ECLI:NL:RBAMS:2026:10071

Datum uitspraak
14-10-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/13/778781 / HA ZA 25-1709
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De bestuurder van Havirit B.V., een handelsplatform in tuinbouwproducten en verwante financiële producten, is niet persoonlijk aansprakelijk tegenover twee schuldeisers van zijn bedrijf.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/778781 / HA ZA 25-1709

Vonnis van 14 oktober 2026 (bij vervroeging)

in de zaak van

1 NETHERLANDS COMMODITY EXCHANGE B.V.,

2. SHOUGUANG VEGETABLE INDUSTRY HOLDING GROUP B.V.,

beide gevestigd te Berkel en Rodenrijs,

eisende partijen,

hierna te noemen: NLCE en SVG,

advocaat: mr. H. Ruiter,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partijen,

hierna te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,

advocaat: mr. H.J. Ligtenbarg.

1 De zaak en de beslissing in het kort

1.1.

Havirit B.V. (hierna: Havirit) moet nog ruim € 80.000,- aan NLCE en SVG betalen. Dat heeft Havirit niet gedaan. NLCE en SVG vorderen in deze procedure schadevergoeding van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van het leerstuk van (externe) bestuurdersaansprakelijkheid. [gedaagde 1] is de bestuurder van Havirit. [gedaagde 2] is de bestuurder van [gedaagde 1] . Volgens NLCE en SVG zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk voor het onbetaald blijven van het door Havirit verschuldigde bedrag, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders van Havirit hebben bewerkstelligd dat Havirit niet betaalt.

1.2.

Uitgangspunt is dat alleen Havirit verantwoordelijk is voor de betaling van haar schulden. Om de bestuurders van Havirit persoonlijk aansprakelijk te stellen, is volgens vaste rechtspraak vereist dat aan de bestuurders een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt voor het onbetaald blijven van de schuld van de vennootschap. Een dergelijk verwijt is hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. Daarom wijst de rechtbank de vorderingen van NLCE en SVG af.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 november 2025, met producties,

- de conclusie van antwoord van 28 januari 2026, met producties,

- het tussenvonnis van 22 april 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 september 2026 en de daarin genoemde stukken.

2.2.

Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

3 De feiten

Betrokken partijen en de samenwerking om een handelsplatform te realiseren

3.1.

NLCE is actief in de grondstoffenhandel. SVG houdt zich onder meer bezig met de teelt van groenten onder glas. NLCE en SVG maken deel uit van hetzelfde concern, dat zich bezig houdt met de productie van en handel in landbouwgoederen, alsmede met diverse handelsactiviteiten daaromheen.

3.2.

Havirit is in juli 2017 opgericht ten behoeve van het hierna in 3.3 te noemen project om een handelsplatform te realiseren. De activiteiten van Havirit zijn volgens de registratie bij de Kamer van Koophandel onder meer: het geven van advies en het verlenen van consultancy diensten op het gebied van financiële markten, alsmede het verrichten van project management. Enig bestuurder van Havirit is [gedaagde 1] . Enig bestuurder van [gedaagde 1] is [gedaagde 2] .

3.3.

Op basis van een op 28 september 2018 gesloten overeenkomst van opdracht hebben NLCE en SVG enerzijds en Havirit anderzijds samengewerkt met als doel om een handelsplatform op te zetten voor de handel in commodity’s (tuinbouwproducten) en in financiële producten met betrekking tot die commodity’s (hierna: het project).

3.4.

Havirit was binnen de samenwerking verantwoordelijk voor het aanvragen van een vergunning en om al datgene te verrichten wat nodig was om het handelsplatform operationeel te maken. Havirit heeft daartoe experts ingeschakeld. De werkzaamheden van die experts mocht Havirit tegen een bepaald uurtarief bij NLCE in rekening brengen.

NLCE was onder meer verantwoordelijk voor de aanlevering van de benodigde software.

Het einde van de samenwerking en de daarover gevoerde procedures

3.5.

Op 18 augustus 2020 hebben NLCE en SVG het project on hold gezet. Er waren toen nog geen definitieve afspraken met de beoogde softwareleverancier en was er nog geen vergunning verkregen voor het handelsplatform.

3.6.

Op 18 februari 2021 heeft Havirit ten laste van NLCE en SVG conservatoir (derden)beslag laten leggen onder Rabobank en zeven onroerende zaken.

3.7.

Op 20 april 2021 hebben NLCE en SVG – ter vervangende zekerheid voor deze conservatoire (derden)beslagen – een beslaggarantie gesteld. Daarna heeft Havirit de beslagen ten laste van SVG opgeheven. Daardoor bleef alleen het conservatoir derdenbeslag onder Rabobank ten laste van NLCE in stand.

3.8.

Havirit is in maart 2021 een procedure begonnen bij de rechtbank Rotterdam waarbij zij betaling van facturen vorderde op grond van de samenwerkingsovereenkomst. Bij vonnis van 1 september 2021 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard, omdat partijen in de samenwerkingsovereenkomst arbitrage zijn overeengekomen voor de beslechting van geschillen. Havirit is daarbij in de proceskosten van NLCE en SVG veroordeeld, waarna de rechtsbijstandsverzekeraar van Havirit de proceskosten (€ 2.802,-) rechtstreeks aan NLCE en SVG heeft voldaan.

3.9.

In een brief van 21 februari 2022 hebben NLCE en SVG de samenwerkingsovereenkomst beëindigd.

3.10.

Havirit heeft bij het gerechtshof Den Haag hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam. Mediation tussen partijen tijdens het hoger beroep heeft niet tot een oplossing geleid. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 18 april 2023 het vonnis van de rechtbank Rotterdam bekrachtigd en Havirit veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Havirit heeft de proceskosten (€ 2.957,50) aan NLCE en SVG betaald.

3.11.

Op 16 mei 2023 heeft Havirit meegedeeld geen verplichtingen meer te kunnen ontlenen aan de door NLCE en SVG verstrekte beslaggarantie, waarna de beslaggarantie is vervallen.

3.12.

NLCE en SVG hebben Havirit op 16 juni 2023 aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het gelegde beslag, bestaande uit de kosten van NLCE en SVG voor de beslaggarantie van € 1.877,05. Aan de sommatie van NLCE en SVG tot betaling van dat bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente, heeft Havirit geen gehoor gegeven.

3.13.

In maart 2024 is Havirit een arbitrageprocedure gestart bij het Nederlands Instituut voor Arbitrage (NAI). Havirit heeft zich in die procedure op standpunt gesteld dat NLCE en SVG de samenwerking niet hadden mogen beëindigen, althans niet zonder compensatie of schadevergoeding aan Havirit te betalen, en dat NLCE en SVG hun verplichtingen op grond van de samenwerkingsovereenkomst moeten nakomen. In het arbitrale vonnis van 27 juni 2025 (hierna: het arbitrale vonnis) zijn alle vorderingen van Havirit afgewezen. Havirit is veroordeeld in de proceskosten van NLCE en SVG, die zijn vastgesteld op € 80.000,-.

3.14.

Op 1 juli 2025 hebben NLCE en SVG Havirit verzocht om de proceskosten van € 80.000,- te voldoen. Daarbij is ook verzocht een bedrag van € 2.152,91 te voldoen, bestaande uit de kosten van NLCE en SVG voor de beslaggarantie, vermeerderd met wettelijke rente, als schadevergoeding voor onrechtmatig gelegd beslag.

3.15.

In reactie hierop heeft de advocaat van Havirit op 10 juli 2025, met bijvoeging van de jaarrekening 2024 van Havirit, onder meer het volgende laten weten:

“Zoals bij uw cliënten bekend is, betreft Havirit B.V. een projectvennootschap die specifiek werd opgericht voor het project met uw cliënten. Nadat uw cliënten in de zomer van 2020 besloten de samenwerking voortijdig te beëindigen, is Havirit de kans ontnomen om de beoogde resultaten met het handelsplatform te realiseren. (…)

Na het beëindigen van het project heeft Havirit nog gepoogd alternatieve inkomstenbronnen aan te boren, hetgeen (…) zonder resultaat is gebleven. De vennootschap genereert geen inkomsten en is mede door de gemaakte arbitragekosten verlieslatend geworden.

De activa van Havirit bestaan uitsluitend uit een 15% aandelenbelang in NLCE. (…) Havirit beschikt verder over geen middelen of activa van betekenis. Zij biedt derhalve duurzaam geen verhaalsmogelijkheden voor de door uw cliënten gevorderde kosten.

(…)”

3.16.

Op 11 juli 2025 heeft Havirit aan de Belastingdienst (één van haar schuldeisers) laten weten dat zij van plan is om over te gaan tot beëindiging van haar activiteiten en ontbinding zonder baten.

3.17.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft op 24 juli 2025 verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis. Dat verlof hebben NLCE en SVG op 30 juli 2025 aan Havirit laten betekenen met het bevel om te betalen.

3.18.

Havirit heeft de arbitrale proceskostenveroordeling en de door NLCE en SVG gevraagde schadevergoeding vanwege het gelegde beslag niet betaald.

De financiële situatie van Havirit van 2019 tot en met 2025

3.19.

Uit de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] overgelegde jaarrekeningen van Havirit blijkt het volgende. Over 2019 maakte Havirit nog een winst van € 108.808,-. Eind 2019 was het eigen vermogen van Havirit € 133.385,-. Vanaf 2020 (het jaar waarin NLCE en SVG de samenwerking met Havirit on hold zetten) tot en met 2024 was steeds sprake van een verlies en is het eigen vermogen steeds verder afgenomen. Eind 2024 was het eigen vermogen € 37.709,- negatief. In de concept-jaarrekening over 2025 is het eigen vermogen gesteld op € 180.974,- negatief. In de balans over 2025 is ook de arbitrale proceskostenveroordeling ten laste van Havirit verwerkt.

3.20.

Naast de schuld aan NLCE en SVG had Havirit per eind 2025/begin 2026 schulden aan [gedaagde 1] (€ 53.889,-), de Belastingdienst (€ 24.246,26), haar advocaat Drijber en Partners B.V. (€ 1.440,58) en haar accountant UWBS Financial Services B.V. (€ 496,50).

Enkele door Havirit ontvangen en gedane betalingen

3.21.

Uit een door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] overgelegd overzicht van alle transacties via de bankrekening van Havirit over de periode van 7 augustus 2020 tot en met 1 november 2025 blijken onder meer de volgende ontvangen en gedane betalingen:

datum

bij- of afschrijving

bedrag

tenaamstelling tegenrekening

2-4-2021

bij

€ 1.000,00

[gedaagde 1]

3-4-2021

af

€ 911,13

[naam 1] + [naam 2]

23-4-2021

bij

€ 1.000,00

[gedaagde 1]

30-4-2021

af

€ 783,64

[naam 1] + [naam 2]

1-4-2022

bij

€ 5.000,00

[gedaagde 1]

4-4-2022

af

€ 6.050,00

ReulingSchutte B.V.

17-6-2022

bij

€ 5.000,00

[gedaagde 1]

17-6-2022

af

€ 6.050,00

Brandeis

7-5-2023

bij

€ 2.000,00

[gedaagde 2]

8-5-2023

bij

€ 2.000,00

[gedaagde 2]

9-5-2023

af

€ 3.902,50

Stichting Derdengelden Advocatuur Heussen

14-8-2024

bij

€ 4.000,00

[gedaagde 1]

14-8-2024

af

€ 5.411,31

NAI

17-7-2025

bij

€ 2.476,95

NAI

18-7-2025

af

€ 2.400,00

[gedaagde 1]

24-10-2025

bij

€ 6.050,00

Belastingdienst

29-10-2025

af

€ 2.500,00

Belastingdienst

29-10-2025

af

€ 1.500,00

Drijber en Partners B.V.

29-10-2025

af

€ 1.500,00

UWBS Financial Services B.V.

4 Het geschil

4.1.

NLCE en SVG vorderen - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:

 € 83.480,98 € 83.480,98 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2025,

 € 83.480,98 € 1.821,49 aan buitengerechtelijke incassokosten,

 € 83.480,98 de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

e

4.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van NLCE en SVG, met hoofdelijke en uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van NLCE en SVG in de kosten van deze procedure.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

De door NLCE en SVG gevorderde hoofdsom van € 83.480,98 bestaat uit twee onderdelen:

  1. de arbitrale proceskostenveroordeling van € 80.000,-, vermeerderd met wettelijke rente tot en met 29 juli 2025 (€ 433,97), de kosten voor het verkrijgen van verlof (€ 774,-) en de betekening daarvan (€ 130,-);

  2. de kosten voor de beslaggarantie van € 1.822,67, vermeerderd met de wettelijke rente tot en met 29 juli 2025 (€ 320,34).

5.2.

NLCE en SVG leggen aan het in hoofdsom gevorderde bedrag ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders van Havirit onrechtmatig hebben gehandeld tegenover NLCE en SVG. Volgens NLCE en SVG treft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een persoonlijk ernstig verwijt als het gaat om het door Havirit onbetaald en onverhaalbaar blijven van de arbitrale proceskostenveroordeling ten gunste van NLCE en SVG en van de schade als gevolg van het gelegde beslag.

5.3.

De rechtbank zal hierna beoordelen of [gedaagde 1] als bestuurder van Havirit persoonlijk aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) voor de twee onbetaald gebleven schulden van Havirit aan NLCE en SVG (de arbitrale proceskostenveroordeling en een schadevergoeding in verband met gelegd beslag). Pas als wordt geoordeeld dat [gedaagde 1] daarvoor aansprakelijk is, kan op basis van artikel 2:11 BW ook [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn.

Toetsingskader

5.4.

De door NLCE en SVG gestelde bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde 1] moet worden beoordeeld aan de hand van het toetsingskader zoals dat volgt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad.1 Dat toetsingskader is als volgt.

5.4.1.

Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt ter zake van de benadeling van de schuldeiser (welke benadeling bestaat uit het onbetaald en onverhaalbaar blijven van haar vordering). Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.

5.4.2.

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.

5.4.3.

Indien de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.

5.4.4.

Ook kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Van een ernstig persoonlijk verwijt zal in dat geval in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

5.4.5.

Er kunnen zich ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.

5.5.

Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ligt het op de weg van NLCE en SVG om de feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, die nodig zijn voor een geslaagd beroep op bestuurdersaansprakelijkheid.

i) De arbitrale proceskostenveroordeling

5.6.

Havirit heeft nu – en had ook al ten tijde van het wijzen van het arbitraal vonnis – een negatief eigen vermogen (zie 3.19) en beschikt(e) niet over voldoende middelen om de arbitrale proceskostenveroordeling te betalen. Daarom gaat de rechtbank er met partijen vanuit dat Havirit geen verhaal biedt voor die schuld aan NLCE en SVG.

5.7.

Het belangrijkste verwijt dat NLCE en SVG aan [gedaagde 1] maken, is dat Havirit de arbitrageprocedure is begonnen terwijl voorzienbaar was dat Havirit niet voldoende financiële middelen had om een eventuele proceskostenveroordeling te kunnen betalen. [gedaagde 1] heeft bovendien de keuze gemaakt om financiering aan Havirit te verschaffen om de arbitrageprocedure te kunnen voeren, maar is daarmee vervolgens gestopt nadat het arbitrale vonnis was gewezen, aldus NLCE en SVG.

5.8.

De rechtbank is van oordeel dat de beslissing van [gedaagde 1] om Havirit een procedure te laten beginnen, terwijl [gedaagde 1] bij aanvang van die procedure rekening ermee moest gehouden dat Havirit een eventuele proceskostenveroordeling niet zou kunnen voldoen, niet kwalificeert als een persoonlijk ernstig verwijt van [gedaagde 1] als bestuurder van Havirit. Er bestaat geen algemene regel dat een partij voorafgaande aan een (arbitrage)procedure voldoende gelden beschikbaar moet hebben en houden ter dekking van een eventuele kostenveroordeling. Als dat wel zou worden verlangd, zou dat te veel afbreuk doen aan en een ongerechtvaardigde belemmering vormen voor het in artikel 6 EVRM verankerde recht op toegang tot de rechter. [gedaagde 1] heeft als bestuurder van Havirit, ook zonder voorafgaande dekking voor een eventuele kostenveroordeling, kunnen beslissen om het geschil met NLCE en SVG voor te leggen aan een rechter (in dit geval een arbiter). Daarbij was de beslissing van Havirit en [gedaagde 1] om de arbitrale procedure te voeren onmiskenbaar ingegeven door het vennootschappelijk belang van Havirit. Dat een wederpartij zich vervolgens geconfronteerd kan zien met een onmogelijkheid van verhaal ter zake van de proceskostenveroordeling is, gezien het in artikel 6 EVRM neergelegde recht op een effectieve toegang tot de rechter, een maatschappelijk risico voor diegenen die in rechte worden betrokken. Dat risico is in zijn algemeenheid, naar gangbare rechtsopvatting, aanvaardbaar. Dat [gedaagde 1] niet of onvoldoende zorg zou hebben gedragen voor de beschikbaarheid van financiële middelen bij Havirit om aan een eventuele proceskostenveroordeling te voldoen, levert op zichzelf dus geen grond op voor bestuurdersaansprakelijkheid.

5.9.

NLCE en SVG hebben in dit verband gesteld dat al bij de aanvang van de arbitrageprocedure een voorwaardelijke verplichting voor Havirit is ontstaan om de proceskosten aan hen te betalen. Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank geen verandering in het hiervoor gegeven oordeel, mede gelet op het recht op toegang tot de rechter. Die verplichting is bovendien pas onvoorwaardelijk ontstaan, en de omvang daarvan is ook pas duidelijk geworden, op het moment van het wijzen van het arbitraal vonnis in 2025.

5.10.

Het voorgaande neemt overigens niet weg dat bij het uitoefenen van processuele bevoegdheden, waaronder het aanhangig maken van een procedure, onder bijzondere omstandigheden sprake kan zijn van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Dat in dit geval het door Havirit starten van de arbitrale procedure zou zijn aan te merken als misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen, hebben NLCE en SVG niet gesteld en is ook niet gebleken.

5.11.

De kosten voor de procedure bij de rechtbank en het hof, het mediationtraject in hoger beroep en de arbitrale procedure werden deels door de rechtsbijstandverzekeraar van Havirit gedekt. Voor het resterende deel van de kosten heeft [gedaagde 1] financiële middelen ter beschikking gesteld aan Havirit. Dat laatste leidt de rechtbank af uit de transacties die zijn weergegeven in 3.21. Dat [gedaagde 1] na het arbitraal vonnis geen aanvullende financiering meer heeft verstrekt om Havirit in staat te stellen de proceskostenveroordeling te betalen, kan niet als een onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] tegenover NLCE en SVG worden aangemerkt. [gedaagde 1] was namelijk niet gehouden om aan Havirit aanvullende financiering te verstrekken.

5.12.

Een ander verwijt van NLCE en SVG is dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] inkomsten uit (management)activiteiten na 2020 niet langer in Havirit hebben laten vallen maar in een andere holding. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben dit betwist. Volgens hen was voor Havirit en voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de samenwerking met NLCE en SVG de enige bron van inkomsten en na de stopzetting van die samenwerking is het niet gelukt andere inkomsten te verwerven.

5.13.

De rechtbank is van oordeel dat NLCE en SVG hun standpunt in reactie op het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onvoldoende hebben onderbouwd. De enkele verwijzing naar wat op de LinkedIn-pagina’s van [gedaagde 2] zou staan, is niet voldoende. Het had op de weg van NLCE en SVG gelegen om met concretere gegevens, bijvoorbeeld op basis van de jaarrekeningen van [gedaagde 1] te komen. Dat hebben zij niet gedaan. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niet vaststellen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] na 2020 inkomsten uit (management)activiteiten hebben genoten die bewust buiten Havirit zijn gehouden.

5.14.

Verder stellen NLCE en SVG dat zij als enige schuldeisers niet zijn betaald. [gedaagde 1] heeft dat gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is het verwijt van NLCE en SVG niet komen vast te staan. Uit de door [gedaagde 1] overgelegde gegevens blijkt namelijk dat ook andere schuldeisers van Havirit (deels) onbetaald zijn gebleven (zie 3.20). Het verwijt dat NLCE en SVG als enige schuldeisers niet zijn betaald, gaat dus niet op.

5.15.

Ten slotte hebben NLCE en SVG naar voren gebracht dat, nadat het arbitraal vonnis was gewezen, door Havirit ontvangen gelden zijn aangewend ter voldoening van andere schuldeisers dan NLCE en SVG. Dat is een vorm van selectieve betaling die niet is toegestaan, aldus NLCE en SVG.

5.16.

De rechtbank overweegt dat er geen algemene regel bestaat op grond waarvan een schuldenaar die op een bepaald moment niet in staat is al zijn schuldeisers volledig te betalen, steeds onrechtmatig handelt wanneer hij de ene schuldeiser wel en de andere niet betaalt. Het staat (de bestuurder van) een vennootschap dan ook in beginsel vrij een eigen afweging te maken welke schuldeisers worden betaald. Dat wordt anders als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden dezelfde afweging had gemaakt. De lijn in de rechtspraak is daarnaast dat het een bestuurder in elk geval niet meer vrij staat om aan de rechtspersoon of aan hemzelf gelieerde schuldeisers bij voorrang te betalen als de vennootschap heeft besloten tot liquidatie over te gaan of haar faillissement op korte termijn onvermijdelijk is, tenzij die betaling door bijzondere omstandigheden wordt gerechtvaardigd.

5.17.

De rechtbank stelt vast dat Havirit ten tijde van het wijzen van het arbitrale vonnis meerdere schuldeisers had, waaronder de Belastingdienst als preferente schuldeiser. Een door Havirit op 24 oktober 2025 ontvangen bedrag van € 6.050,- (zie de tabel in 3.21) is met name gebruikt om betalingen te doen aan de Belastingdienst, de advocaat van Havirit en de accountant van Havirit. Gelet op het hiervoor in 5.16 geschetste toetsingskader zijn die betalingen niet aan te merken als ongeoorloofde selectieve betalingen. Voor wat betreft de betaling door NAI van een bedrag van € 2.476,95 aan Havirit (zie ook de tabel in 3.21) is niet in geschil dat dit een teruggave is van een deel van het door Havirit aan het NAI betaalde voorschot voor de arbitragekosten, terwijl het laatste aanvullende voorschot door [gedaagde 1] via de rekening-courantverhouding aan Havirit ter beschikking was gesteld. Gelet daarop lag het voor de hand dat Havirit het door het NAI teruggestorte bedrag aan [gedaagde 1] terugbetaalde. Voor zover al zou moeten worden geoordeeld dat Havirit dat bedrag niet aan [gedaagde 1] had mogen betalen, dan had het aan de Belastingdienst als preferente schuldeiser moeten worden voldaan en dan is ook in zoverre van benadeling van NLCE en SVG geen sprake.

5.18.

Al het voorgaande betekent dat [gedaagde 1] geen persoonlijk ernstig verwijt treft van het onbetaald zijn gebleven van de door Havirit aan NLCE en SVG verschuldigde arbitrale proceskostenveroordeling.

ii) De schadevergoeding in verband met de beslaglegging

5.19.

NLCE en SVG stellen dat zij een vordering tot schadevergoeding op Havirit hebben in verband met door Havirit onterecht gelegd beslag.

5.20.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat Havirit aansprakelijk is voor die schade. Ook betwisten zij dat hen een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken van die betwiste en niet in rechte vastgestelde vordering op Havirit.

5.21.

De rechtbank overweegt dat degene die een beslag legt op eigen risico handelt en, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade dient te vergoeden indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd. Met het arbitrale vonnis, waarbij de vorderingen van Havirit zijn afgewezen, staat vast dat de vordering waarvoor Havirit beslag had gelegd ten laste van NLCE en SVG ongegrond is. Gelet daarop neemt de rechtbank aan dat het beslag ten onrechte is gelegd en dat Havirit daarmee onrechtmatig jegens NLCE en SVG heeft gehandeld.

5.22.

Vervolgens is de vraag of naast Havirit ook [gedaagde 1] (en [gedaagde 2] ) aansprakelijk zijn voor schade als gevolg van het beslag. NLCE en SVG hebben echter niet gesteld, laat staan onderbouwd, waarom [gedaagde 1] als bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt treft van het onbetaald blijven van die schade. Deze vordering is reeds hierom niet toewijsbaar.

Conclusie

5.23.

De conclusie is dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schulden van Havirit in verband met de arbitrale proceskostenveroordeling en schade als gevolg van het beslag. Dat betekent dat alle vorderingen van NLCE en SVG moeten worden afgewezen.

Proceskosten

5.24.

NLCE en SVG krijgen ongelijk en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op:

- griffierecht

€

2.995,00

- salaris advocaat

€

2.580,00

(2 punten × € 1.290,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

5.764,00

5.25.

De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken en uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de proceskostenveroordeling ook moet worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.

6 De beslissing

6.1.

wijst de vorderingen van NLCE en SVG af,

6.2.

veroordeelt NLCE en SVG hoofdelijk in de proceskosten van € 5.764,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als NLCE en SVG niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

6.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, rechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »