RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/709931 / HA ZA 25-996
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
MR. REMON ALEXANDER JULIEN VAN WINGERDEN Q.Q., CURATOR IN HET FAILLISSEMENT VAN [bedrijf 1] B.V.,
te Rotterdam,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. E. Husta,
tegen
1 [bedrijf 2] B.V.,
te [plaats 1] ,2. [bedrijf 3] B.V.,
te [plaats 1] ,3. [bedrijf 4] B.V.,
te [plaats 2] ,4. [naam 1],
te [plaats 1] ,5. [naam 2],
te [plaats 2] ,
gedaagden in conventie,
partijen 4 en 5 tevens eisers in reconventie,
advocaat: mr. E.R.P. von Hegedus.
Partijen worden hierna de curator, [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] , [naam 1] en [naam 2] genoemd. Gedaagden worden gezamenlijk aangeduid als [naam gedaagden] c.s. en als de bestuurders. [bedrijf 1] B.V. wordt hierna [bedrijf 1] genoemd.
1 De zaak in het kort
In deze zaak staat het handelen van de bestuurders van [bedrijf 1] voorafgaand aan haar faillissement centraal. De curator verwijt hen onbehoorlijke taakvervulling die een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement en onrechtmatig handelen. Volgens de bestuurders is het faillissement veroorzaakt door externe omstandigheden en valt hen niets te verwijten. De rechtbank oordeelt dat de bestuurders voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het faillissement is veroorzaakt door externe omstandigheden. Daarmee hebben zij het bewijsvermoeden dat onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is, ontzenuwd. Dat de bestuurders onrechtmatig hebben gehandeld en dat aan hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, heeft de curator onvoldoende onderbouwd. De vorderingen gegrond op bestuurdersaansprakelijkheid worden daarom afgewezen. [bedrijf 2] en [bedrijf 3] moeten wel hun rekening-courantschuld aan de curator betalen. De rechtbank legt in dit vonnis uit hoe zij tot deze en aanverwante beslissing(en) is gekomen.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 31 oktober 2025, met producties 1-55;
- de conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met
producties 1-22;
- de brief van 3 maart 2026 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een
mondelinge behandeling op 20 juli 2026;
- de akte overlegging nadere producties van [naam gedaagden] c.s., met producties 23-25;
- het e-mailbericht van 17 juni 2026 van de rechtbank, waarbij partijen nader zijn
geïnformeerd over de mondelinge behandeling;
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging van eis in conventie, met
producties 56-59;
- de akte overlegging producties in conventie en reconventie tevens akte vermindering van
eis in conventie, met productie 60;
- de akte overlegging nadere producties van 20 juli 2026 van [naam gedaagden] c.s. met
producties 26-29 (overgelegd met een B-formulier van 16 juli 2026);
- de e-mail van de curator van 17 juli 2026 met bezwaar tegen te late indiening van de
hiervoor genoemde producties;
- de e-mail van de rechtbank van 17 juli 2026 in reactie op het bezwaar en met afwijzing van
het verzoek om aanhouding van de mondelinge behandeling;
- de spreekaantekeningen van partijen;
- de mondelinge behandeling van 20 juli 2026;
- de akte uitlaten van de curator op de rol van 5 augustus 2026 in reactie op producties 26-29
van [naam gedaagden] c.s.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De feiten
[bedrijf 1] is opgericht op 12 september 2016 en hield zich projectmatig bezig met interieurbouw in de retailbranche.
[bedrijf 2] was vanaf 13 juli 2020 bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] .
Op 18 januari 2022 hebben [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een managementovereenkomst gesloten. Daarin staat, voor zover van belang:
“Artikel 1. Benoeming tot bestuurder
[bedrijf 2] zal met ingang van 1 januari 2022 ten behoeve van [bedrijf 2] management- en adviesdiensten verrichten, leidinggeven aan binnen [bedrijf 1] te voeren activiteiten alsmede werkzaamheden verrichten die tot een optimale bloei en ontplooiing van [bedrijf 1] kunnen leiden en voor een behoorlijke managementvergoeding redelijkerwijs van [bedrijf 1] verwacht kunnen worden.
(…)
Artikel 2. Vergoeding
De vergoeding wordt maandelijks in rekening gebracht en de hoogte van de vergoeding wordt maandelijks vastgesteld en is afhankelijk van de verricht[t]e werkzaamheden, exclusief omzetbelasting.
De vergoeding wordt maandelijks achteraf op factuur door [bedrijf 1] voldaan.”
[bedrijf 3] was vanaf 22 juli 2024 enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 2] . [naam 1] is enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 3] .
Van 23 december 2019 tot 22 juli 2024 was [bedrijf 4] naast [bedrijf 3] bestuurder van [bedrijf 2] . [naam 2] is enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 4] .
[bedrijf 1] is op 10 december 2024 failliet verklaard. Daarbij is de curator als zodanig aangesteld.
4 Het geschil in conventie
De curator vordert, na tweemaal zijn eis te hebben gewijzigd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
-
te verklaren voor recht dat [naam gedaagden] c.s. hun taak als (voormalig) bestuurder of (voormalig) middellijk bestuurder van [bedrijf 1] kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld als bedoeld in artikel 2:248 BW (juncto 2:11 BW) en dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van [bedrijf 1] ; en
-
[naam gedaagden] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:a. het bedrag van de schulden in het faillissement van [bedrijf 1] , bestaande uit de ingediende en in te dienen vorderingen, de faillissementskosten en het salaris van de curator zoals dat zal worden vastgesteld in de definitieve salarisbeschikking, voor zover deze schulden niet uit de overige baten kunnen worden voldaan; en
b. een voorschot van € 277.000,00 op het onder a. bedoelde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over het voorschot vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
Subsidiair
-
te verklaren voor recht dat [naam gedaagden] c.s. hun taak als (voormalig) bestuurder of (voormalig) middellijk bestuurder van [bedrijf 1] onbehoorlijk hebben vervuld als bedoeld in artikel 2:9 BW (juncto 2:11 BW); en
-
[naam gedaagden] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:a. de door hen als gevolg van hun onbehoorlijk bestuur veroorzaakte schade, op te maken bij staat; en
b. een voorschot van € 277.000,00 op het onder a. bedoelde bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente over het voorschot vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.
Meer subsidiair
-
te verklaren voor recht dat [naam gedaagden] c.s. onrechtmatig jegens de gezamenlijke schuldeisers inzake het faillissement van [bedrijf 1] hebben gehandeld ingevolge artikel 6:162 BW (juncto 2:11 BW); en
-
[naam gedaagden] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:
a. de door hen als gevolg van het onrechtmatig handelen jegens de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf 1] veroorzaakte schade, op te maken bij staat; en
b. een voorschot van € 277.000,00 op het onder a. bedoelde bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente over het voorschot vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
Meest subsidiair
Ten aanzien van [bedrijf 2]
-
[bedrijf 2] te veroordelen tot betaling van € 114.029,52 te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.915,30 en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf 11 december 2024, althans vanaf 18 december 2024, althans vanaf 19 december 2024, althans vanaf 26 maart 2025, althans 9 april 2025, althans vanaf de datum van het uitbrengen van de dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening; en
-
[bedrijf 2] te veroordelen tot betaling van € 405.774,00 te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 3.803,87 en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf 11 december 2024, althans vanaf 18 december 2024, althans vanaf 19 december 2024, althans vanaf 26 maart 2025, althans vanaf 9 april 2025, althans vanaf de datum van het uitbrengen van de dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening;
Ten aanzien van [bedrijf 3]
1. [bedrijf 3] te veroordelen tot betaling van € 163.737,43 te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 2.412,37 en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf 11 december 2024, althans vanaf 18 december 2024, althans vanaf 19 december 2024, althans vanaf 26 maart 2025, althans vanaf 9 april 2025, althans vanaf de datum van het uitbrengen van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
Ten aanzien van [bedrijf 4]
1. [bedrijf 4] te veroordelen tot betaling van € 13.916,60 te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 914,17 en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf 26 maart 2025, althans vanaf 9 april 2025, althans vanaf de datum van het uitbrengen van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
Primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair
1. [naam gedaagden] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de (proces)kosten van dit geding, de kosten van de in deze dagvaarding genoemde door de curator gelegde conservatoire beslagen en eventueel nog te leggen beslagen, alsmede de nakosten, te weten (maximaal) € 296,00 in geval van niet betekenen van het vonnis en € 394,00 in geval van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente over de volledige (proces)kosten, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis aan de veroordeling is voldaan.
[naam gedaagden] c.s. voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de curator in zijn vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente. Bij (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de curator vorderen [naam gedaagden] c.s. aan de uitvoerbaar bij voorraad verklaring de voorwaarde te verbinden dat de curator zekerheid stelt voor terugbetaling van het bedrag waarin [naam gedaagden] c.s. worden veroordeeld.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.
5 Het geschil in reconventie
[naam 1] en [naam 2] vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de door de curator ten laste van hen gelegde beslagen op te heffen, met veroordeling van de curator in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De curator voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen, met hoofdelijke veroordeling van [naam 1] en [naam 2] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
6 De beoordeling
In conventie
Eiswijziging
De curator heeft bij akte van 29 april en 20 juli 2026 zijn eis gewijzigd. Zolang de rechtbank nog geen eindvonnis heeft gewezen, is de eiser bevoegd zijn eis te wijzigen.1 De eiswijziging is dan ook tijdig gedaan. [naam gedaagden] c.s. hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging en de rechtbank acht deze ook niet in strijd met de goede procesorde. De rechtbank zal dan ook beslissen op de gewijzigde eis.
Bestuurdersaansprakelijkheid
De curator heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de bestuurders primair aansprakelijk zijn voor het boedeltekort wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur2, subsidiair voor de schade die zij jegens [bedrijf 1] hebben veroorzaakt3 en die de curator begroot op het boedeltekort en meer subsidiair voor de door hen toegebrachte schade jegens de gezamenlijke schuldeisers4, door de curator ook begroot op het boedeltekort.
Op grond van artikel 2:248 lid 1 BW is iedere bestuurder tegenover de boedel aansprakelijk voor het boedeltekort als het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Er is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld. Op grond van artikel 2:11 BW rust de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder ook hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid (op zijn beurt) bestuurder is van deze rechtspersoon-bestuurder. De strekking van dit artikel is niet om bestuurders te straffen voor eventuele onopzettelijke domheden en beleidsfouten. Slechts een in het oog springende onbehoorlijkheid van de taakuitoefening behoort in het kader van dit artikel in aanmerking te worden genomen. Daarvan is niet snel sprake. De lat voor het aannemen van het bestaan van relevante kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van dit artikel ligt hoog.
Indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn administratieplicht5 en/of publicatieplicht6, staat vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.7 Een redelijke uitleg van deze regel brengt mee dat voor het ontzenuwen van het daarin neergelegde vermoeden, volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator om aannemelijk te maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling toch mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.8
De hiervoor bedoelde vorderingen van de curator kunnen slechts worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement (de referteperiode).9
Onbehoorlijk bestuur staat vast omdat de publicatieplicht is geschonden
Op grond van artikel 2:394 BW moet de jaarrekening binnen acht dagen na vaststelling en binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar worden openbaar gemaakt.
Gesteld en erkend staat vast dat de jaarrekeningen over de boekjaren 2020 en 2021 te laat zijn gedeponeerd, namelijk pas op 19 januari 2023 respectievelijk 25 maart 2023. Daarmee staat vast dat niet is voldaan aan de publicatieplicht. Dit brengt mee dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en dat vermoed wordt dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [bedrijf 1] .10 De omvang van de termijnoverschrijdingen is zodanig groot dat in de gegeven omstandigheden niet van een onbelangrijk verzuim als in de laatste zin van het artikellid kan worden gesproken. Het argument van de bestuurders dat de vertraging is veroorzaakt door de bestuurswisselingen maakt dat niet anders.
Omdat het bewijsvermoeden met schending van de publicatieplicht al is gevestigd, kan in het midden blijven of het bestuur van [bedrijf 1] aan de administratieplicht heeft voldaan.
Aannemelijk is dat het faillissement van [bedrijf 1] is veroorzaakt door externe omstandigheden
Op grond van vaste jurisprudentie brengt een redelijke uitleg van artikel 2:248 lid 2 BW mee dat ter weerlegging van het gevestigde bewijsvermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten dan of omstandigheden dan zijn kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest.11 Stelt de bestuurder daartoe een van buiten komende oorzaak en wordt de bestuurder door de curator verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder ook feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert.12 Naast van buiten komende oorzaken, kan ook het handelen of nalaten van een of meer bestuurders dat op zichzelf beschouwd geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert — en waarvan dus niet gezegd kan worden dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld — voldoende zijn voor ontzenuwing van het bewijsvermoeden.13
De rechtbank oordeelt dat de bestuurders deugdelijk gemotiveerd hebben gesteld dat andere feiten of omstandigheden dan hun kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Zij hebben aangevoerd dat het faillissement van [bedrijf 1] rechtstreeks voortvloeit uit opeenvolgende externe omstandigheden waarop [bedrijf 1] geen invloed had. De bestuurders beargumenteren daartoe de algemene trend van afname van fysieke winkels en toenemende kosten voor energie, transport, inkoop en financiering en toenemende concurrentie van partijen die werken met goedkope arbeidskrachten uit Oost-Europa. De cumulatie van de negatieve ontwikkelingen in de markt, het verlies van de grootste opdrachtgever, het faillissement van de belangrijkste leverancier en een geschil met een onderaannemer die haar werkzaamheden opschortte, leidde tot een verstoring van de kas- en werkstromen die een projectvennootschap als [bedrijf 1] niet kon opvangen. [naam gedaagden] c.s. hebben, hoewel tevergeefs, diverse maatregelen genomen om het faillissement van [bedrijf 1] af te wenden; juist daarop waren de saneringsmaatregelen en het verkennen van andere markten gericht, aldus de bestuurders.
De curator betoogt dat het (voormalig) (middellijk) bestuur het wettelijk vermoeden dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, niet adequaat heeft weerlegd omdat de door de bestuurders aangevoerde omstandigheden niet of onvoldoende herleidbaar zijn. Daarmee suggereert de curator ten onrechte dat op de bestuurders processueel een zwaardere last ligt dan aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan hun onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Aan de bestuurders kan niet worden verweten dat zij hebben nagelaten het intreden van de van buiten komende oorzaken te voorkomen. De bestuurders hebben daartoe actie ondernomen, maar zijn daar niet in geslaagd, wat in de gegeven omstandigheden niet onbegrijpelijk is. De cijfers in de jaarrekeningen onderschrijven vooral dat de situatie al voor de referteperiode niet rooskleurig was. Zo was het eigen vermogen per 31 december 2020 al € 26.021 negatief en per 31 december 2021 € 168.482 negatief. De rekening-courantschuld van [bedrijf 3] is op 31 december 2020 € 326.190 en een jaar later teruggebracht naar € 167.112. Onder financiële vaste activa is dan echter opgenomen een vordering op [bedrijf 3] van € 235.909. In 2023 is een positief resultaat van relatief beperkte omvang gerealiseerd van € 146.382. Dat is toegevoegd aan de overige reserves. Daardoor is het eigen vermogen minder negatief geworden. Uit het cijfermatige verloop kan de gevolgtrekking worden gemaakt dat de buiten de referteperiode ontstane financiële kwetsbaarheid waarschijnlijk een rol heeft gespeeld bij het niet kunnen afwenden van het faillissement. Het verloop rechtvaardigt niet de conclusie dat de liquiditeitspositie die [bedrijf 1] uiteindelijk funest is geworden, het gevolg is van onbehoorlijke taakvervulling in de referteperiode.
De rechtbank is in de gegeven omstandigheden van oordeel dat de bestuurders voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het faillissement van [bedrijf 1] is veroorzaakt door andere omstandigheden dan hun onbehoorlijke taakvervulling. Zij hebben het bewijsvermoeden weerlegd en zijn niet aansprakelijk op deze grondslag.
De verwijten die de curator [naam gedaagden] c.s. verder maakt zijn onvoldoende zwaarwegend
De curator maakt de bestuurders het zelfstandige verwijt dat zij de vennootschap kennelijk onbehoorlijk hebben bestuurd vanwege het ontstaan, het laten oplopen en het laten uitstaan van de vorderingen van [bedrijf 1] op [bedrijf 3] en op [bedrijf 2] , zonder dat daar zekerheid tegenover is gesteld. Volgens de curator is dat een belangrijke oorzaak van het faillissement.
Ten aanzien van deze verwijten geldt de maatstaf van 6.3 voor het handelen in de referteperiode. Volgens de curator speelt echter geen rol dat de onttrekkingen voor een gedeelte hebben plaatsgevonden buiten de referteperiode. Volgens de curator is relevant dat er binnen de referteperiode voor is gekozen om (i) de vorderingen van [bedrijf 1] op [bedrijf 2] en op [bedrijf 3] ver opgelopen te laten, (ii) betalingen te verrichten aan het bestuur en (iii) dit alles zonder zakelijke voorwaarden zoals redelijke en correct uitgevoerde rentevergoedingen en zonder dat enige zekerheid is verstrekt door [bedrijf 3] en [bedrijf 2] , terwijl deze vennootschappen geen verhaal bieden. Verder wijst de curator erop dat de afspraak in de rekening-courantovereenkomst dat de rekening-courantstand maximaal € 100.000,00 mocht bedragen, niet werd nageleefd. Dat aandeelhoudersbesluiten en onderbouwing ten aanzien van de financiële positie van het management ontbreken, werkt volgens de curator door in de referteperiode. Dat geldt volgens de curator ook voor het ontbreken van stukken met betrekking tot de verkoop van een aanhangwagen, onderbouwende boekstukken van memoriaalboekingen en de staten van baten en lasten.
De bestuurders hebben hier terecht tegen ingebracht dat het ontstaan van de rekening-courantvorderingen met name het gevolg is geweest van opnamen door [bedrijf 3] in de periode van 2016 tot en met 2020. Erkend is wel dat [bedrijf 3] in 2022 nog steeds opnamen deed voor de aankoop van materialen die niet bestemd waren voor [bedrijf 1] en deels voor onzakelijke uitgaven zoals boodschappen voor [naam 1] . Die transacties zijn geadministreerd op de rekening-courantverhouding met [bedrijf 3] . De bestuurders hebben gemotiveerd uiteengezet dat en op welke wijze er adequate maatregelen zijn getroffen om dergelijke uitgaven voor de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen, zoals inname van de creditcard en vervanging voor een bankpas met geringe kredietruimte. Verder hebben zij verklaard dat zij zijn overeengekomen dat [naam 1] de hypothecaire lening bij de bank op zijn woning zou verhogen om de openstaande posities in te lossen. Dat kon uiteindelijk niet plaatsvinden omdat de bank daartoe niet bereid was. De curator heeft dat weliswaar betwist, maar die betwisting is niet gemotiveerd. Kort voorafgaande aan het faillissement van [bedrijf 1] is er voor € 56.500,00 aan middelen ter beschikking besteld door familie van [naam 1] . Dat bedrag is beschikbaar gesteld aan zustervennootschap [bedrijf 5] . [bedrijf 5] heeft die gelden echter (onder meer) aangewend ter betaling van schuldeisers van [bedrijf 1] , aldus de bestuurders.
De bestuurders hebben verder terecht aangevoerd dat binnen de referteperiode voornamelijk interne memoriaalboekingen zijn verwerkt, als gevolg van verrekeningen binnen de groep, die geen invloed hebben gehad op de verhaalsmogelijkheden van de schuldeisers van [bedrijf 1] . Het gaat voor wat betreft beperking van de liquiditeiten om opnamen/overboekingen. Die hebben slechts in relatief beperkte mate plaatsgevonden en niet zodanig dat de conclusie kan worden getrokken dat zonder meer voorzienbaar was dat schuldeisers zouden worden benadeeld. Mede gelet op de periode waarin die hebben plaatsgevonden kan dan ook niet leiden tot aansprakelijkheid voor het boedeltekort.
De rechtbank benadrukt dat een bestuurder een grote mate van vrijheid heeft bij de wijze waarop hij zijn taak vervult. Hij mag daarbij ook risico’s nemen, zolang dat maar geen onverantwoorde risico’s zijn. Dat de bestuurders onverantwoorde risico’s hebben genomen, is onvoldoende gebleken. Daarbij speelt een belangrijke rol dat de rekening-courantpositie van [bedrijf 3] al ruim voor de referteperiode is ontstaan en geruime tijd niet direct onverantwoord van invloed is geweest op de liquiditeitspositie van [bedrijf 1] , ondanks dat de stand negatiever was dan de rekening-courantovereenkomst toeliet. Verder is de stelling van de bestuurders dat de memoriaalboekingen geen negatieve invloed hebben gehad op de liquiditeiten van [bedrijf 1] juist. Voor een beperking van de liquiditeiten zijn daadwerkelijk geldopnamen en/of overboekingen relevant. Uit de boekhouding en aan de hand daarvan opgemaakte rapporten blijkt dat die slechts in relatief beperkte mate hebben plaatsgevonden en grotendeels moeten worden gezien in relatie tot de onderneming. Op bepaalde opnames kan achteraf kritiek worden uitgeoefend. Mede gelet op de periode waarin die opnames hebben plaatsgevonden, kan echter niet zonder meer worden gezegd dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld. De problematiek van de rekening-courantpositie is vooral buiten de referteperiode ontstaan. De bestuurders hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat het bestuur die problemen nadien en doorlopend in de referteperiode niet heeft kunnen oplossen als gevolg van tegenslag (zie de bij 6.11 genoemde externe omstandigheden). De curator miskent dat de rekening-courantvordering en het negatief vermogen er al waren voor de referteperiode en dat het bestaan van de te beperkte financiële spankracht juist op die periode is terug te voeren.
Voor zover, los van het bewijsvermoeden, de door de curator gemaakte verwijten wijzen in de richting van onbehoorlijke taakvervulling dan rechtvaardigt dat niet de conclusie dat de bestuurders wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling aansprakelijk zijn voor het boedeltekort. De mogelijk werkelijk relevante handelingen hebben plaatsgevonden voor de referteperiode. De vordering gegrond op kennelijk onbehoorlijk bestuur wordt dan ook afgewezen.
De vordering op grond van artikel 2:9 BW kan evenmin worden toegewezen
Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak.14 Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken.15 Voor aansprakelijkheid op deze grond is vereist dat aan de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. Voor aansprakelijkheid op deze grondslag geldt de referteperiode niet.
Voor deze grondslag moeten de bestuurshandelingen op zichzelf worden beoordeeld op ernstige verwijtbaarheid. Dat brengt mee dat de curator niet kan volstaan met een algemene verwijzing naar de feiten en omstandigheden die hij aan zijn primaire vordering ten grondslag heeft gelegd. Dat is onvoldoende voor beantwoording van de vraag of de bestuurders een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van handelen of nalaten dat tot concrete schade bij de vennootschap heeft geleid. Mede in het licht van de hoge lat voor aansprakelijkheid op deze grond heeft de curator niet voldaan aan zijn stelplicht. Het had op zijn weg gelegen om concreet te stellen welk handelen of nalaten hij welke bestuurder persoonlijk verwijt, waarom en hoe dat tot welke schade heeft geleid. Dat heeft de curator onvoldoende gedaan. Hij heeft ervoor gekozen om vooral stellingen in te nemen over vermeende onbehoorlijk taakvervulling zoals behandeld bij 6.2-6.18. Het processuele debat heeft dan ook met name daarop betrekking gehad. Daarbij komt dat de bestuurders een besluit tot décharge voor het in 2020 gevoerde beleid hebben overgelegd. Zij stellen dat jaarlijks schriftelijk décharge werd verleend en hebben daarvan bewijs aangeboden. De curator betwist dat het besluit gelet op de tekst volstaat als algehele décharge en betwist dat aan [bedrijf 3] en [naam 1] décharge is verleend voor het gevoerde bestuur tot 13 juli 2020. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het gelet op de zeggenschapsverhoudingen niettemin in de rede dat in ieder geval is beoogd de bestuurders tot en met 2023 jaarlijks décharge te verlenen. Of dit ook is gebeurd kan echter in het midden blijven omdat de curator onvoldoende onderbouwd heeft gesteld om te kunnen concluderen dat aan de bestuurders een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
De curator heeft onvoldoende gesteld voor toewijzing van zijn vorderingen op grond van onrechtmatige daad
De rechtbank wijst de vorderingen op grond van onrechtmatige daad af omdat de curator ten aanzien van deze grondslag niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Hij heeft onvoldoende concrete feitelijke elementen gesteld die nodig zijn voor het intreden van het door hem beoogde rechtsgevolg van te betalen schadevergoeding. De curator heeft niet duidelijk gemaakt wat de bestuurders fout hebben gedaan en tot welke concrete schade dat heeft geleid. Verwijzing naar hetgeen in zijn algemeenheid is gesteld ter onderbouwing van het beroep op artikel 2:248 BW is daarvoor onvoldoende.
Tussenconclusie
Gelet op het voorgaande worden de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire op bestuurdersaansprakelijkheid gegronde vorderingen afgewezen.
De meest subsidiaire vorderingen
Geen onverschuldigde betaling van managementvergoedingen
De curator vordert van [bedrijf 2] terugbetaling van € 405.774,00 aan onverschuldigd betaalde managementvergoedingen omdat een grondslag voor die betalingen, zoals een daartoe strekkend geldend aandeelhoudersbesluit16 zou hebben ontbroken.
[bedrijf 2] en [bedrijf 3] betwisten het ontbreken van een grondslag voor de betaalde vergoedingen. Zij betogen dat overeenkomstig de wet en de statuten is besloten dat de managementvergoeding maandelijks wordt vastgesteld aan de hand van de verrichte werkzaamheden.
Gelet op de zeggenschapsverhoudingen binnen [bedrijf 1] is evident dat eventuele formele gebreken in de besluitvorming hierover niet zouden zij ontstaan als het bestuur en de aandeelhouders zich hiervan destijds bewust zouden zijn geweest. De bestuurders hebben er bovendien terecht op gewezen dat de managementvergoedingen steeds schriftelijk zijn vastgelegd in de financiële administratie van [bedrijf 1] , de jaarrekeningen en de in de administratie van [bedrijf 1] opgenomen facturen van [bedrijf 2] . Het management ter zake waarvan de managementvergoedingen zijn betaald, is ook feitelijk gevoerd door [naam 1] en [naam 2] . Verder heeft de curator niet betwist dat de schriftelijke managementovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] regelt dat de managementvergoeding maandelijks wordt vastgesteld, rekening houdend met het verrichte werk (zie 3.3). Gelet op dit alles is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een rechtsgeldig besluit tot betaling van managementvergoedingen.17 Het ontbreken van aantekening van het besluit in het notulenregister doet daaraan niet af. De bestuurders hebben onbetwist aangevoerd dat de vaststelling werd geformaliseerd c.q. uitgevoerd door een factuur op te maken, vast te leggen in de grootboekadministratie, terwijl die factuur vervolgens kennelijk ook werd voldaan. Daarmee is sprake van een bestendige werkwijze. Ten onrechte heeft de curator betoogd dat telkens maandelijks opnieuw zou moeten worden besloten. Van een onverschuldigde betaling van managementvergoeding is dan ook geen sprake. Het beroep van de curator op onredelijkheid van het bedrag van de vergoedingen maakt dit niet anders. In het licht van de inhoud van de managementovereenkomst, het feit dat de vergoeding indirect voor twee bestuurders is bestemd en de niet betwiste toelichting van de bestuurders op de inhoud en omvang van de verrichte werkzaamheden, is het beroep op onredelijkheid onvoldoende onderbouwd. Dit betekent dat de vordering van de curator tot terugbetaling van de gefactureerde en betaalde managementvergoeding wordt afgewezen.
[bedrijf 2] en [bedrijf 3] moeten hun rekening-courantschuld betalen
Gelet op de verklaringen op de mondelinge behandeling, bestaat geen discussie meer over de omvang van de rekening-courantvordering tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] van € 191.029,52 en het nog te verrekenen bedrag van € 77.000,00 wegens een aan [bedrijf 2] terug te betalen lening. Materieel omvat de vordering dus nog € 114.029,52.
Zoals gesteld door de curator en erkend door [bedrijf 3] bedraagt de stand van de rekening-courant tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 3] € 167.737,43.
[bedrijf 2] en [bedrijf 3] voeren tegen de verschuldigdheid van de hiervoor genoemde bedragen het verweer dat zij nog een bedrag aan nog niet uitbetaalde managementvergoeding in verrekening kunnen brengen.
De rechtbank begrijpt uit de toelichting op zitting dat [bedrijf 2] en [bedrijf 3] doelen op managementvergoeding die niet is gefactureerd. Dit strookt niet met de eigen redenering van de bestuurders dat juist met die facturering, die er in zoverre niet is, de management vergoeding werd vastgesteld (zie 6.25). Het argument dat de bestuurders er bewust voor hebben gekozen om vanaf augustus 2023 geen facturen meer op te maken voor managementvergoedingen om te voorkomen dat [bedrijf 2] een schuld zou opbouwen uit hoofde van omzetbelasting, maakt dat niet anders. Uit de redenering van de bestuurders volgt immers dat er voor die periode geen vastgestelde vergoeding en ook geen betalingsverplichting is. Daarbij past ook dat de omvang variabel was omdat die verband hield met het werk dat diende te worden verricht en kennelijk ook met de mate waarin er ruimte was om aanspraak te maken op managementvergoeding. De visie van de bestuurders dat zij achteraf alsnog aanspraak kunnen maken op managementvergoeding die destijds niet is gefactureerd, acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden dan ook onjuist. Er is door de algemene vergadering van aandeelhouders en door het bestuur bewust van afgezien om over de betreffende maanden nog een managementvergoeding in rekening te brengen aan [bedrijf 1] . Daarvoor bestond niet alleen aanleiding vanwege de financiële situatie, maar ook omdat al werd vooruitgelopen op een voorgenomen herstructurering die meebracht dat werkzaamheden in 2023 waren overgeheveld van [bedrijf 1] naar een zustervennootschap van [bedrijf 1] . Het lag dan ook niet in de rede om een relatief hoge managementvergoeding bij [bedrijf 1] in rekening te blijven brengen. Daar hebben de aandeelhouders en het bestuur dan ook van afgezien. Daarmee strookt niet dat de bestuurders zich achteraf op het standpunt stellen dat daarvan slechts is afgezien om liquiditeitsredenen en dat zij alsnog een managementvergoeding in rekening willen brengen om die te kunnen verrekenen met de volgens de boekhouding openstaande rekening-courantschuld waarvan de curator terecht betaling vordert. Het subsidiaire beroep op betaling van redelijk loon en het meer subsidiaire beroep op schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking van [bedrijf 1] , faalt om dezelfde redenen. Als al sprake zou zijn van verrijking, dan is die gerechtvaardigd door het besluit om geen managementvergoeding in rekening te brengen. Als al sprake zou zijn van een vordering van [bedrijf 3] uit hoofde van managementvergoedingen, dan faalt haar beroep op verrekening met de vordering van [bedrijf 1] omdat [bedrijf 3] en [bedrijf 1] niet over en weer elkaars schuldeiser zijn en [bedrijf 3] geen partij is bij de overeenkomst verevening van rekening-courantstanden binnen de groep.
De conclusie is dat [bedrijf 2] uit hoofde van haar rekening-courantschuld
€ 114.029,52 aan de curator moet betalen en [bedrijf 3] € 163.737,43.
[bedrijf 2] en [bedrijf 3] zijn over deze bedragen wettelijke rente18 verschuldigd vanaf 19 december 2024, de datum waarop zij bij e-mail van hun advocaat hebben laten weten dat zij “niet over de middelen beschikken om de genoemde vorderingen te voldoen”. Dit bericht geldt als een mededeling als bedoeld in artikel 6:83 sub c BW waarmee het verzuim (zonder ingebrekestelling) is ingetreden.
De rekening-courantvordering op [bedrijf 4]
De curator vordert van [bedrijf 4] betaling van haar rekening-courantschuld van € 13.916,60. De curator voert aan dat de rekening-courantschuld is ontstaan door onttrekkingen in 2022 en niet herleidbare memoriaalboekingen in 2023.
[bedrijf 4] betwist de gestelde rekening-courantschuld. Zij voert primair aan dat het bedrag van € 13.916,60 is voldaan door middel van (meerpartijen)verrekening in 2023. Subsidiair betoogt [bedrijf 4] dat het saldo feitelijk twee facturen betreft gericht aan [bedrijf 2] en [bedrijf 6] B.V. (inmiddels [bedrijf 5] ) die ten onrechte zijn aangemerkt als vorderingen op [bedrijf 4] . In 2023 heeft herstel van die fout plaatsgevonden door de bewuste schuld door te boeken naar de rekening-courant van [bedrijf 2] . Daarmee bedraagt het saldo van de rekening-courant van [bedrijf 4] nihil.
Volgens de curator is [bedrijf 4] geen partij bij de meerpartijenovereenkomst zodat met de memoriaalboeking in 2023 ten onrechte op die grond is verrekend.
De rechtbank oordeelt als volgt. De curator heeft de grootboekadministratie van [bedrijf 1] onderzocht en moet op zichzelf beschouwd van de juistheid daarvan uit kunnen gaan. Vorderingen wegens vermeende onjuistheden zal hij deugdelijk moeten onderbouwen. In dit geval beroept de curator zich op een onjuistheid van de boeking in de grootboek-administratie waarmee de rekening-courantschuld van € 13.916,60 uit 2022 per 31 december 2023 is overgeheveld naar de rekening-courant van [bedrijf 2] . [bedrijf 4] heeft over die boeking verklaard en uit stukken afkomstig uit de boekhouding blijkt ook dat het bedrag bestaat uit een boeking van twee facturen die bestemd zijn voor [bedrijf 2] en [bedrijf 6] (inmiddels [bedrijf 5] ), een zustervennootschap van [bedrijf 1] . Daarmee heeft [bedrijf 4] een aannemelijke onderbouwing gegeven voor de correctieboeking in 2023. In het licht hiervan heeft de curator zijn stelling dat de correctieboeking in 2023 grondslag mist onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat de vordering van de curator op [bedrijf 4] wordt afgewezen.
Incassokosten
De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar tegen [bedrijf 2] en [bedrijf 3] Zij zijn immers aansprakelijk voor het saldo van de rekening-courantschuld en de curator heeft hen tot betaling aangemaand. In overeenstemming met de staffel in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijk incassokosten, begroot de rechtbank de door [bedrijf 2] te betalen kosten op € 1.915,30 en de door [bedrijf 3] te betalen kosten op € 2.412,37. Deze bedragen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van de dagvaarding.
Het vonnis wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard
Een belangenafweging brengt mee dat het vonnis in conventie niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Het restitutierisico in de situatie van een kennelijk ontoereikende faillissementsboedel – waarvoor gelet op de gegeven indicatie van faillissementskosten reële aanwijzingen bestaan – weegt zwaarder dan het belang van de curator om zo snel mogelijk tot het treffen van incassomaatregelen over te kunnen gaan.
De proceskosten worden gecompenseerd
De proceskosten in conventie worden tussen partijen gecompenseerd in de zin dat iedere partij de eigen kosten (waaronder ook de door de curator gevorderde beslagkosten) draagt. Weliswaar wordt de curator in de verhouding tot bepaalde partijen in het ongelijk gesteld, maar alle gedaagden hebben gezamenlijk verweer laten voeren door de daartoe gezamenlijk ingeschakelde advocaat. In deze omstandigheden kan worden gezegd dat partijen, enerzijds de curator en anderzijds gedaagden, over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld.
In reconventie
De beslagen worden opgeheven
In reconventie is opheffing van de ten laste van [naam 1] en [naam 2] gelegde beslagen gevorderd. Nu in conventie de vorderingen tegen [naam 1] en [naam 2] worden afgewezen, zullen de gelegde conservatoire beslagen worden opgeheven.
De curator moet de proceskosten van [naam 1] en [naam 2] betalen
De curator is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [naam 1] en [naam 2] betalen. De proceskosten van [naam 1] en [naam 2] worden begroot op € 653,0019 aan salaris advocaat en € 189,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis in reconventie wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
7 De beslissing
De rechtbank
in conventie
veroordeelt [bedrijf 2] tot betaling van € 114.029,52, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [bedrijf 2] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.915,30, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 31 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [bedrijf 3] tot betaling van € 163.737,43, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
Veroordeelt [bedrijf 3] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.412,37, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 31 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;
compenseert de proceskosten in de zin dat partijen de eigen kosten dragen,
in reconventie
heft op de in opdracht van de curator ten laste van [naam 1] en [naam 2] op 20 december 2024 op hun (aandeel in hun) woningen gelegde conservatoire beslagen,
veroordeelt de curator tot betaling aan [naam 1] en [naam 2] van de proceskosten, tot op heden begroot op € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de curator niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt de curator tot betaling aan [naam 1] en [naam 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in conventie en in reconventie
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.
[3268/1729]