52.183,00 in rekening had mogen brengen. Wanneer een aannemer ( [eiser] ) aanspraak maakt op betaling van meerwerk, is het aan hem om te onderbouwen dat er sprake is van méér werk dan aanvankelijk is overeengekomen, dat de opdrachtgever ( [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ) met het extra werk heeft ingestemd én dat de opdrachtgever is geïnformeerd over de kosten van het extra werk.3 De kantonrechter oordeelt dat [eiser] daarin is geslaagd. Dit wordt als volgt toegelicht.
[eiser] heeft meerwerk uitgevoerd
[eiser] heeft voldoende onderbouwd dat zij meer werk heeft uitgevoerd dan zij op grond van de oorspronkelijke overeenkomst tussen partijen had moeten doen. De egalinelaag die [eiser] uiteindelijk heeft aangebracht op de vloer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , is namelijk 13 mm dik. Uit de opdrachtbevestiging blijkt duidelijk dat dit in eerste instantie niet de bedoeling was, maar dat [eiser] slechts een egalinelaag van 3 mm zou aanbrengen. Dit maakt dat het aanbrengen van de extra laag van 10 mm egaline, als meerwerk aangemerkt kan worden. [gedaagde sub 1] is het hier niet mee eens en stelt dat in de oorspronkelijke overeenkomst al afgesproken zou zijn dat de vloer op de dorpels zou aansluiten. Hij zou dit vóór aanvang van de werkzaamheden met [eiser] hebben besproken toen hij een foto liet zien van een vloer die qua hoogte aansloot bij de dorpel. De kantonrechter volgt [gedaagde sub 1] niet in deze stelling. [eiser] heeft tijdens de zitting betwist dat [gedaagde sub 1] een foto met het voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gewenste resultaat zou hebben laten zien, waaruit dan voor [eiser] duidelijk had moeten zijn dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een dikkere egalinelaag wilden. [gedaagde sub 1] heeft dit niet meer weersproken. Daarmee is deze stelling van [gedaagde sub 1] niet vast komen te staan en slaagt zijn verweer niet. Overigens geldt ook niet dat [eiser] er vanuit had moeten gaan dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een vloer wilden hebben die zou aansluiten op de pui. [eiser] heeft tijdens de zitting uitgelegd dat het geen logisch verzoek was van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , omdat de vloer nu te hoog is om nog een nieuwe vloer op aan te leggen.
Nu vaststaat dat er geen sprake is van meerwerk, gaat de stelling van [gedaagde sub 1] dat er sprake is van wanprestatie omdat [eiser] slechts 3 mm egaline had aangebracht, ook niet op. Er was geen wanprestatie, omdat partijen in eerste instantie niet hadden afgesproken dat [eiser] een laag egaline van 13 mm zou aanleggen. [gedaagde sub 1] heeft overigens ook geen rechtsgevolgen verbonden aan zijn stelling dat er sprake is van wanprestatie.
[eiser] mocht het meerwerk bij [gedaagde sub 1] in rekening brengen
Het volgende vereiste voor toewijzing van een vordering vanwege meerwerk, is dat de opdrachtgever opdracht moet hebben gegeven tot het uitvoeren van het meerwerk. Dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan [eiser] hebben opgedragen om de vloer verder op te hogen, staat tussen [gedaagde sub 1] en [eiser] niet ter discussie.
Dan blijft voor toewijzing van het meerwerk alleen nog de vraag over of [eiser] [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tijdig heeft geïnformeerd over de prijs van het meerwerk. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] dit tijdig heeft gedaan. Tijdens de zitting heeft de heer [B] uitgelegd dat hij, op het moment dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aangaven de vloer te wilden verhogen, de werkzaamheden heeft stopgezet en vervolgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] eerst mondeling een prijsindicatie heeft gegeven. Hij heeft [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verteld dat de extra werkzaamheden waarschijnlijk € 10.000,00 zouden gaan kosten. Vervolgens heeft [eiser] vóór zij met de extra werkzaamheden begon, aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook nog een e-mail gestuurd waarin is uitgelegd dat de extra werkzaamheden € 9.137,50 zouden gaan kosten.4 [gedaagde sub 1] heeft dit niet meer weersproken.
Aangezien vaststaat dat [eiser] extra werkzaamheden heeft uitgevoerd op verzoek van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en zij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van te voren heeft geïnformeerd over de kosten hiervan, mocht [eiser] het meerwerk bij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in rekening brengen. [gedaagde sub 1] moet daarom € 9.137,50 aan [eiser] betalen.
[gedaagde sub 1] hoeft de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten niet te betalen
Voor wat betreft de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten geldt voor [gedaagde sub 1] hetzelfde als de kantonrechter in 3.4 heeft overwogen ten aanzien van [gedaagde sub 2] . Dit betekent dat deze vorderingen ook ten aanzien van [gedaagde sub 1] worden afgewezen.
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden beiden veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van € 9.137,50. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken, zoals [eiser] dat ook gevorderd heeft. Dit betekent dat zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] kunnen worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de proceskosten betalen
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde sub 1] wel is verschenen en [gedaagde sub 2] niet, moeten de proceskosten worden verdeeld.
De proceskosten van [eiser] die [gedaagde sub 2] moet betalen worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
64,30 |
(de helft van de kosten van de gezamenlijke dagvaarding) |
|
- griffierecht |
€ |
279,50 |
(de helft van het gezamenlijke griffierecht |
|
- salaris gemachtigde |
€ |
360,00 |
(2 punten × € 360,00 x 0,5) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
847,80 |
De proceskosten van [eiser] die [gedaagde sub 1] moet betalen worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
64,30 |
(de helft van de kosten van de gezamenlijke dagvaarding) |
|
- griffierecht |
€ |
279,50 |
(de helft van het gezamenlijke griffierecht |
|
- salaris gemachtigde |
€ |
360,00 |
(2 punten × € 360,00 x 0,5) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
847,80 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten worden voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door [eiser] . Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 9.137,50,
veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten van € 847,80, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten uit 4.2. als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van € 847,80, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten uit 4.4. als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026. |
||
62938