ECLI:NL:GHSHE:2026:2658

Datum uitspraak
28-09-2026
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
20-002631-25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De verdachte is ter zake van beledigingen en bedreigingen richting buitengewoon opsporingsambtenaren en politieagenten, vernieling van een telefoon van de politie en het zonder noodzaak meermalen bellen van 112 veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft het hof een beslissing genomen over de vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof heeft tevens de proeftijd in de vordering tot tenuitvoerlegging verlengd met 1 jaar. De verdachte is vrijgesproken voor schennispleging.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Parketnummer : 20-002631-25

Uitspraak : 28 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 14 oktober 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-228278-25 en 01-249459-25, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 01-351729-24, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

postadres te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:

  • 01-228278-25 feit 1 en 3, telkens: ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd’;

  • 01-228278-25 feit 2 en 4, telkens: ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd’;

  • 01-228278-25 feit 5: ‘opzettelijk in het openbaar, terwijl een persoon daarbij zijns ondanks tegenwoordig is, handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid verrichten’;

  • 01-228278-25 feit 6: ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen’;

  • 01-249459-25 feit 1: ‘opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maken van een alarmnummer voor publieke diensten’;

veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter beslist tot verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen goed, te weten: ‘01-249459-25: 1 stk gsm’. De politierechter heeft de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] toegewezen tot een bedrag van € 200,00 en heeft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toegewezen tot een bedrag van € 250,00, alle vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens is de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partijen gemaakte proceskosten, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil. De benadeelde partijen zijn voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. Ten slotte heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 01-351729-24 afgewezen.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep vernietigt, gelet op de in hoger beroep gewijzigde tenlastelegging, en, opnieuw rechtdoende, de verdachte veroordeelt tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] volledig toewijst en de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] toewijst tot een bedrag van € 250,00, alle te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering. Ten slotte heeft de advocaat-generaal een verlenging van de proeftijd van de eerdere voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 01-351729-24 voor de duur van 1 jaar gevorderd.

De verdediging heeft primair ten aanzien van de feiten 2, 3, 4, 5 en 6 van parketnummer 01-228278-25 vrijspraak bepleit en heeft subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Voorts heeft de verdediging verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen. Ten slotte heeft de verdediging het hof primair verzocht om de tenuitvoerlegging van de eerdere voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 01-351729-24 af te wijzen en subsidiair om de proeftijd van deze voorwaardelijke veroordeling te verlengen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 01-228278-25:

1.hij op of omstreeks 26 augustus 2025 te Oss opzettelijk twee/een ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen meermalen althans eenmaal de woorden toe te voegen: "kankerboa's" en/of "jullie kankerboa's, jullie zijn racisten" en/of "jullie kankerboa's, ik neuk jullie dikke kanker moeders", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

2.hij op of omstreeks 26 augustus 2025 te Oss [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] meermalen althans eenmaal dreigend de woorden toe te voegen "Ik schiet een kogel door jullie kankerkop" en/of "als ik jullie vanavond zie schiet ik jullie op straat door jullie kop" en/of "als ik weer vrij ben schiet ik jullie door jullie kanker kop" en/of "ik schiet jullie straks allemaal dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.hij op of omstreeks 26 augustus 2025 te ’s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, opzettelijk twee/een ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen meermalen althans eenmaal de woorden toe te voegen: "junkies, junkies, dat zijn jullie" en/of "kanker racisten" en/of "crack junkie" en/of "jouw kanker madre", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

4.hij op of omstreeks 26 augustus 2025 te ’s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] dreigend de woorden toe te voegen "Als ik jullie morgen in Oss zie, drie knipjes in mijn vinger. Zweden, Stockholm, mitrailleur", waarbij hij, verdachte, een pistool imiteerde en/of schietgeluiden maakte en/of (zakelijk weergegeven) dat hij, verdachte, de volgende keer een Glock mee zou nemen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.hij op of omstreeks 26 augustus 2025 te ’s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, opzettelijk, op een niet openbare plaats, te weten op het politiebureau, terwijl (een) perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , daarbij zijns/haars/huns ondanks tegenwoordig was/waren, een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten zijn, verdachte's, geslachtsdeel uit zijn broek heeft gehaald en aan die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft getoond en/of (daarbij) tegen voornoemde [slachtoffer 3] heeft gezegd "Kijk maar even schatje dan mag je eraan zitten" en/of "Kijk dan schatje dan kan je erop zitten";

6.hij op of omstreeks 26 augustus 2025 te ’s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon (merk Spectralink), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de politie, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Zaak met parketnummer 01-249459-25 (gevoegd):

hij op of omstreeks 22 september 2025 en/of 23 september 2025 te Cuijk, gemeente Land van Cuijk en/of 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig was, gebruik heeft gemaakt van een alarmnummer voor publieke diensten, door meermalen zonder noodzaak te bellen naar het alarmnummer 112;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-228278-25 onder 5 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daarover het volgende.

Het hof stelt voorop dat de strafbaarstelling van het opzettelijk verrichten van handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid als bedoeld in artikel 254b van het Wetboek van Strafrecht zich beperkt tot ongevraagde confrontaties met het menselijk lichaam of delen ervan. Bij het verrichten van handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid kan worden gedacht aan het (deels) ontbloten van de geslachtsdelen (exhibitionisme), het op confronterende wijze ontbloten van billen of het plegen van seksuele handelingen, zoals masturberen, al dan niet zichtbaar onder de kleding, ook zonder dat het geslachtdeel is ontbloot, zoals in de rechtspraak met betrekking tot artikel 239 (oud) Sr is beslist (Kamerstukken II 2022-2023, 26222, nr. 3, p. 111).

De verdachte ontkent dat hij, zoals is tenlastegelegd, zijn geslachtsdeel uit zijn broek heeft gehaald en heeft getoond aan de verbalisanten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Wel zegt hij zijn broek op enig moment naar beneden te hebben gedaan omdat dat hem in het kader van een fouillering werd gevraagd. De verdachte verklaart dat hij toen zijn handen voor zijn geslachtsdeel heeft gehouden. Het hof constateert op dit punt een significante discrepantie tussen hetgeen de verbalisanten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hebben gerelateerd en de beschrijving van camerabeelden van de gebeurtenissen in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] . Dit laatste proces-verbaal biedt namelijk steun aan de verklaring van de verdachte nu daarin wordt beschreven dat op de camerabeelden is te zien dat de verdachte zijn broek naar beneden doet en zijn handen voor zijn geslachtsdeel houdt. Uit die beschrijving volgt in het bijzonder niet dat de verdachte zijn geslachtsdeel uit zijn broek heeft gehaald en heeft getoond aan de verbalisanten.

Het hof heeft tegen deze achtergrond niet uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde “zijn, verdachte's, geslachtsdeel uit zijn broek halen en het aan die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] tonen” heeft verricht en spreekt hem van deze onderdelen vrij.

Voor zover de verdachte heeft erkend te hebben gezegd: "Kijk dan schatje dan kan je erop zitten", kan die enkele uitlating – zonder dat die vergezeld gaat van een hiervoor bedoelde ongevraagde confrontatie met (delen van) het menselijk lichaam – naar het oordeel van het hof niet tot een bewezenverklaring leiden van het opzettelijk een of meer handelingen verrichten die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid. de enkele ongewenste kennisname van seksueel getinte bewoordingen is onvoldoende om onder dit strafbare feit te vallen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-228278-25 onder 1, 2, 3, 4 en 6 en in de zaak met parketnummer 01-249459-25 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 01-228278-25:

1.hij op 26 augustus 2025 te Oss opzettelijk twee ambtenaren, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "kankerboa's" en "jullie kankerboa's, jullie zijn racisten" en "jullie kankerboa's, ik neuk jullie dikke kanker moeders";

2.hij op 26 augustus 2025 te Oss [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik schiet een kogel door jullie kankerkop" en "als ik jullie vanavond zie schiet ik jullie op straat door jullie kop" en "als ik weer vrij ben schiet ik jullie door jullie kanker kop" en "ik schiet jullie straks allemaal dood";

3.hij op 26 augustus 2025 te ’s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland opzettelijk twee ambtenaren, te weten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "junkies, junkies, dat zijn jullie" en "kanker racisten" en "crack junkie" en "jouw kanker madre";

4.hij op 26 augustus 2025 te ’s-Hertogenbosch [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] dreigend de woorden toe te voegen "Als ik jullie morgen in Oss zie, drie knipjes in mijn vinger. Zweden, Stockholm, mitrailleur", waarbij hij, verdachte, een pistool imiteerde en schietgeluiden maakte en dat hij, verdachte, de volgende keer een Glock mee zou nemen;

6.hij op 26 augustus 2025 te ’s-Hertogenbosch opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon (merk Spectralink) die aan de politie toebehoorde heeft vernield.

Zaak met parketnummer 01-249459-25 (gevoegd):

hij op 22 september 2025 en 23 september 2025 te Cuijk en/of 's-Hertogenbosch opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig was, gebruik heeft gemaakt van een alarmnummer voor publieke diensten, door meermalen zonder noodzaak te bellen naar het alarmnummer 112.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Parketnummer 01-228278-25:

Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Oost-Brabant, registratienummer PL2100-2025191794, gesloten d.d. 1 september 2025, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , hoofdagent van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 70). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Ten aanzien van feit 1:

Het hof volstaat op de voet van het bepaalde in artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering met de opgave van de bewijsmiddelen, aangezien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit. De in deze opsomming vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor zover zij het bewezenverklaarde ondersteunen.

  1. De bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 september 2026.

  2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 augustus 2025 (p. 7-9), inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 1] .

  3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 augustus 2025 (p. 10-11), inhoudende het relaas van verbalisant [slachtoffer 1] .

  4. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 augustus 2025 (p. 12-14), inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 2] .

  5. Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 26 augustus 2025 (p. 15-17), inhoudende het relaas van verbalisant [slachtoffer 2] .

Ten aanzien van feit 2:

1. Het proces-verbaal van de in de zaak gehouden terechtzitting in eerste aanleg d.d. 14 oktober 2025, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

De bedreigingen kloppen. Het was gericht tegen de boa's.

2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 augustus 2025 (p. 7-9), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 1] :

Plaats delict: [locatie] , Oss

Pleegdatum: 26 augustus 2025

Ik doe aangifte van bedreiging. Ik heb niemand toestemming gegeven om mij te bedreigen en deze angst te laten voelen.

3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 augustus 2025 (p. 10-11), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [slachtoffer 1] :

Op 26 augustus 2025 bevond ik mij op de [locatie] , te Oss.

Ik, verbalisant, hoorde mijn collega [slachtoffer 2] het volgende zeggen tegen meneer [verdachte] : “Hey [verdachte] je krijgt nog een bekeuring voor het blik alcohol wat je bij hebt, je bent niet tot antwoorden verplicht je mag nog een advocaat gebruiken op eigen kosten. Wil je hier gebruik van maken? Wil je nog een verklaring geven waarom je alcohol bij hebt." Ik hoorde meneer [verdachte] toen het volgende zeggen tegen mijn collega [slachtoffer 2] : "Ik schiet een kogel door je kankerkop".

Ik hoorde mijn collega [slachtoffer 2] zeggen: "De bekeuring krijg je thuis gestuurd de hoogte van de bekeuring is 110 euro daarbij komt nog 9 euro administratiekosten." Ik hoorde meneer [verdachte] toen het volgende zeggen: "Als ik jullie vanavond zie schiet ik jullie op straat door jullie kop." Mijn collega [slachtoffer 2] sloot toen het openstaande portierraam. Ik zag toen dat meneer [verdachte] meermaals op het portierraam begon te slaan met zijn rechterhand.

Ik zag toen dat meneer [verdachte] begon te rennen. Toen ik en mijn collega [slachtoffer 2] door de [locatie] reden ter hoogte van de kruising met het Hannie Schaftplantsoen zag ik meneer [verdachte] lopen. Ik, verbalisant, zag meneer [verdachte] in de richting van ons opvallende dienstvoertuig lopen. Ik, verbalisant, zag dat mijn collega [slachtoffer 2] meneer [verdachte] een proces-verbaal wilde aanzeggen voor feitcode fl21B. Ik hoorde meneer [verdachte] toen tegen mij en mijn collega zeggen: "Kankerboa's, ik schiet jullie vanavond door jullie kanker kop."

Ik hoorde mijn collega toen het volgende tegen meneer [verdachte] zeggen: "Bij deze ben je aangehouden." Ik zag dat mijn collega de verdachte aan zijn linker sleutelbeen vastpakte en met zijn rug tegen ons dienstvoertuig aanzette. Ik pakte de verdachte toen vast aan zijn rechterarm. Ik zag toen dat mijn collega [slachtoffer 2] de transportboeien aanlegde. Ik, verbalisant, hoorde toen dat mijn collega via de portofoon contact legde met het Operationeel Centrum en om politie assistentie vroeg om de verdachte over te brengen naar politiebureau 's Hertogenbosch. Ik hoorde de verdachte toen meermaals het volgende tegen mij en mijn collega [slachtoffer 2] zeggen: "Jullie zijn kanker racisten, ik schiet jullie door jullie kankerhoofd, ik neuk jullie kanker dikke moeders." Ik hoorde de verdachte het volgende zeggen tegen mij en mijn collega [slachtoffer 2] : "Als ik weer vrij ben schiet ik jullie door jullie kanker kop, kankerboa's." Door het agressieve gedrag en de verschillende bedreigingen welke naar mij gericht waren voelde ik mij bedreigd.

VerdachteVoornamen: [verdachte]Achternaam: [verdachte]Geboren: [geboortedag] 1999

4. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 augustus 2025 (p. 12-14), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 2] :

Plaats delict: [locatie] , Oss

Pleegdatum: 26 augustus 2025

Ik doe aangifte van bedreiging. Ik heb niemand toestemming gegeven om mij te bedreigen en deze angst te laten voelen.

5. Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 26 augustus 2025 (p. 15-17), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [slachtoffer 2] :

VerdachteVoornamen: [verdachte]Achternaam: [verdachte]Geboren: [geboortedag] 1999

Op 26 augustus 2025 was ik op de [locatie] , te gemeente Oss.

Ik sprak de heer [verdachte] aan vanuit het dienstvoertuig en zei: "Hey [verdachte] , je krijgt nog een bekeuring voor je blik alcohol dat je bij hebt." Ik zei tegen hem: "Je bent niet tot antwoorden verplicht en je mag nog een advocaat gebruiken op eigen kosten. Wil je hiervan gebruik maken? Wil je nog een verklaring geven waarom je alcohol bij je hebt." Ik hoorde hem zeggen: "Ik schiet een kogel door je kanker kop." Ik zei tegen hem dat de bekeuring thuis wordt gestuurd en dat de bekeuring 110 euro kost en daarbij nog 9 euro administratiekosten bij komt.

Ik hoorde hem meerdere malen zeggen: "Als ik jullie vanavond zie schiet ik jullie op straat door jullie kop." Ik deed hierbij het raam dicht en wilde ervandoor gaan. Toen ik het raam dicht had begon de heer [verdachte] tegen het raam aan te slaan met zijn rechterhand. Ik ben over de Schadewijkstraat teruggereden naar de [locatie] , waarna ik de heer [verdachte] weer zag lopen het Hannie Schaftplantsoen. Ik, verbalisant, zag dat de heer [verdachte] weer naar ons toe kwam lopen. Ik, verbalisant, wilde de bekeuring voor fl21B op gaan maken op dat moment zei de heer [verdachte] tegen mij "Kanker boa's." Ik hoorde dat de heer [verdachte] weer meerdere malen tegen mij zei: "Ik schiet jullie vanavond door jullie kanker kop." Door de houding en het meerdere malen zeggen voelde ik mij hierdoor erg bedreigd door de verdachte, omdat hij leek of hij hier echt tot in staat was.

Ik, verbalisant, zei om 16:15 tegen de heer [verdachte] "Bij deze bent u aangehouden voor belediging en bedreiging.” Ik zag dat de verdachte neus aan neus met mij wilde gaan staan. Ik heb de verdachte omgedraaid zodat hij met zijn buik tegen de auto stond. Ik heb mijn handboeien uit de houder gehaald en deze aangelegd.

Terwijl ik met het Operationeel Centrum in gesprek was, hoorde ik de verdachte weer meerdere malen zeggen: "Jullie zijn kanker racisten, ik schiet jullie door jullie kankerhoofd", "Als ik weer vrij ben schiet, ik jullie door jullie kanker kop" en "Ik schiet jullie straks allemaal dood."

Ten aanzien van feiten 3 en 4:

1. Het proces-verbaal van de in de zaak gehouden terechtzitting in eerste aanleg d.d. 14 oktober 2025, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

Ik heb de verbalisanten op het bureau beledigd.

2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 augustus 2025 (p. 19-21), inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 4] :

Proces-verbaalnummer: PL2100-2025191794-10

Ik doe aangifte van bedreiging met de dood, belediging van een ambtenaar in functie.

Voor de bevindingen zie separaat opgemaakt proces verbaal van bevindingen met volgnummer 6.

3. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 augustus 2025 (p. 22-24), inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer 3] :

Proces-verbaalnummer: PL2100-2025191794-9

Ik doe aangifte van bedreiging met de dood en belediging van een ambtenaar in functie.

Voor de bevindingen zie separaat opgemaakt proces verbaal van bevindingen met volgnummer 6.

4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 augustus 2025 (p. 31-34), inhoudende het relaas van verbalisanten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] :

Proces-verbaalnummer: PL2100-2025191794-6

Op 26 augustus 2025 waren wij, verbalisanten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , doende met de incidentenafhandeling. Omstreeks 16:45 brachten wij, verbalisanten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , [verdachte] over naar het cellencomplex in Den Bosch.

Om 16:49 vorderde ik, verbalisant [slachtoffer 4] in het voertuig [verdachte] de medewerking tot een voorlopige ademanalyse. Ik zag dat de voorlopige ademanalyse A/G (te veel alcohol) aan gaf en deelde deze aan de verdachte mede. Wij zagen dat [verdachte] verbaal agressief was, door hard te schreeuwen. Wij zagen dat [verdachte] meerdere keren naar voren boog op een intimiderende manier waarbij hij met zijn hoofd dicht bij de schouder van verbalisant [slachtoffer 3] kwam en haar doordringend aankeek via de binnenspiegel. Wij gaven meerdere keren [verdachte] aan terug naar achter te zitten en te kalmeren. Wij zagen dat [verdachte] met zijn voeten tegen het middenconsole van het dienstvoertuig aan trapte.

Omstreeks 17:00 kwamen wij, verbalisanten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , aan bij het cellencomplex in Den Bosch. Wij wilden de identiteit vaststellen door middel van de ID-zuil. Wij, verbalisanten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , hoorden dat [verdachte] zei dat hij niet ging meewerken en dat we zijn hoofd moesten forceren voor de foto. Wij zagen dat [verdachte] erg geagiteerd was en aan het ratelen was. Wij hoorden dat [verdachte] erg luid aan het schreeuwen was. [verdachte] was op dit moment erg lastig en liet ons op geen enkele manier uitpraten. [verdachte] kwam desgevraagd een aantal keer op ons afgelopen waardoor wij geen professionele ruimte konden houden.

Wij zagen dat [verdachte] richting ons keek en hoorden dat [verdachte] zei dat wij allemaal "kankerracisten" waren. Wij hoorden dat [verdachte] zei dat we er allemaal bij hoorden. Hierdoor voelden wij ons in onze goede naam en eer aangetast.

Wij hoorden en zagen dat [verdachte] zei tegen verbalisant [slachtoffer 3] : "Je bent een junkie, je bent een crackjunkie." Hierdoor voelde ik, [slachtoffer 3] , mij wederom beledigd en in mijn goede naam en eer aangetast.

Wij hoorden dat [verdachte] zei: "Als ik jullie morgen in Oss zie, drie knipjes in mijn vinger.

Zweden Stockholm, mitrailleur." Wij zagen dat [verdachte] met zijn vingers een pistool imiteerde en wij hoorden dat hij schietgeluiden maakte. Wij zagen dat de collega's van het cellencomplex de deur van de cel van [verdachte] sloten. Wij hoorden dat [verdachte] veelvuldig tegen de deur van de cel aan het trappen was. Wij hoorden ook dat hij agressief aan het schreeuwen was.

5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 augustus 2025 (p. 35-36), inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Op 26-08-2025 was ik werkzaam als arrestantenverzorger in het cellencomplex gelegen aan de [adres 2] .

Op 26-08-2025 zag ik, verbalisant [verbalisant 3] , [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) [verdachte] binnenkomen in het cellencomplex aan [adres 2] . Ik hoorde dat [verdachte] verbaal aanwezig was, ik hoorde hem zeggen: "Kanker racisten."

Ik zag en hoorde bij het wegbrengen van de [verdachte] naar zijn cel 25, dat [verdachte] in het algemeen aangaf dat we "crackjunkies" waren.

Ik zag en hoorde bij het wegbrengen van de [verdachte] naar zijn cel 25, dat [verdachte] in het algemeen aangaf dat we "crackjunkies" waren en zag en hoorde de [verdachte] het gebaar maken van een mitrailleur en zag vervolgens dat deze op collega's en mij persoonlijk gericht was.

6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 augustus 2025 (p. 37-39), inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op 27 augustus 2025 was ik doende met het bekijken van de camerabeelden voor de bedreigingen en beledigingen waarin verdachte [verdachte] de verdachte is. Ik zag dat dit bodycam- en camerabeelden van het cellencomplex betroffen.

Fragment 1 genaamd: Autorit naar cellencomplex.mp4:

Ik zag dat dit beelden van een bodycam betroffen die werd gedragen door collega [slachtoffer 3] .

Ik zag en hoorde onder andere het volgende:

- bij 14 minuten en 55 seconden hoorde ik de verdachte zeggen: “Junkies junkies, dat zijn jullie he, dat was ik niet”;

- bij 25 minuten en 9 seconden zag ik dat collega's aankomen bij het cellencomplex. Ik hoorde verdachte zeggen toen hij uit het dienstvoertuig stapte dat hij de volgende keer wel een Glock mee zal nemen. Het is bij mij verbalisant, ambtshalve bekend dat dit een vuurwapen betreft;

- bij 28 minuten en 26 seconden, zag ik dat verdachte in het insluitingsproces zit. Ik hoorde de verdachte zeggen: “Kanker racisten”;

- bij 28 minuten en 43 seconden hoorde ik de collega vragen aan verdachte wie hij bedoelde met racisten. Ik, verbalisant hoorde de verdachte zeggen: “Jij hoor daar ook bij, maar jullie allemaal”;

- bij 29 minuten en 10 seconden hoorde ik verdachte zeggen: “Kanker racisten”;

- hierna stopt het fragment. Resume van dit fragment is het overbrengen van de verdachte en een hoop geschreeuw met verschillende bedreigingen dan wel beledigingen vanuit de verdachte.

Fragment 2 genaamd: fouillering naar cel. mp4:

Ik zag dat dit beelden van een bodycam betroffen die werd gedragen door collega [slachtoffer 3] . Ik zag dat dit in het cellencomplex was. Later zag ik de verdachte die ik herken uit het verdachte verhoor.

Ik zag en hoorde onder andere het volgende:

- Bij 54 seconden zag en hoorde ik dat verdachte verbaal agressief werd naar een collega en ook dichtbij komt. Ik zag en hoorde dat de collega hier niet van was gediend. Dit bleek uit de reactie van de collega;

- bij 1 minuut en 34 seconden zag ik dat verdachte een agressieve houding aanneemt richting een collega;

- bij 1 minuut en 56 seconden hoor ik de verdachte zeggen tegen collega [slachtoffer 3] :

“Junkies dat jullie zijn, jij bent ook een junkie, crack junkie, money rokertje.” Ik zag dat verdachte hierbij ook collega [slachtoffer 3] aanwees;

- bij 3 minuten en 57 seconden zag ik dat de verdachte naar zijn cel werd gebracht. Ik hoorde de verdachte zeggen: “Crack junkies dat jullie zijn.”

Fragment 3 genaamd: WMG.mp4:

Ik zag dat dit beelden van een bodycam betroffen die werd gedragen door collega [slachtoffer 3] . Ik zag dat dit in het cellencomplex was. Later zag ik de verdachte die ik herken uit het verdachte verhoor.

Ik zag en hoorde onder andere het volgende:

- Bij 5 seconden hoorde en zag ik de verdachte. Ik hoorde de verdachte zeggen: “Jouw kanker madre.”

- Kort hierna hoorde ik de verdachte op een agressieve toon zeggen: “Ja kom kom.”

VerdachteAchternaam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte]Geboren: [geboortedag] 1999

Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland

Ten aanzien van feit 6:

1. Het proces-verbaal van de in de zaak gehouden terechtzitting in eerste aanleg d.d. 14 oktober 2025, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

Het klopt dat ik de telefoon van de politie heb vernield.

2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 augustus 2025 (p. 25-27), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] namens slachtoffer Politie Oost-Brabant:

Plaats delict: [adres 2]

Op 26 augustus 2025 zat in cel 25 verdachte [verdachte] , geboren [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] in Nederland. Verdachte had op enig moment een telefoon vanuit de politie gekregen in verband met het hebben van contact met zijn advocaat. Op genoemde datum, omstreeks 20:45 uur, was er middels de intercom contact met genoemde verdachte. Verdachte gaf middels de intercom aan dat hij de telefoon ging vernielen. Via de intercom was te horen dat er iets tegen de muur gegooid werd. Collega's zijn vervolgens naar de cel van verdachte gegaan alwaar men de verstrekte telefoon aantrof. De telefoon bleek kapot te zijn en niet meer te functioneren. Vervanging van de nieuwe telefoon kost ongeveer 250 euro. De telefoon betreft een Spectralink 7622.

3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 augustus (p. 40-41), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Ik hoorde dat [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) [verdachte] een gesprek kreeg met zijn advocaat. Ik zag dat de telefoon vrij was van beschadigingen. Ik verbalisant, [verbalisant 3] , hoorde mijn collega [verbalisant 4] via de portofoon vragen om bij [verdachte] te gaan kijken omdat [verdachte] met een hard voorwerp tegen de muur aan het kloppen was. Samen met collega [verbalisant 5] zijn wij naar cel 25 gelopen. Daar hoorde ik vanuit cel 25 het geluid van kloppen met een hard voorwerp tegen een muur. Bij het openen van de cel 25 zag ik dat [verdachte] met een telefoon in zijn handen stond. Ik hoorde en zag mijn collega, [verbalisant 5] aan [verdachte] vragen om de telefoon in te leveren. Ik zag dat de display van de telefoon kapot was.

Parketnummer 01-249459-25:

Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Oost-Brabant, registratienummer PL2100-2025214417, gesloten d.d. 23 september 2025, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 6] , agent van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 38). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Het hof volstaat op de voet van het bepaalde in artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering met de opgave van de bewijsmiddelen, aangezien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit. De in deze opsomming vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor zover zij het bewezenverklaarde ondersteunen.

  1. De bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 september 2026.

  2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september (p. 6-7), inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 7] .

  3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 september (p. 8-9), inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 8] .

  4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september (p. 10-12), inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] .

  5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september (p. 13-15), inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 12] .

Bewijsoverwegingen

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken inzake feiten 2, 3, 4 en 6 van parketnummer 01-228278-25. Daartoe is het volgende aangevoerd:

Ten aanzien van feit 2

Ten aanzien van de bedreigingen van de buitengewoon opsporingsambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is aangevoerd dat de uitlatingen van de verdachte juridisch gezien niet zonder meer als een bedreiging als bedoeld in artikel 285 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht kunnen worden gekwalificeerd, omdat daarvoor sprake moet zijn van uitlatingen die daadwerkelijk de vrees kunnen opwekken dat een misdrijf ook daadwerkelijk kan worden uitgevoerd. De verdediging stelt dat de uitlatingen van de verdachte in eerste instantie niet als bedreigend werden opgevat door de buitengewoon opsporingsambtenaren en dat deze pas later, toen de verdachte nogmaals een vergelijkbare opmerking maakte op het moment dat er omstanders bij stonden, als bedreigend werden ervaren. De uitlatingen zouden juridisch gezien eerder zijn aan te merken als beledigend nu de buitengewoon opsporingsambtenaren zich daardoor aangetast voelden in hun goede eer en naam omdat er omstanders bij aanwezig waren. Objectieve aanwijzingen om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat er enige vrees was bij de buitengewoon opsporingsambtenaren dat enig geweld zou kunnen worden gebruikt door de verdachte, ontbreken.

Ten aanzien van feit 3

Ten aanzien van de beledigingen van de politieagenten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] is aangevoerd dat de uitlatingen van de verdachte niet gericht zouden zijn geweest tegen de politieagenten, maar tegen de buitengewoon opsporingsambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Ten aanzien van feit 4

Ten aanzien van de bedreigingen van de politieagenten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] is aangevoerd dat de tenlastegelegde combinatie van woorden ‘Zweden, Stockholm, mitrailleur’, waarbij het feit dat een mitrailleur wordt benoemd niet op zichzelf als bedreigend kan worden geacht, een te onduidelijke uitlating betreft om een bedreiging als bedoeld in artikel 285 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht op te leveren. Voorts wordt gesteld dat uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten op pagina 32 van het dossier onvoldoende duidelijk wordt of het imiteren van een mitrailleur en het maken van schietgeluiden op hen gericht was. Volgens de verdachte zou dit niet het geval zijn geweest. De verdediging stelt dat het maken van een pistoolgebaar in deze context niet zonder meer kan worden geïnterpreteerd als een gedraging met een serieuze bedoeling en dat het eerder lijkt op een impulsieve actie of uiting van boosheid. Doordat de handelingen bovendien volgens de verdediging niet gericht waren tegen de politieagenten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , zou dit onvoldoende zijn om te kunnen spreken van een juridische bedreiging.

Ten aanzien van feit 6

Ten aanzien van de kapotte telefoon stelt de verdediging dat artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht opzet vereist. Volgens de verdachte zou de telefoon per ongeluk kapot zijn gegaan. De verdediging voert aan dat er op het moment dat de telefoon kapot ging geen getuigen aanwezig waren en dat het dossier te weinig bewijs bevat om te kunnen vaststellen dat de verdachte de telefoon met opzet heeft vernield.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van het procesdossier stelt het hof vast dat de verdachte zich voorafgaand en bij zijn aanhouding, onderweg naar het cellencomplex en eenmaal in het cellencomplex agressief gedroeg en daarbij verschillende beledigende en bedreigende uitlatingen heeft gedaan naar zowel de buitengewoon opsporingsambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als naar de politieagenten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

De verdachte heeft erkend dat hij de verschillende beledigingen heeft geuit, maar stelt ten aanzien van feit 3 van parketnummer 01-228278-25 dat deze beledigingen niet gericht waren tot de politieagenten. Het hof ziet, anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal, geen reden om te twijfelen aan de tot het bewijs gebezigde inhoud van de processen-verbaal van de verbalisanten waaruit het hof afleidt dat de beledigingen wel degelijk zijn geuit in hun richting en ook bestemd waren voor de verbalisanten. Zo volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van de politieagenten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] dat de verdachte hen aankeek toen hij zei dat ze “allemaal kankerracisten waren” en dat de opmerking “Je bent een junkie, je bent een crackjunkie” specifiek naar verbalisant [slachtoffer 3] was gericht. Verbalisant [verbalisant 3] relateert hoe de verdachte in het algemeen aangaf dat ze “crackjunkies” waren. Uit de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] blijkt verder dat op de uitgekeken bodycambeelden te zien is dat de verdachte politieagente [slachtoffer 3] aanwees terwijl hij de beledigende uitlatingen deed. Daarmee is naar het oordeel van het hof voldoende vast komen te staan dat de beledigingen wel degelijk zijn geuit tegen en bestemd waren voor de politieagenten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 3 van parketnummer 01-228278-25 ten laste gelegde.

Het hof stelt ten aanzien van de tenlastegelegde bedreigingen voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht – behoudens opzet van de verdachte – is vereist (a) dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en (b) dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen.

Het hof ziet, anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal, ten aanzien van de bedreigingen geen reden om aan de processen-verbaal van zowel de buitengewoon opsporingsambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , als de politieagenten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] te twijfelen.

Het hof verwerpt de verweren van de verdediging dat geen sprake was van bedreigingen in de zin van artikel 285 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. In beide gevallen is de context waarin de bedreigingen zijn geuit van belang, in het bijzonder de omstandigheid dat de verdachte zich voorafgaand en bij zijn aanhouding, onderweg naar het cellencomplex en eenmaal in het cellencomplex agressief en opstandig gedroeg en daarbij meermalen de confrontatie met de verbalisanten zocht.

In het geval van de buitengewoon opsporingsambtenaren wordt gesteld dat de uitlatingen door de buitengewoon opsporingsambtenaren niet direct als bedreigend werden ervaren en dat deze uitlatingen daarom niet de daadwerkelijke vrees kunnen opwekken dat een misdrijf ook zou worden uitgevoerd. Het hof stelt voorop dat voor een bedreiging als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht niet is vereist dat een bedreigde zich daadwerkelijk bedreigd heeft gevoeld. Het hof is van oordeel dat de door de verdachte gebezigde woorden naar hun betekenis en objectief gezien een onmiskenbare dreigende strekking hebben en in het algemeen bij zowel de buitengewoon opsporingsambtenaren als de politieagenten de redelijke vrees kunnen opwekken dat zij het leven zouden laten. Dit wordt versterkt door de herhaling van de uitlatingen en de agressieve context waarin de uitlatingen werden gedaan. De tegen de politieagenten gebruikte woorden gingen bovendien gepaard met schietgebaren en schietgeluiden – blijkens het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] – in de richting van de politieagenten. De verdachte had daarvoor al verwezen naar een Glock (een vuurwapen) die hij de volgende keer zou meenemen.

Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de aard van de bewezenverklaarde uitlatingen en gedragingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht opleveren van zowel de buitengewoon opsporingsambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , als de politieagenten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 2 en 4 van parketnummer 01-228278-25 ten laste gelegde.

Het hof is, anders dan de verdediging, ten aanzien van het vernielen van de telefoon door de verdachte van oordeel dat het voor artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht vereiste opzet wel bij de verdachte aanwezig was. Het verweer van de verdediging vindt reeds zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Daaruit volgt immers dat de verdachte het vernielen van de telefoon aankondigde via de intercom, dat er vervolgens een hard geluid tegen de muur te horen was en dat kort daarop bij het openen van de celdeur geconstateerd werd dat de telefoon kapot was. Het hof ziet geen redenen om aan de betrouwbaarheid en juistheid van de tot het bewijs gebezigde inhoud van deze processen-verbaal te twijfelen.

Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 6 van parketnummer 01-228278-25 ten laste gelegde.

Het hof verwerpt de tot vrijspraak strekkende verweren.

Resumerend acht het hof, gelet op het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 01-228278-25 onder 1 en 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 01-228278-25 onder 2 en 4 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 01-228278-25 onder 6 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Het in de zaak met parketnummer 01-249459-25 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maken van een alarmnummer voor publieke diensten, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep een strafmaatverweer gevoerd. Daarbij heeft de verdediging het hof verzocht om rekening te houden met de lastige persoonlijke omstandigheden van de verdachte en geen gevangenisstraf op te leggen, en evenmin een hogere straf dan in eerste aanleg op te leggen. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte bereikbaar is voor de reclassering en reeds heeft bewezen dat hij een taakstraf kan uitvoeren.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan beledigingen en bedreigingen van buitengewoon opsporingsambtenaren en politieagenten, aan vernieling van een telefoon van de politie en aan het meermaals zonder noodzaak bellen van het alarmnummer 112. Het is van groot maatschappelijk belang dat politieambtenaren en buitengewoon opsporingsambtenaren hun werkzaamheden kunnen doen zonder dat ze daarbij worden tegengewerkt of belemmerd. Bovendien moeten deze ambtenaren kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met dergelijk laakbaar strafbaar gedrag. De verdachte heeft door zijn gedragingen het gezag en respect dat de politie en buitengewoon opsporingsambtenaren toekomt in ernstige mate miskend. Door zonder noodzaak meermalen 112 te bellen heeft de verdachte mogelijk andere burgers de mogelijkheid ontnomen tijdig de noodzakelijke hulp te krijgen. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 september 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit een reclasseringsrapport over de verdachte d.d. 2 december 2025 dat is uitgebracht in een andere strafzaak tegen de verdachte volgt dat de verdachte instabiliteit ervaart op de meeste leefgebieden en dat hij, nadat hij eerder zijn woonplek bij het Verdihuis verloor, zijn woonplek bij maatschappelijke opvang Den Bosch is verloren na het vertonen van agressief gedrag. De reclassering schat de risico’s op recidive hoog in nu betrokkene wederom dak- en thuisloos is. Zijn gedrag ligt in lijn met eerder delictgedrag. De reclassering ziet (in die zaak), geen mogelijkheden voor gedragsverandering door middel van een toezicht en (aanvullende) bijzondere voorwaarden.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte omtrent zijn persoonlijke omstandigheden verklaard dat het inmiddels iets beter met hem gaat. Hij probeert zoveel mogelijk uit de problemen te blijven en zelf dingen aan te pakken. Hij heeft momenteel geen hulpverlening en kan ook geen uitkering krijgen. Hij is niet meer welkom bij de opvang, maar verblijft sinds enige tijd bij een vriendin en wordt (financieel) ondersteund door familie en kennissen. Hij heeft recent een taakstraf uitgevoerd en is momenteel op zoek naar werk. Een gevangenisstraf zou hem verder in de problemen brengen, maar de verdachte zou wel een taakstraf kunnen en willen uitvoeren.

Al het vorenstaande afwegende – en gegeven de vrijspraak van feit 5 van parketnummer 01-228278-25 – acht het hof de oplegging van een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis en met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden.

Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 325,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep betwist. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat onvoldoende onderbouwd is waarom sprake zou zijn van psychisch letsel en dat dit niet evident is op grond van deze feiten. De verdediging heeft het hof primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering en heeft subsidiair verzocht om het bedrag te matigen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of ‘op andere wijze' in zijn persoon is aangetast.​

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van de onder parketnummer 01-228278-25 onder 1 bewezenverklaarde belediging is aangetast in zijn eer of goede naam, nu de benadeelde partij door de verdachte is beledigd gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn werk als buitengewoon opsporingsambtenaar.

Toewijzing

Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het onder 1 van parketnummer 01-228278-25 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend is het hof van oordeel dat een vergoeding van € 200,00 billijk is. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder parketnummer 01-228278-25 onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van € 200,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 2 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 325,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep betwist. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat onvoldoende onderbouwd is waarom sprake zou zijn van psychisch letsel en dat dit niet evident is op grond van deze feiten. De verdediging heeft het hof primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering en heeft subsidiair verzocht om het bedrag te matigen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast.​

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van de onder parketnummer 01-228278-25 onder 1 bewezenverklaarde belediging is aangetast in zijn eer of goede naam, nu de benadeelde partij door de verdachte is beledigd gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn werk als buitengewoon opsporingsambtenaar.

Toewijzing

Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het onder 1 van parketnummer 01-228278-25 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend is het hof van oordeel dat een vergoeding van € 200,00 billijk is. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder parketnummer 01-228278-25 onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 200,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 2 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 340,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep betwist. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat onvoldoende onderbouwd is waarom sprake zou zijn van psychisch letsel en dat dit niet evident is op grond van deze feiten. De verdediging heeft het hof primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering en heeft subsidiair verzocht om het bedrag te matigen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast.​

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van de onder parketnummer 01-228278-25 onder 3 bewezenverklaarde belediging is aangetast in haar eer of goede naam, nu de benadeelde partij door de verdachte is beledigd gedurende de rechtmatige uitoefening van haar werk als politieambtenaar.

Toewijzing

Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] als gevolg van het onder 3 van parketnummer 01-228278-25 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend is het hof van oordeel dat een vergoeding van € 200,00 billijk is. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder parketnummer 01-228278-25 onder 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 3] is toegebracht tot een bedrag van € 200,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 2 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 340,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep betwist. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat onvoldoende onderbouwd is waarom sprake zou zijn van psychisch letsel en dat dit niet evident is op grond van deze feiten. Daarbij heeft de verdediging gesteld dat de beledigingen niet op benadeelde partij [slachtoffer 4] gericht waren. De verdediging heeft het hof primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering en heeft subsidiair verzocht om het bedrag te matigen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast.​

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van de onder parketnummer 01-228278-25 onder 3 bewezenverklaarde belediging is aangetast in zijn eer of goede naam, nu de benadeelde partij door de verdachte is beledigd gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn werk als politieambtenaar. Het hof maakt daarbij geen onderscheid tussen de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , omdat uit het onderzoek ter terechtzitting volgt dat zij allebei beledigd zijn door de verdachte.

Toewijzing

Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] als gevolg van het onder 3 van parketnummer 01-228278-25 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend is het hof van oordeel dat een vergoeding van € 200,00 billijk is. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder parketnummer 01-228278-25 onder 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 4] is toegebracht tot een bedrag van € 200,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 2 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering tot tenuitvoerlegging

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht aan het hof om de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder onder parketnummer 01-351729-24 opgelegde voorwaardelijke taakstraf af te wijzen en heeft subsidiair verzocht om de proeftijd van deze voorwaardelijke veroordeling te verlengen.

Het hof is ten aanzien van de vordering van het openbaar ministerie Oost-Brabant van 27 augustus 2025, tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 22 mei 2025 onder parketnummer 01-351729-24 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, van oordeel, dat de bij dat vonnis vastgestelde proeftijd met 1 (één) jaar moet worden verlengd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 142, 266, 267, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-228278-25 onder 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-228278-25 onder 1, 2, 3, 4 en 6 en in de zaak met parketnummer 01-249459-25 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 01-228278-25 onder 1, 2, 3, 4 en 6 en in de zaak met parketnummer 01-249459-25 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , ter zake van het onder feit 1 van parketnummer 01-228278-25 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder feit 1 van parketnummer 01-228278-25 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 2 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , ter zake van het onder feit 1 van parketnummer 01-228278-25 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder feit 1 van parketnummer 01-228278-25 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 2 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , ter zake van het onder feit 3 van parketnummer 01-228278-25 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder feit 3 van parketnummer 01-228278-25 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 2 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] , ter zake van het onder feit 3 van parketnummer 01-228278-25 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het onder feit 3 van parketnummer 01-228278-25 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 2 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering tenuitvoerlegging

Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 22 mei 2025 parketnummer 01-351729-24, met een termijn van 1 (één) jaar.

Aldus gewezen door:

mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,

mr. A.C. Bosch en mr. P. Jeeninga, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zaalen, griffier,

en op 28 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »