GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 27 november 2025
Zaaknummer : 200.343.923/01
Zaaknummer eerste aanleg : 10777996 AZ VERZ 23-63
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. G. Tajjiou te Roermond,
tegen
[B.V. 1] B.V. en [B.V. 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna aan te duiden als [verweerster] ,
advocaat: mr. C.J. Spitters te Dongen.
5 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 26 april 2024.
6 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenbeschikking van het hof van 20 maart 2025;
- de akte na tussenbeschikking van [verweerster] met producties 13 tot en met 21, ingekomen bij het hof op 18 juni 2025;
- de akte na tussenbeschikking van [appellant] met producties 1 tot en met 12, ingekomen bij het hof op 18 juni 2025;
- het e-mailbericht van mr. Spitters van 19 juni 2025, met bijlage.
Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.
7 De verdere beoordeling
Het hof volhardt bij wat het in de hiervoor gewezen tussenbeschikking heeft beslist, behalve voor zover het hof hierna uitdrukkelijk op een of meer van die beslissingen terugkomt. Dit geldt in het bijzonder voor het oordeel dat het op 4 september 2023 gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Voor zover [verweerster] bedoeld heeft met haar akte na tussenbeschikking dat oordeel te betwisten, gaat het hof daaraan voorbij.
Het hof heeft in de tussenbeschikking geoordeeld dat de overeenkomsten van [verweerster] met [appellant] moeten worden gekwalificeerd als arbeidsovereenkomsten. Ook heeft het hof in die beschikking geoordeeld dat het ontslag op staande voet van [appellant] van 4 september 2023 niet rechtsgeldig is gegeven. Het hof heeft verder beide partijen in de gelegenheid gesteld om een akte te nemen. In die akte dienen zij, uitgaande van het oordeel van het hof dat er tussen partijen sprake is geweest van arbeidsovereenkomsten, een berekening te geven van het brutoloon dat [verweerster] in de periode van 18 oktober 2022 tot 4 september 2023 verschuldigd is geweest.
Voordat het hof ingaat op de inhoud van de door beide partijen genomen aktes, overweegt het hof naar aanleiding van het e-mailbericht van 19 juni 2025 van mr. Spitters het volgende.
Het hof heeft in de tussenbeschikking bepaald dat partijen hun akte gelijktijdig aan het hof moesten toesturen, waarbij zij hun akte op voorhand (uiterlijk twee weken voorafgaand aan de datum waarop deze aan het hof moesten worden toegestuurd) aan elkaar toesturen. De bedoeling daarvan was dat partijen in hun akte op elkaars berekeningen en de onderbouwing daarvan zouden kunnen reageren.
In voormeld e-mailbericht (dat cc. gestuurd is aan mr. Tajjiou) voert mr. Spitters onder meer aan dat de akte die door [appellant] aan het hof is toegezonden deels (namelijk voor wat betreft de passage op pagina 8 die luidt: “Totaaloverzicht 1 conform ZZP loon
In dit overzicht wordt allereerst het bruto-inkomen weergegeven dat ik gedurende mijn
dienstverband bij [verweerster] heb ontvangen”) afwijkt van de akte die hij eerder aan mr. Spitters had toegezonden en waarop mr. Spitters namens [verweerster] in de akte die aan het hof is toegezonden bij randnummer 60 heeft gereageerd. Om die reden stuurt [verweerster] ook de akte die eerder aan haar was toegezonden aan het hof, opdat het die akte aan de processtukken kan toevoegen en het hof de tekst van de akte van [verweerster] bij randnummer 60 goed kan begrijpen.
Het hof stelt vast dat [appellant] niet op voormeld e-mailbericht heeft gereageerd. Bij gebreke van een reactie van [appellant] zal het hof, zoals door [verweerster] verzocht, beide versies van de akte van [appellant] bij de beoordeling betrekken en de akte van [verweerster] met inachtneming van de tekst in de eerste versie van de akte van [appellant] lezen. Het hof overweegt dat de gang van zaken, zoals onbetwist door mr. Spitters aangegeven, onzorgvuldig, in strijd met de door het hof in de tussenbeschikking gegeven instructie en daarmee in strijd met de goede procesorde is. Het hof zal daarmee bij de proceskostenveroordeling rekening houden in die zin, dat voor het nemen van de akte na tussenbeschikking geen proceskostenvergoeding aan [appellant] wordt toegekend.
De door partijen opgestelde berekeningen
De berekeningen van [appellant] (zakelijk weergegeven):
-
Volgens [appellant] volgt uit het oordeel van het hof dat sprake is van een arbeidsovereenkomst niet zonder meer dat het cao-loon dient te worden toegepast. Primair geldt het overeengekomen tarief als uitgangspunt, nu het tarief tussen partijen expliciet is overeengekomen en de toepasselijke cao deze afwijking toelaat. [appellant] heeft verschillende berekeningen bij akte na tussenbeschikking in het geding gebracht. In berekening 1 gaat hij uit van het bruto inkomen dat hij van begin december (2022/hof) tot en met eind augustus 2023 heeft ontvangen. Dit betreft volgens hem een totaalbedrag van € 29.852,76 bruto, wat neerkomt op een gemiddeld maandinkomen van € 3.316,97 bruto. Uitgaande van € 26,00 per uur heeft hij dan 127 uur per maand gewerkt.
-
Het loon dat volgens hem nog door [verweerster] moet worden betaald is het loon over negen maanden (naar het hof begrijpt de periode van 9 maanden tot de datum van 10 juli 2024, de datum waarop het contract zou eindigen) x 127 uur per maand x € 26,00 = € 29.862,76 bruto.
-
Bovenop dit bedrag komen dan volgens [appellant] de volgende bedragen:
€ 4.034,58 reiskostenvergoeding
€ 3.107,20 vakantietoeslag
€ 666,09 eindejaarsuitkering
€ 1.083,33 vakantiedagenwaarde 2022
€ 5.200,00 vakantiedagenwaarde 2023
€ 24.448,28 wettelijke verhoging.
In totaal komt dit volgens [appellant] uit op een bedrag van € 73.344,84 bruto.
- Gelet op wat hierna bij 7.4.3. wordt overwogen gaat het hof niet in op de overige berekeningen van [appellant] .
De berekeningen van [verweerster]
- Nu [appellant] geen enkele ervaring had op het werkgebied van [B.V. 1]
zou hij als werknemer zijn ingeschaald als beginner in functiegroep 1 bijlage 2
cao (prod. 11 verweer hb) als objectbeveiliger/receptionist, met de daarbij
behorende functieschaal 0. Het uurloon is dan € 12,61 bruto (productie 13;
salaristabel per loonperiode 1 2022). Met ingang van 1 januari 2023 is dat loon
verhoogd tot € 13,64 per uur (ook prod. 13; salaristabel per loonperiode 1 2023).
- [B.V. 1] verricht geen beveiligingsdiensten maar slechts servicediensten.
Dat houdt in dat slechts toezicht wordt gehouden en eventueel receptiewerk
wordt verricht. Hierop is de cao niet van toepassing. Dat neemt niet weg dat
[B.V. 1] voor mensen in loondienst de cao als uitgangspunt neemt voor
wat betreft de hoogte van het uurloon, zonder de toeslagen die in de cao zijn
voorzien. Het uurloon wordt niet verhoogd voor onregelmatige tijden, zon- en
feestdagen etc.
-
[verweerster] heeft verder rekening gehouden met de reisvergoeding van artikel 52 cao. Ook is uitgerekend hoeveel vakantietijd [appellant] zou hebben genoten als hij in loondienst was geweest. Bovendien is het loon verhoogd met 8% vakantietoeslag.
-
In totaal heeft [B.V. 1] in de periode 22 oktober 2022 tot en met augustus 2023 € 29.576,05 betaald aan [appellant] en daarmee heeft [appellant] € 9.815,13 teveel ontvangen. [B.V. 2] heeft over de periode 10 juli 2023 tot en met 4 september 2023 € 1.567,00 aan [appellant] betaald. [appellant] heeft daarmee € 539,02 teveel ontvangen.
-
[verweerster] zal het teveel betaalde niet terugvorderen van [appellant] en doet afstand van de teveel betaalde bedragen.
-
[appellant] heeft geen recht op een eindejaarsuitkering. In 2023 was hij niet meer in dienst in loonperiode 12 en in 2022 gold de cao niet voor hem.
-
Als [verweerster] ook nog de loonbelasting zou moeten betalen, wordt het teveel door [verweerster] aan [appellant] betaalde bedrag alleen maar hoger. Het lijkt daarom redelijk, aldus [verweerster] , dat het hof bepaalt dat [appellant] de loonbelasting moet afdragen. Al betaalde inkomstenbelasting strekt dan uiteraard in mindering op het door [appellant] nog te betalen bedrag aan belasting over zijn loon, aldus [verweerster] .
Het hof oordeelt als volgt.
a. Partijen zijn het erover eens dat, uitgaande van het oordeel van het hof dat tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst, de cao particuliere beveiliging hierna: de cao) van toepassing is. Het hof stelt vast dat in de periode dat de arbeidsovereenkomst heeft bestaan (18 oktober 2022 tot en met 4 september 2023) twee versies van de cao hebben gegolden, namelijk de cao die gold van 1 juli 2018 tot 30 juni 2023 (waar [verweerster] naar verwijst) en de cao die gold van 1 juli 2023 tot 24 maart 2024 (waar [appellant] naar verwijst). Het hof stelt ook vast dat de voor de beoordeling in deze zaak van belang zijnde artikelen van de beide cao’s geen inhoudelijk relevante verschillen vertonen. Hierna zal het hof daarom, als het verwijst naar specifieke artikelen, niet telkens weergeven om welke versie van de cao het gaat.
Het hof is van oordeel dat er voor wat betreft de toepasselijkheid van de cao geen onderscheid gemaakt moet worden tussen de tijd dat [appellant] op basis van de overeenkomst met [B.V. 1] heeft gewerkt en de korte periode dat hij voor [B.V. 2] heeft gewerkt. [verweerster] heeft de stelling van [appellant] dat er feitelijk geen enkel onderscheid bestond tussen het werk dat hij voor de ene BV en het werk dat hij voor de andere BV heeft verricht, onvoldoende betwist. Bovendien stelt [verweerster] zelf dat [B.V. 1] voor mensen in loondienst de cao als uitgangspunt neemt.
Partijen zijn een zzp-tarief van € 24,50 ( [B.V. 1] ) resp. € 26,00 ( [B.V. 2] ) overeengekomen, maar zij hebben niet geregeld wat het loon zou zijn, voor het geval hun overeenkomst een arbeidsovereenkomst zou blijken te zijn.
Tussen partijen is niet in geschil dat de cao een minimum-cao is, die het toelaat dat partijen een hoger loon dan het loon volgens de cao-schalen overeenkomen. Volgens [verweerster] zou [appellant] zijn ingeschaald als beginner in functiegroep 1 functieschaal 0, met een uurloon van € 12,61 bruto. [appellant] heeft dat betwist. Volgens hem is in de beveiligingsbranche het afwijken van het basisuurloon gebruikelijk en zijn bij [verweerster] bovendien weinig of geen werknemers werkzaam. Voldoende vergelijkingsmateriaal uit de werkpraktijk van [verweerster] ontbreekt dus, aldus [appellant] .
Hoewel, zoals het hof in de tussenbeschikking onder 3.11.2. heeft overwogen, het uitgangspunt is dat het aan [appellant] toekomende loon in overeenstemming met de cao moet worden bepaald, kan het hof op grond van het voorgaande niet vaststellen in welke cao-functiegroep/-schaal [appellant] zou zijn ingedeeld, als hij van meet af aan als werknemer bij [verweerster] werkzaam zou zijn geweest. Dat, zoals [verweerster] stelt, dit functiegroep 1 schaal 0 zou zijn geweest heeft [appellant] voldoende gemotiveerd betwist.
Op grond van het voorgaande zal het hof het loon met toepassing van artikel 7:618 BW vaststellen (vgl. Hof Amsterdam 9 september 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2339). Die bepaling luidt:
“Indien geen loon is vastgesteld, heeft de werknemer aanspraak op het loon dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor arbeid als de overeengekomene gebruikelijk was of, bij gebreke van een dergelijke maatstaf, op een loon dat met inachtneming van de omstandigheden van het geval naar billijkheid wordt bepaald.”
Zoals het hof in de tussenbeschikking onder 3.7.8. heeft overwogen, werkten er zeer weinig in loondienst zijnde medewerkers feitelijk op te beveiligen locaties. Het overgrote deel van de werkzaamheden op deze locaties werd verricht door personen die, net als [appellant] , op basis van overeenkomsten van opdracht/als zzp’ers werkten. In 2022 werkten voor [verweerster] , aldus [verweerster] ter terechtzitting van het hof, 40 tot 50 personen. Vijf tot hooguit tien personen waren in loondienst. Deze medewerkers in loondienst zaten vooral op kantoor. De meeste medewerkers op locaties, aldus [verweerster] , waren zzp’ers.
Aldus kan niet worden vastgesteld wat het voor de werkzaamheden die [appellant] verrichtte bij [verweerster] gebruikelijke (werknemers-) loon was. Het hof zal het loon dan ook naar billijkheid vaststellen.
Het hof is van oordeel dat bij de vaststelling van het loon naar billijkheid van het tussen partijen overeengekomen (ZZP-) tarief moet worden uitgegaan. Het hof overweegt daarover het volgende:
1. Artikel 1 van de cao luidt onder andere als volgt:
“(…) Basissalaris
Het salaris per loonperiode zonder bijtelling van enige toeslag of vergoeding. Het basissalaris lees je in bijlage 4 van deze cao. Is in afwijking hiervan voor een werknemer een hoger basissalaris vastgesteld? Dan geldt dit hogere basissalaris daarvoor in de plaats (…)”
2. Vast staat dat partijen een ander, hoger, salaris dan het basissalaris zijn overeengekomen.
3. Dat tussen partijen, indien er van meet af aan uitgegaan was van een arbeidsovereenkomst, mogelijk een lager salaris zou zijn afgesproken/zou hebben gegolden dan de in de overeenkomsten genoemde uurtarieven, is een omstandigheid die naar het oordeel van het hof voor rekening en risico van [verweerster] dient te komen. Zij heeft er immers voor gekozen om haar bedrijfsvoering mede vorm te geven door middel van de inschakeling van ZZP’ers in plaats van medewerkers op basis van een arbeidsovereenkomst in te schakelen. Het hof gaat dan ook voorbij aan de berekeningen die [verweerster] op basis van de door haar (achteraf) verrichte inschaling van [appellant] heeft uitgevoerd.
4. Het hof overweegt op dit punt dat het betoog van [verweerster] over de inkomstenbelasting en loonbelasting (nr. 28 in de akte na tussenbeschikking) niet opgaat. [appellant] , zo volgt uit het voorgaande en anders dan [verweerster] heeft aangevoerd, heeft niet meer ontvangen dan waarop hij recht had, omdat naar het oordeel van het hof moet worden uitgegaan van de tussen partijen overeengekomen tarieven. In beginsel is het vervolgens aan [verweerster] als werkgever om zorg te dragen voor de inhouding van de loonbelasting. Er bestaat geen rechtsgrond om te bepalen dat [appellant] (alsnog) zelf moet zorg dragen voor de afdracht van de loonbelasting.
Uit productie 1 bij het inleidend verzoekschrift blijkt dat [appellant] en [B.V. 1] een uurtarief van € 24,50 hadden afgesproken. De overeenkomst tussen [B.V. 2] en [appellant] vermeldt een uurtarief van € 26,00. Deze bedragen overstijgen de maximale bedragen die zijn vermeld in de cao. Anders gezegd: in de hoogste schaal met de hoogste periodiek bedraagt het uurloon in de cao minder dan de hiervoor genoemde en tussen [appellant] en [verweerster] overeengekomen tarieven.
Op grond hiervan is het hof van oordeel dat heeft te gelden dat artikel 3 lid 2 van de cao van toepassing is. Ingevolge deze bepaling zijn onder meer hoofdstukken 4 (met uitzondering van de artikelen 37 over periodieke loonsverhogingen, 38 over de eindejaarsuitkering en 41 over feestdagentoeslagen) en 5 niet van toepassing op de overeenkomst met [appellant] .
Dit betekent onder andere dat [appellant] geen aanspraak kan maken op de toeslag bijzondere uren, de toeslag voor overwerk en reiskostenvergoeding.
[verweerster] heeft aangevoerd dat zij heeft toegestaan dat [appellant] -in afwijking van de afspraak: geen toeslagen- vanaf periode 7 in 2023 wel toeslagen in rekening mocht brengen. Het hof zal bij de vaststelling van wat er aan [appellant] is uitbetaald en van de bedragen waarop hij nu nog aanspraak kan maken hiermee rekening houden. Anders gezegd: het hof zal die aan toeslagen betaalde bedragen niet in mindering brengen op het bedrag waarop [appellant] aanspraak kan maken.
Tot welke concrete bedragen leidt het voorgaande?
- Het hof gaat uit van een totaal aantal door [appellant] bij [verweerster] gewerkte uren in de periode 22 oktober 2022 tot en met 4 september 2023 van 1137,50, zoals onderbouwd weergegeven door [verweerster] in productie 14 bij de akte na tussenbeschikking. [appellant] heeft dit niet althans niet voldoende onderbouwd betwist. Verdeeld over voormelde periode (van -afgerond- 10,5 maanden) betekent dit een aantal gewerkte uren per loonperiode van 4 weken van afgerond 100 uur.
- Verder stelt het hof aan de hand van productie 18 bij akte na tussenbeschikking van [verweerster] vast dat voor de periode dat [appellant] voor [B.V. 1] werkte in totaal € 29.576,05 is betaald en voor de periode dat [appellant] heeft gewerkt bij [B.V. 2] een bedrag van € 1.567,00 (zie pagina’s 5 en 7 van de akte na tussenbeschikking van [verweerster] ). [appellant] heeft dit niet bestreden. In totaal is er in de hele periode door [verweerster] € 31.143,05 aan [appellant] betaald. Omgerekend komt dit neer op een bedrag van gemiddeld € 2.737,85 per loonperiode van 4 weken.
- Vakantietoeslag. Uitgaande van voormeld bedrag van € 31.143,05 heeft [appellant] recht op een vakantietoeslag van (8% van € 31.143,05 =) € 2.491,44 bruto.
- Vakantiedagen. Een werknemer met een fulltime dienstverband (artikel 10 lid 1 cao: een werknemer die gemiddeld 36 uur per week werkt) heeft op grond van artikel 59 lid 1 cao per jaar recht op 24 vakantiedagen (172,8 uur). Iedere vier weken bouwt de werknemer dan 1,85 vakantiedagen/13,3 vakantie-uren op. Als een werknemer parttime werkt is diens vakantieaanspraak afhankelijk van de arbeidstijd per loonperiode. Is een werknemer niet het hele jaar in dienst, dan krijgt hij alleen vakantiedagen over de periode dat hij in dienst is (artikel 59 leden1 en 2 sub a en d cao).
[appellant] werkte in vergelijking met een fulltimer 69,44%. Op jaarbasis kon hij dus aanspraak maken op (69,44% van 172,8 uren/24 dagen =) 119,99 vakantie-uren/16,66 vakantiedagen. Over de periode van 22 oktober tot en met 31 december 2022 (70 dagen) had [appellant] gelet op het voorgaande recht op 38,45 vakantie-uren/4,8 vakantiedagen. Dit komt, bij een uurtarief van € 24,50, neer op een bedrag aan vergoeding voor niet genoten vakantiedagen van € 942,03 bruto over de periode tot en met 31 december 2022.
Over de periode van 1 januari 2023 tot 10 juli 2023, (190 dagen) had [appellant] (rekening houdend met het parttime werken) recht op 8,66 vakantiedagen/89,86 vakantie-uren. Dat leidt bij een uurtarief van € 24,50 tot een bedrag aan niet genoten vakantiedagen van € 2.201,57 bruto.
De periode van 10 juli 2023 tot en met 4 september 2023 (de dag dat een eind is gekomen aan het dienstverband met [B.V. 2] ) besloeg 56 dagen. In die periode gold een overeengekomen uurtarief van € 26,00. [appellant] had in die periode recht op 2,5 vakantiedagen/25,92 vakantie-uren. Dit betekent een aanspraak op vergoeding van niet genoten vakantie-uren van € 673,92 bruto.
In totaal heeft [appellant] over de periode van 22 oktober 2022 tot en met 4 september 2023 recht op een bedrag aan niet genoten vakantiedagen van (€ 942,03 + € 2.201,57 + € 673,92 =) € 3.817,52 bruto.
- Periodieke loonsverhogingen en feestdagentoeslag (artikelen 37 en 41 cao). [appellant] heeft in geen van zijn berekeningen aandacht besteed aan de in de cao genoemde periodieke loonsverhogingen en de feestdagentoeslagen. Het hof neemt daarom aan dat die verhogingen en toeslagen geen onderdeel van de vordering van [appellant] uitmaken en zal daarover verder niet oordelen.
- De eindejaarsuitkering. Artikel 38 van de cao (versie 3 december 2023, die inhoudelijk niet verschilt van de versie waarop [appellant] een beroep doet) luidt als volgt:
“(…)Artikel 38 Wat geldt voor een eindejaarsuitkering? Hoe hoog is je eindejaarsuitkering vanaf 2020?
a. Als je in loonperiode 12 van enig jaar in dienst bent is je eindejaarsuitkering vanaf 2020 2,01%.
b. Je krijgt je eindejaarsuitkering uitbetaald in loonperiode 12. Dat is dus de loonbetaling over loonperiode 11 ongeveer een week na einde loonperiode 11.
c. Je werkgever berekent je eindejaarsuitkering over je basisloon plus vakantiebijslag voor je arbeidstijd exclusief overwerk over de afgelopen 13 loonperiodes.
d. Kom je gedurende het jaar in dienst? Dan krijg je de uitkering in verhouding tot de tijd die je in dienst was (...)”
Zoals het hof hiervoor in overweging 7.4.3. sub b heeft geoordeeld maakt het hof geen onderscheid in de toepasselijkheid van de cao tussen de periode dat [appellant] voor [B.V. 1] heeft gewerkt en de periode dat hij voor [B.V. 2] heeft gewerkt. Dit betekent dat [appellant] recht heeft op een eindejaarsuitkering in verhouding tot de tijd die hij in 2022 in dienst was (een periode van 70 dagen oftewel 2,5 loonperiodes van elk 4 weken). Zoals hiervoor overwogen bedraagt het gemiddelde loon per 4 weken € 2.737,85 bruto. In 2022 bedraagt het salaris waarmee in dit verband rekening moet worden gehouden daarom (2,5 x € 2.737,85 =) € 6.844,63 bruto te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, dus in totaal € 7.392,20. De eindejaarsuitkering over 2022 bedraagt dan (2,1% van € 7.392,20 =) € 155,24 bruto.
Voor wat betreft 2023 heeft naar het oordeel van het hof te gelden dat [appellant] , omdat hij in loonperiode 12 van 2023 niet (meer) in dienst was van [B.V. 2] , geen recht heeft op een eindejaarsuitkering.
Geen aanspraak op wettelijke verhoging
Het hof is van oordeel dat in dit specifieke geval er geen grond bestaat voor toekenning van de door [appellant] verzochte wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ten laste van [verweerster] . Beide partijen zijn er in 2022 en 2023 van uitgegaan dat men op basis van een overeenkomst van opdracht met elkaar in zee ging toen men de bewuste overeenkomsten sloot. Op dat moment zijn partijen gezamenlijk de hiervoor vermelde uurtarieven overeengekomen. Pas na het op 4 september 2023 gegeven ontslag heeft [appellant] aanleiding gezien om, kennelijk mede in het licht van de rechtsontwikkeling op dit punt (de Deliveroo-zaak), zich op het standpunt te stellen dat de overeenkomst tussen partijen gekwalificeerd diende te worden als een arbeidsovereenkomst. Tot op dat moment had [verweerster] aan alle uit de gesloten overeenkomsten voortvloeiende (financiële) verplichtingen voldaan. Van bewuste te late betaling door [verweerster] van wat -achteraf- op grond van een arbeidsovereenkomst verschuldigd was/zou zijn geweest is geen sprake geweest. Het zou naar het oordeel van het hof in deze specifieke omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om de wettelijke verhoging toe te wijzen.
De billijke vergoeding
In overweging 3.10 van de tussenbeschikking heeft het hof geoordeeld dat [appellant] aanspraak kan maken op een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:683 lid 3 BW.
[verweerster] heeft in haar akte na tussenbeschikking op het punt van de billijke vergoeding, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:
- [appellant] is niet ontvankelijk in zijn verzoek om een billijke vergoeding, want dat verzoek is twee dagen te laat ingediend (artikel 7:686a lid 4 sub a BW);
- er is geen sprake van ernstige verwijtbaarheid van [verweerster] ;
- het hof heeft niet gemotiveerd waarom een billijke vergoeding zou mogen worden toegewezen.
Het hof verwerpt het betoog van [verweerster] . Als eerste overweegt het hof dat [verweerster] het beroep op de niet ontvankelijkheid van [appellant] in zijn verzoek om een billijke vergoeding te laat, want pas voor het eerst in de akte na tussenbeschikking in hoger beroep en dus in strijd met de twee conclusie-leer, heeft gedaan. Dit, terwijl [appellant] al in het inleidende verzoek (subsidiair) aanspraak had gemaakt op een billijke vergoeding. Bovendien, zo heeft [appellant] terecht betoogd, viel de laatste dag van de twee maandentermijn waarbinnen op grond van artikel 7:686a lid 4 sub a BW een verzoek om billijke vergoeding moest worden verzocht op een zaterdag, waardoor de termijn op grond van artikel 1 lid 1 van de Algemene Termijnenwet werd verlengd naar maandag 6 november 2023. Op die dag heeft [appellant] het betreffende verzoek ook ingediend.
Het hof overweegt ten tweede dat het in de tussenbeschikking heeft geoordeeld dat [verweerster] [appellant] niet rechtsgeldig op staande voet heeft ontslagen op 4 september 2023. Zoals hiervoor al overwogen, komt het hof op die bindende eindbeslissing niet terug. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek van [appellant] tot vernietiging van de opzegging door [verweerster] ten onrechte heeft afgewezen. Het hof kan vervolgens op grond van het bepaalde in artikel 7:683 lid 3 BW [verweerster] veroordelen tot herstel van de dienstbetrekking of aan [appellant] een billijke vergoeding toekennen. Gelet op het feit dat [appellant] in hoger beroep te kennen heeft gegeven zijn verzoek tot herstel van de dienstbetrekking in te trekken, ligt herstel van de dienstbetrekking niet in de rede. Het hof kan en zal daarom een billijke vergoeding toekennen. Aan de vraag of [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld komt het hof, gelet op het voorgaande, niet toe.
[appellant] verzoekt toekenning van een billijke vergoeding van € 124.362,98 bruto. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd:
a. Primair baseert [appellant] de hoogte van de billijke vergoeding op het salaris dat hij tot het einde van de looptijd van zijn dienstverband bij [verweerster] (10 juli 2024) zou hebben ontvangen. Subsidiair baseert hij de hoogte van de billijke vergoeding op de drie maanden dat hij sinds het ontslag bij [verweerster] geen inkomsten heeft gehad. Op 6 november 2023 is hij als ZZP’er gestart bij een nieuwe opdrachtgever. Vanaf september 2024 werkt hij daarnaast bij een andere werkgever in loondienst. Deze werkzaamheden had [appellant] naast zijn werk bij [verweerster] kunnen (blijven) verrichten en er hoeft daarom geen rekening met de uit die werkzaamheden verkregen inkomsten te worden gehouden.
b. Er is sprake van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] in verband met het ten onrechte gegeven ontslag op staande voet.
c. [appellant] heeft door toedoen van [verweerster] schade in zijn stage en loopbaanperspectief geleden. Hij heeft zijn stage (nog steeds) niet kunnen afronden met structureel verlies aan opleidings- en carrièremogelijkheden.
d. Op basis van het hypothetische inkomensverlies (circa € 63.017,82), het verlies van opleidingsmogelijkheden en loopbaanmogelijkheden (€ 4.000,00 respectievelijk
€ 18.844,16), de reputatieschade (€ 7.500,00) en de verwijtbaarheid van het handelen van [verweerster] (€ 31.000,00 “verzwaarde vergoeding”) wordt primair een billijke vergoeding gevorderd van € 124.362,98 bruto. Deze vergoeding strekt niet alleen tot compensatie, maar dient tevens een normstellend doel. Werknemers dienen beschermd te worden tegen werkgevers die fundamentele arbeidsrechtelijke normen schenden en daarmee structurele schade, waaronder immateriële schade, aanrichten. Subsidiair verzoekt [appellant] een billijke vergoeding ter hoogte van het maandsalaris over de periode van 5 september 2023 tot en met 8 december 2023 (zie productie E bij de akte na tussenbeschikking).
[verweerster] heeft hierop als volgt gereageerd, waarbij het hof de stellingen van [verweerster] over het ontbreken van ernstige verwijtbaarheid, gelet op wat hiervoor bij 7.5.1. is overwogen, onbesproken zal laten:
a. Er is een schreeuwend tekort aan medewerkers in de beveiliging en [appellant] kon dan ook meteen elders aan de slag als hij daarvoor moeite had gedaan. In elk geval had hij al binnen twee maanden ander werk. Hij had zich vanaf 6 november 2023 kunnen inroosteren bij deze nieuwe opdrachtgever.
b. [appellant] heeft zelf in zeer aanzienlijke mate bijgedragen aan het ontstaan van de situatie waarin hij op staande voet is ontslagen.
c. Er is geen sprake van dat [appellant] door toedoen van [verweerster] stagemogelijkheden heeft gemist.
d. Een onderbouwing van de door [appellant] opgevoerde bedragen/componenten ontbreekt geheel.
e. Er is geen grond voor toekenning van een “verzwaarde vergoeding”, zoals [appellant] stelt.
Het hof is van oordeel dat [appellant] recht heeft op een billijke vergoeding ten laste van [verweerster] van € 5.913,76 bruto, gelijk aan het gemiste loon dat hij (na de hiervoor uitgevoerde herberekening) bij [verweerster] zou hebben verdiend over de periode van 5 september 2023 tot 6 november 2023 (de dag waarop hij voor een nieuwe opdrachtgever is gaan werken), vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Het hof komt op grond van de volgende overwegingen tot dat oordeel:
a. Vast staat dat [appellant] als gevolg van het onterecht gegeven ontslag op staande voet over voormelde periode geen salaris heeft ontvangen. Met dat gegeven houdt het hof rekening bij de vaststelling van de billijke vergoeding.
b. Het hof ziet, anders dan door [appellant] bepleit, geen grond om uit te gaan van een langere periode aan gederfd loon (volgens [appellant] : tot het einde van de looptijd van de overeenkomst met [verweerster] , 10 juli 2024). [appellant] heeft zelf aangevoerd dat hij tijdens zijn dienstverband bij [verweerster] geen andere opdrachtgevers had. Van die situatie gaat het hof dan ook uit bij de vergelijking met de situatie waarin het ontslag niet zou hebben plaats gevonden. Per 6 november 2023 had [appellant] een nieuwe opdrachtgever, waarmee het verlies aan inkomen dat hij leed als gevolg van het ontslag op staande voet, ophield te bestaan. Hij had zich, gelet op het feit dat hij zelf stelt dat hij volledige roostervrijheid had bij deze nieuwe opdrachtgever (zie pag. 6, derde alinea van de akte na tussenbeschikking van [appellant] ), vanaf die datum kunnen inroosteren en daarmee inkomen kunnen verwerven.
Dat [appellant] naast die nieuwe opdracht ook nog werk in loondienst had dat hij, zoals hij stelt, ook in de periode dat hij voor [verweerster] werkte in theorie naast zijn werk voor [verweerster] had kunnen doen acht het hof in dit geval voor de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding niet relevant.
c. [verweerster] heeft [appellant] ten onrechte op staande voet ontslagen. Dat betekent echter niet dat het gedrag van [appellant] zelf, dat tot de gewraakte beslissing van [verweerster] heeft geleid, bij de beoordeling van de hoogte van de billijke vergoeding geheel buiten beschouwing kan blijven. Door tijdens zijn dienst zonder toestemming zijn post te verlaten en daarover, toen hij daarop werd aangesproken, niet meteen voldoende duidelijkheid te geven, heeft hij zelf ook in niet geringe mate bijgedragen aan het arbeidsgeschil. Voor het toekennen van, wat [appellant] noemt, “een verzwaarde vergoeding” bestaat om die reden geen grond.
d. [appellant] heeft noch (de schade als gevolg van) het verlies van opleidingsmogelijkheden en loopbaanmogelijkheden, noch de reputatieschade deugdelijk (met feiten) onderbouwd. Het hof zal met deze door [appellant] aangevoerde (schade)componenten dan ook geen rekening houden.
Conclusie
Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat:
-
de primair onder 1 en 3 verzochte verklaringen voor recht worden toegewezen;
-
de onder 2 verzochte verklaring voor recht in zoverre wordt toegewezen dat voor recht wordt verklaard dat alle fiscale verplichtingen op grond van de arbeidsovereenkomst voor rekening van [B.V. 1] en [B.V. 2] komen en dat het verzoek voor het overige wordt afgewezen omdat [appellant] niet voldoende duidelijk heeft gemaakt wat hij onder “alle rechten van de arbeidsovereenkomst, boven op de aanspraken die hij al heeft ontvangen” verstaat;
-
[appellant] recht heeft op een bedrag van (€ 2.491,44 + € 3.817,52 + 155,24 =) € 6.464,20) bruto aan vakantietoeslag, uitbetaling vakantiedagen en eindejaarsuitkering;
-
[appellant] recht heeft op een bedrag van € 5.913,76 bruto aan billijke vergoeding
-
het verzoek om toekenning van de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW wordt afgewezen.
De proceskosten
[verweerster] heeft in deze procedure te gelden als de voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij. Het hof zal [verweerster] , zoals door [appellant] ook in (de aanhef van) het beroepsschrift heeft verzocht, daarom veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.
De kosten van de procedure in eerste aanleg berekent het hof als volgt:
€ 86,00 aan griffierecht;
€ 1.421,00 aan salaris gemachtigde (3,5 punten x tarief € 406,00 per punt).
In totaal bedraagt het bedrag aan proceskosten van de procedure in eerste aanleg (€ 86,00 + € 1.421,00 =) € 1.507,00.
De kosten van de procedure in hoger beroep berekent het hof als volgt:
€ 349,00 aan griffierecht
€ 2.428,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief II).
-----------------------------------------------------------------------
€ 2.777,00 totaal proceskosten in hoger beroep.
Zoals hiervoor bij 7.3. overwogen kent het hof aan [appellant] geen vergoeding toe voor de kosten van het nemen van de akte na tussenbeschikking.
8 De beslissing
Het hof:
vernietigt de door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, op 26 april 2024 tussen partijen onder zaaknummer 10777996 AZ VERZ 23-63 gewezen beschikking;
en, opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat [appellant] op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst is geweest van [B.V. 1] en [B.V. 2] vanaf 1 oktober 2022 tot en met 4 september 2023;
verklaart voor recht dat alle fiscale plichten tot loonheffing en andere fiscale verplichtingen op grond van de arbeidsovereenkomst voor rekening van [B.V. 1] en [B.V. 2] komen;
verklaart voor recht dat het op 4 september 2023 gegeven ontslag nietig is;
veroordeelt [B.V. 1] en [B.V. 2] tot betaling aan [appellant] van € 6.464,20 bruto aan nog niet uitbetaald salaris (vakantietoeslag, vakantiedagen en eindejaarsuitkering) over de periode 1 oktober 2022 tot en met 4 september 2023;
veroordeelt [B.V. 2] tot betaling aan [appellant] van € 5.913,76 bruto ter zake van billijke vergoeding;
veroordeelt [B.V. 1] en [B.V. 2] in de kosten van de procedure in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.507,00, te weten € 86,00 aan griffierecht en € 1.421,00 aan salaris gemachtigde;
veroordeelt [verweerster] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 2.777,00, te weten € 349,00 aan griffierecht en € 2.428,00 aan salaris gemachtigde;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.I.M.W. Bartelds, M. van der Schoor en N. Zekić en is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025.