ECLI:NL:GHAMS:2026:2771

Datum uitspraak
29-09-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
200.350.067/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Aanneming van werk. Overeenkomst gesloten buiten de verkoopruimte. Ambtshalve toetsing (pre)contractuele informatieplichten

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer : 200.350.067/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 10411616 \ CV EXPL 23-1728

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 september 2026

in de zaak van

CONSILIUM TOTAL INSTALLATION TECHNOLOGY B.V.,

gevestigd te Rutten,

appellante,

incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. P.J. de Booij te Almere,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend in [plaats] ,

geïntimeerde,

incidenteel appellant,

advocaat: mr. Y.H.M. van Mierlo te Breda.

Partijen worden hierna Consilium en [geïntimeerde] genoemd.

1 De zaak in het kort

Tussen partijen is in geschil of tussen hen een aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen. De kantonrechter oordeelde dat dit het geval was en dat de opdrachtgever op zich verplicht is de aanneemsom te voldoen. Omdat de opdrachtgever een consument is, heeft de kantonrechter getoetst of de aannemer aan haar (pre)contractuele informatieplichten heeft voldaan. De kantonrechter heeft vier schendingen geconstateerd en de overeenkomst daarom gedeeltelijk vernietigd, in die zin dat de betalingsverplichting van de opdrachtgever met 50% wordt verminderd. Beide partijen zijn in hoger beroep gekomen. De grieven hebben (grotendeels) geen succes.

2 Het geding in hoger beroep

Consilium is bij dagvaarding van 19 december 2024 in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 15 november 2023 en het eindvonnis van 23 oktober 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Consilium als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden tussenvonnis respectievelijk het bestreden eindvonnis en gezamenlijk de bestreden vonnissen). De dagvaarding in hoger beroep bevat de grieven.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;

- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Op 23 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, mr. De Booij namens Consilium aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3 Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.1.

[geïntimeerde] heeft als gevolg van een lekkage in de badkamer van zijn woning schade geleden. Lekdetectie Inspectie Nederland heeft een rapport van de schade opgemaakt.

3.2.

Op 13 juli 2021 heeft in de woning van [geïntimeerde] een gesprek plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig: [naam 1] (hierna: [naam 1] ) namens Consilium, [geïntimeerde] , [naam 2] (hierna: [naam 2] ) namens Aegon (de verzekeraar van [geïntimeerde] ) en de dochter van [geïntimeerde] .

3.3.

Op 9 november 2021 heeft [naam 1] aan [geïntimeerde] het volgende bericht gestuurd via whatsapp:

“Ik ontving de offerte via vdPol, is dit wat er gaat komen op de verdieping? En heeft je verzekering dit goedgekeurd? Dan kunnen we het gaan bestellen en plannen.”

3.4.

[geïntimeerde] heeft niet op dit bericht gereageerd.

3.5.

Consilium heeft in de woning van [geïntimeerde] herstelwerkzaamheden verricht en daarbij onder meer een tegelvloer gelegd. [geïntimeerde] heeft de tegels zelf aangeschaft bij Tegel Outlet Aalsmeer B.V. De factuur van de tegels is gedateerd op 22 november 2021.

3.6.

Voor de uitgevoerde werkzaamheden heeft Consilium op 30 maart 2022 een factuur opgemaakt van € 20.912,67. Van deze factuur is € 15.730,00 onbetaald gebleven.

3.7.

Consilium heeft [geïntimeerde] bij herhaling gesommeerd om de openstaande factuur te betalen. In reactie daarop heeft [geïntimeerde] onder meer meegedeeld dat Consilium een overeenkomst heeft gesloten met Aegon als opdrachtgeefster, niet met [geïntimeerde] .

4 Procedure bij de kantonrechter

4.1.

Consilium heeft bij de kantonrechter gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan haar van € 15.370,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten met nakosten en rente.

4.2.

Na verweer van [geïntimeerde] heeft de kantonrechter bij het bestreden tussenvonnis geoordeeld dat wat betreft de tegelvloer tussen partijen een aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen als bedoeld in artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kantonrechter heeft Consilium toegelaten tot het leveren van bewijs van haar stelling dat zij [geïntimeerde] erop heeft gewezen dat hij met Aegon moest afstemmen dat hij een tegelvloer wenste in plaats van laminaat. Indien Consilium niet slaagt in dit opgedragen bewijs, mocht [geïntimeerde] erop vertrouwen dat de extra kosten van deze werkzaamheden door Consilium met Aegon waren afgestemd. In dat geval kan Consilium geen aanspraak maken op vergoeding van deze kosten door [geïntimeerde] . Indien Consilium in haar bewijsopdracht slaagt, is de kantonrechter van oordeel dat de vordering op zich toewijsbaar is, zij het tot een bedrag van € 12.633,00. De kantonrechter heeft echter verder nog geoordeeld dat Consilium niet heeft voldaan aan haar (pre)contractuele informatieplichten zoals bedoeld in de artikelen 6:230m lid 1 onder e (totale prijs), g (wijze van betaling, levering, uitvoering leveringstermijn), k (informatie geen recht op ontbinding) en 6:230t lid 1 BW (informatie verstrekken op een duurzame gegevensdrager). De kantonrechter heeft overwogen dat daarom – als het door Consilium te leveren bewijs wordt geleverd – de overeenkomst met toepassing van de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten van de rechtbanken (hierna: de sanctierichtlijn) gedeeltelijk wordt vernietigd, in die zin dat de betalingsverplichting van [geïntimeerde] met 50% wordt verminderd tot een bedrag van € 6.316,50.

4.3.

Consilium heeft in het kader van haar bewijslevering onder andere getuigen laten horen. [geïntimeerde] heeft afgezien van een contra-enquête.

4.4.

Bij het bestreden eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat Consilium is geslaagd in het leveren van het haar opgedragen bewijs. Hij heeft [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling aan Consilium van € 6.316,50, met wettelijke rente. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten van het getuigenverhoor met nakosten en rente en heeft de overige proceskosten gecompenseerd. De kantonrechter heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5 Hoger beroep

5.1.

Consilium heeft in het principale hoger beroep, na vermeerdering van eis, geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen voor zover een bedrag van € 8.956,12 met de wettelijke rente daarover niet is toegewezen. Zij concludeert dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, deze vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties (met uitzondering van het gedeelte van de proceskosten van het getuigenverhoor dat reeds betaald is), met nakosten en rente.

5.2.

[geïntimeerde] concludeert in het principale hoger beroep tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen voor zover door Consilium bestreden, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Consilium in de proceskosten in beide instanties.

5.3.

In het incidentele hoger beroep heeft [geïntimeerde] geconcludeerd – naar het hof begrijpt – tot vernietiging van de bestreden vonnissen voor zover de vorderingen van Consilium zijn toegewezen. [geïntimeerde] concludeert tot afwijzing alsnog van die vorderingen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Consilium in de proceskosten in beide instanties.

5.4.

Consilium heeft in het incidentele hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van dat beroep, kosten rechtens.

6 Beoordeling

6.1.

Consilium is tegen de bestreden vonnissen opgekomen met een ongenummerde grief en twee genummerde grieven. De ongenummerde grief heeft betrekking op de btw. Grief I is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter over schending van de (pre)contractuele informatieplichten en de daaruit voortvloeiende sanctie. Grief II is, samengevat, gericht tegen de compensatie van de proceskosten in eerste aanleg (met uitzondering van de kosten van het getuigenverhoor). De vermeerdering van eis heeft betrekking op de hoofdsom; Consilium wijzigt dat bedrag van € 15.370,00 naar € 15.730,00.

6.2.

[geïntimeerde] heeft eveneens een ongenummerde grief en twee genummerde grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd. De ongenummerde grief keert zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat wat betreft de tegelvloer tussen partijen een aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen. De grieven 1 en 2 keren zich, naar de kern genomen, tegen de bewijswaardering (grief 2) en – als wordt geoordeeld dat Consilium is geslaagd in de bewijslevering – tegen het oordeel dat dit ertoe leidt dat [geïntimeerde] verplicht is tot betaling (grief 1).

6.3.

Het hof ziet aanleiding eerst de grieven van [geïntimeerde] te bespreken.

In het incidentele hoger beroep

Aannemingsovereenkomst

6.4.

Het hof zal eerst de vraag beantwoorden of wat betreft de tegelvloer tussen partijen een aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Daartoe is het volgende van belang.

6.5.

Aanneming van werk is de overeenkomst waarbij de ene partij, de aannemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door de opdrachtgever te betalen prijs in geld (artikel 7:750 lid 1 BW). Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg blijkt dat [geïntimeerde] heeft verklaard dat hij tijdens het gesprek op 13 juli 2021 bij hem thuis – ná het vertrek van [naam 2] (Aegon) – aan [naam 1] (Consilium) heeft verzocht om tegels (‘plavuizen’). Het hof leidt hieruit af – net als de kantonrechter – dat [geïntimeerde] , in afwijking van wat met Aegon was besproken, een tegelvloer wenste en dat hij voor het leggen daarvan opdracht heeft gegeven aan Consilium. Daarbij komt dat [geïntimeerde] zich erop beroept dat Consilium dekking voor de tegelvloer zou regelen bij Aegon en deze stelling rijmt niet met zijn (andere) stelling dat Aegon opdrachtgever zou zijn. Aldus is tussen partijen wat betreft het leggen van de tegelvloer mondeling een aannemingsovereenkomst tot stand gekomen. De ongenummerde grief van [geïntimeerde] heeft geen succes.

6.6.

De grieven 1 en 2 van [geïntimeerde] hebben betrekking op de bewijsopdracht. Volgens [geïntimeerde] heeft Consilium het haar opgedragen bewijs niet geleverd. De communicatie (over de schade) is enkel tussen Consilium en Aegon gevoerd. Consilium heeft meermalen aangegeven dat zou worden uitgegaan van 100% financiering door Aegon. Zo geeft [naam 1] in een e-mail aan Aegon zelf aan dat ze nog op 100% staan voor financiering. Dit staat volgens [geïntimeerde] haaks op het feit dat Consilium hem erop zou hebben gewezen dat hij met Aegon moest afstemmen dat hij een andere afwerking wilde. Verder heeft de kantonrechter volgens [geïntimeerde] het whatsappbericht van 9 november 2021 onjuist uitgelegd. Dit bericht had slechts betrekking op de aanschaf van tegels en zag niet op de uitvoering van de werkzaamheden. Omdat [geïntimeerde] de tegels zelf zou aanschaffen, heeft hij niet gereageerd op dit bericht. De kantonrechter heeft de vordering van Consilium tot betaling dus ten onrechte toegewezen. Dit geldt volgens [geïntimeerde] ook als Consilium wél in de bewijslevering zou zijn geslaagd. Ook in dat geval mocht hij erop vertrouwen dat de (extra) kosten van de werkzaamheden voor het leggen van de tegelvloer door Consilium met Aegon waren afgestemd, aldus nog steeds [geïntimeerde] .

6.7.

Het hof oordeelt als volgt. In de bewijsopdracht van de kantonrechter aan Consilium ligt – mede gelet op het partijdebat – besloten dat als Consilium [geïntimeerde] er niet op had gewezen dat [geïntimeerde] met Aegon moest afstemmen dat hij een andere afwerking wilde, [geïntimeerde] ervan mocht uitgaan dat de aanneemsom (de prijs) voor het leggen van de tegelvloer gelijk zou zijn aan het bedrag dat Aegon zou uitkeren onder de dekking en dat Consilium dit zou afstemmen met Aegon. Hiertegen is niet gegriefd, zodat het hof hiervan uitgaat.

6.8.

Uit meergenoemd whatsappbericht kan in ieder geval worden afgeleid dat de communicatie, anders dan [geïntimeerde] stelt, niet steeds rechtstreeks tussen Consilium en Aegon liep. Het bericht gaat naar het oordeel van het hof ook over meer dan de aanschaf van tegels. Consilium vraagt immers of met de verzekeraar is afgestemd dat dit is wat er gaat komen op de verdieping. De verwijzing ‘dit’ slaat terug op de inhoud van de offerte van Van de Pol. Over de daarin geoffreerde tegels ter afwerking van de vloer op de eerste verdieping heeft Consilium aan [geïntimeerde] gevraagd of Aegon dat heeft goedgekeurd, zodat Consilium die tegels kon bestellen en de werkzaamheden kon gaan plannen. Daarom leidt het hof uit het whatsappbericht af dat Consilium de afstemming met Aegon of de beoogde wensen van [geïntimeerde] ten aanzien van een tegelvloerafwerking wel onder de dekking vielen, bij [geïntimeerde] zelf heeft neergelegd. Dat [geïntimeerde] uiteindelijk niet heeft gekozen voor de tegels van Van de Pol, maar daarna – zo leidt het hof uit de factuurdatum van 22 november 2021 af – zelf tegels heeft gekocht bij Tegel Outlet Aalsmeer B.V. doet hieraan niet af.

6.9.

De e-mail waarnaar [geïntimeerde] nog verwijst, werpt hierop geen ander licht. Consilium heeft gewezen op de context waarin zij deze e-mail stuurde aan Aegon (te weten: nadat het werk was afgerond en betaling door [geïntimeerde] uitbleef) en dat zij er juist over klaagt dat ze nog altijd staat ‘op 100% voor financiering’; tussen ‘voor’ en ‘financiering’ staat volgens Consilium ten onrechte een spatie. Op deze uitleg van Consilium dat zij ten tijde van het sturen van de e-mail aan Aegon nog niets betaald had gekregen voor haar werkzaamheden en alle kosten dus had voorgefinancierd, heeft [geïntimeerde] niet meer gereageerd. Het hof gaat daarom uit van deze, ook voor de hand liggende, uitleg van Consilium.

6.10.

De kantonrechter heeft dus terecht geoordeeld dat Consilium is geslaagd in het haar opgedragen bewijs dat zij [geïntimeerde] erop heeft gewezen dat wanneer hij een andere vloerafwerking wenste, hij dit met Aegon moest afstemmen. Dit betekent dat grief 2 faalt. Uit het falen van grief 2 volgt ook dat grief 1 geen doel treft. [geïntimeerde] heeft namelijk niet toegelicht waarom hij erop mocht vertrouwen dat Consilium de (extra) kosten voor het leggen van de tegelvloer zou afstemmen met Aegon, ondanks dat hij ( [geïntimeerde] ) erop was gewezen dat hij met Aegon moest afstemmen dat hij een andere afwerking wenste.

In het principale hoger beroep

De prijs

6.11.

De volgende vraag die het hof moet beantwoorden is welke prijs [geïntimeerde] verschuldigd is. Nu partijen niet hebben gegriefd tegen de (wijze van) vaststelling van de prijs door de kantonrechter (201 uren x uurtarief) gaat ook het hof hiervan uit. De ongenummerde grief van Consilium dat de kantonrechter bij de vaststelling van de prijs ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de btw, die Consilium heeft gevorderd, slaagt. Het door de kantonrechter genoemde bedrag is inderdaad exclusief btw. Dit leidt tot toekenning van een (iets) hoger bedrag, zoals hierna is uitgewerkt.

Ambtshalve toetsing (pre)contractuele informatieplichten

6.12.

De kantonrechter heeft de overeenkomst tussen partijen terecht gekwalificeerd als een overeenkomst die buiten de verkoopruimte is gesloten tussen Consilium als handelaar en [geïntimeerde] als consument. Nu ook Consilium ervan uitgaat dat de overeenkomst ‘thuis bij [geïntimeerde] ’ is gesloten, valt niet in te zien waarom Consilium de overeenkomst kennelijk kwalificeert als een overeenkomst anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte. Haar beroep op artikel 6:230l BW gaat dan ook niet op en de context waarop Consilium zich beroept is hier dus niet relevant. De kantonrechter heeft dan ook terecht getoetst aan de artikelen 6:230m en 6:230t BW.

6.13.

Consilium heeft hiertegen nog aangevoerd dat artikel 7:755 BW prevaleert boven artikel 6:230g BW e.v. Volgens Consilium had [geïntimeerde] de noodzaak van een uit het meerwerk voortvloeiende prijsverhoging uit zichzelf moeten begrijpen en lag het op de weg van [geïntimeerde] bij Consilium te informeren naar de omvang van de prijsverhoging. Die verplichting van [geïntimeerde] is niet te rijmen met de informatieplichten die op Consilium (zouden) rusten, aldus nog steeds Consilium.

6.14.

Dit betoog heeft geen succes. Voor zover artikel 7:755 BW al op de overeenkomst tussen partijen van toepassing zou zijn, geldt artikel 6:230m BW ook ten aanzien van uitbreidingen of wijzigingen van de oorspronkelijke opdracht. Op grond van lid 1 onder e van die bepaling geldt de (ten opzichte van de regel van artikel 7:755 BW: strengere) eis dat Consilium vóór het uitbreiden of wijzigen van de oorspronkelijke opdracht aan [geïntimeerde] op een duurzame gegevensdrager leesbare, duidelijke en begrijpelijke informatie moet verstrekken over (onder andere) de totale prijs van het meerwerk of – indien de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend – de manier waarop die prijs moet worden berekend. Met deze eis wordt bereikt dat een consument als [geïntimeerde] op goed geïnformeerde wijze kan beslissen of hij het meerwerk (ondanks de hogere prijs die het tot gevolg heeft) aan een handelaar als Consilium wil opdragen.

6.15.

Ten slotte geldt nog dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of aan de door de Hoge Raad als essentieel bestempelde informatieplichten (zoals artikel 6:230m lid 1 onder e BW, totale prijs) is voldaan. Indien dat niet het geval is, moet de rechter een doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie toepassen (HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677, rov. 3.1.9). Het gaat hier, anders dan Consilium stelt, niet om discretionaire bevoegdheden van de rechter. Aangezien Consilium ook in hoger beroep niet heeft gesteld dat zij aan de vier door de kantonrechter genoemde (essentiële) informatieplichten heeft voldaan, heeft de kantonrechter de overeenkomst – nu het om voldoende ernstige schendingen gaat – terecht gedeeltelijk vernietigd. Het hof sluit zich aan bij de door de kantonrechter toegepaste vermindering van de betalingsverplichting van [geïntimeerde] met 50%. Dit betekent dat grief I van Consilium geen doel treft.

6.16.

In verband met de verschuldigde btw (zie onder 6.11), zal het hof [geïntimeerde] in hoger beroep nog veroordelen tot een aanvullende betaling aan Consilium van (€ 6.316,50 x 0,21 =) € 1.326,47, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 maart 2023 (datum inleidende dagvaarding, onbestreden in hoger beroep) tot de dag van betaling.

6.17.

Gelet op de beslissing in eerste aanleg en de uitkomst van dit hoger beroep, blijft de compensatie van de proceskosten in eerste aanleg (met uitzondering van de kosten van het getuigenverhoor) in stand. Ook grief II faalt dus.

In het principale en incidentele hoger beroep

Slotsom, kosten en bewijsaanbod

6.18.

De grieven I en II van Consilium in het principale hoger beroep en de grieven van [geïntimeerde] in het incidentele hoger beroep slagen niet. Alleen de ongenummerde grief van Consilium heeft succes. De bestreden vonnissen worden bekrachtigd, met dien verstande dat het hof [geïntimeerde] in het principale hoger beroep nog zal veroordelen tot betaling van een aanvullend bedrag van € 1.326,47 met rente. Het hof zal het in hoger beroep meer of anders gevorderde afwijzen. Het hof ziet geen aanleiding om partijen toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs hebben aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Consilium is in het principale hoger beroep voornamelijk in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in het principale hoger beroep. [geïntimeerde] is in het incidentele hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in het incidentele hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:

in het principale hoger beroep:

- griffierecht € 349,00

- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief € 1.290,00 x 2 punten)

Totaal € 2.929,00

in het incidentele hoger beroep:

- salaris advocaat € 1.290,00 (tarief € 1.290,00 x 0,5 x 2 punten)

Totaal € 1.290,00.

7 Beslissing

Het hof:

in het principale en in het incidentele hoger beroep

7.1.

bekrachtigt de bestreden vonnissen;

7.2.

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan Consilium van een bedrag van € 1.326,47, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 maart 2023 tot de dag van betaling;

7.3.

veroordeelt Consilium in de proceskosten in het principale hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 2.929,00;

7.4.

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in het incidentele hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 1.290,00;

7.5.

verklaart de veroordelingen onder 7.2. en 7.3. uitvoerbaar bij voorraad;

7.6.

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I. de Greef, E.J. Bellaart en G.J. Boeve en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »