GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 13 november 2025
Zaaknummer : 200.355.495/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/341775 / JE RK 25-808
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.H.P. Feiner,
tegen
[naam 1] Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
Als belanghebbende in deze zaak dient te worden aangemerkt:
[belanghebbende] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna te noemen: [belanghebbende] ,
advocaat: mr. L.M. van den Dungen.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Limburg, locatie [locatie 1] ,
hierna te noemen: de raad.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, uitgesproken onder voormeld zaaknummer op 13 mei 2025 en op schrift gesteld op 14 mei 2025.
2 Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 juni 2025, heeft de moeder verzocht, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, een schadevergoeding toe te kennen aan [belanghebbende] ten laste van de Staat der Nederlanden, op grond van artikel 5 lid 5 EVRM, van € 100,- per dag gedurende de veertien dagen dat [belanghebbende] onrechtmatig van haar vrijheid was beroofd, dus in totaal € 1.400,-.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
De eerste mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 september 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- namens de moeder, mr. Feiner;
- namens [belanghebbende] , mr. C.A.M.J.M. Joosten (waarnemend voor mr. Van den Dungen).
De raad heeft het hof bij brief van 17 juli 2025 bericht niet tijdens de mondelinge behandeling te zullen verschijnen.
De GI is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. Uit telefonische navraag van de griffier bij de GI is gebleken dat de GI, wegens ziekte van de betrokken jeugdbeschermer, niet in de gelegenheid was om tijdens de mondelinge behandeling te verschijnen.
Het hof heeft de zaak op 4 september 2025 niet inhoudelijk behandeld, maar een nieuwe mondelinge behandeling gepland omdat het hof inhoudelijke vragen aan de GI heeft over de gang van zaken rondom de door de GI aan de rechtbank verzochte (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp.
De mondelinge behandeling is voortgezet op 9 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- namens de moeder, mr. Feiner;
- namens [belanghebbende] , mr. Van den Dungen.
De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
De GI is tijdens de voortgezette mondelinge behandeling opnieuw niet verschenen. De griffier heeft telefonische navraag gedaan bij de GI en de GI liet weten niet op de hoogte te zijn van de mondelinge behandeling. Het hof heeft echter op 1 oktober 2025 zowel per post als per e-mail een oproepbrief voor de mondelinge behandeling aan de GI verzonden. Het hof ziet daarom geen aanleiding om de inhoudelijke behandeling van de zaak nogmaals aan te houden en opnieuw een nadere mondelinge behandeling te bepalen.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
-
de door de advocaat van de moeder overgelegde beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 23 mei 2025 inzake de (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp, ingekomen ter griffie op 11 juni 2025;
-
de door de advocaat van de moeder overgelegde instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper d.d. 14 mei 2025, ingekomen ter griffie op 3 september 2025;
-
het V6-formulier, met als bijlage het verslag observatie en voortgang [naam instelling] van 23 mei 2025, ingediend door de advocaat van de moeder op 6 oktober 2025.
3 De beoordeling
De feiten
Uit de moeder is, op [geboortedag] 2013 te [geboorteplaats] , [belanghebbende] geboren.
De moeder oefent van rechtswege het gezag over [belanghebbende] uit.
Bij beschikking van 29 september 2024 heeft de rechtbank Den Haag – voor zover hier van belang – [belanghebbende] voorlopig onder toezicht van de GI gesteld tot 19 december 2024.
Bij beschikking van 16 oktober 2024 heeft de rechtbank Rotterdam – voor zover hier van belang – met spoed een machtiging aan de GI verleend om [belanghebbende] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, dan wel in een gezinsgerichte voorziening, tot 13 november 2024. Het verzoek is voor het overige aangehouden en voor verdere behandeling verwezen naar de rechtbank Den Haag.
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 28 oktober 2024 – voor zover hier van belang – een machtiging aan de GI verleend om [belanghebbende] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, dan wel in een gezinsgerichte voorziening, tot 19 december 2024.
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 12 december 2024 – voor zover hier van belang – [belanghebbende] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 12 december 2024 tot 12 december 2025 en aan de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [belanghebbende] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 12 december 2024 tot 12 maart 2025.
Bij beschikking van 3 maart 2025, op schrift gesteld op 28 maart 2025, heeft de rechtbank Den Haag – voor zover hier van belang – aan de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [belanghebbende] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 12 maart 2025 tot 12 juni 2025.
Bij beschikking van 31 maart 2025 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, aan de GI een spoedmachtiging verleend om [belanghebbende] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, met ingang van 31 maart 2025 tot 14 april 2025.
De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
Bij beschikking van 10 april 2025 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, aan de GI een machtiging verleend om [belanghebbende] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, met ingang van 14 april 2025 tot 14 mei 2025.
De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
De rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, heeft bij beschikking van 8 mei 2025 het resterende deel van het verzoek van de GI om [belanghebbende] op grond van artikel 6.1.2 van de Jeugdwet te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee maanden, derhalve tot 14 juli 2025, afgewezen.
[belanghebbende] verbleef op dat moment nog op de groep [naam groep] van de gesloten accommodatie voor jeugdhulp [naam groep 1] .
De procedure in eerste aanleg
De GI heeft de rechtbank verzocht een spoedmachtiging te verlenen om [belanghebbende] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken.
De GI heeft de rechtbank daarnaast verzocht om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [belanghebbende] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, aan de GI een spoedmachtiging verleend om [belanghebbende] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 13 mei 2025 tot [geboortedag] 2025.
De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
De procedure in hoger beroep
De moeder kan zich met deze beslissing van de rechtbank van 13 mei 2025 niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De ontwikkelingen na de bestreden beschikking
De rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, heeft bij beschikking van 23 mei 2025, op schrift gesteld op 10 juni 2025, het verzoek van de GI tot voortzetting van de machtiging gesloten plaatsing afgewezen.
[belanghebbende] woont sinds [geboortedag] 2025 bij de moeder.
De standpunten
De moeder voert – samengevat – het volgende aan.
De rechtbank heeft miskend dat op het feitelijk verzoek van de GI reeds was beslist bij de mondelinge uitspraak van 8 mei 2025. Het door de GI op 13 mei 2025 opnieuw gedane verzoek om een spoedmachtiging uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp was daarom een verkapt hoger beroep. De inhoud van het verzoekschrift van de GI was, voor wat betreft de problematiek van [belanghebbende] , exact hetzelfde. Ook zijn er geen nieuwe inhoudelijke feiten en omstandigheden aan het spoedverzoek ten grondslag gelegd. Door onder die omstandigheden opnieuw aan de GI een spoedmachtiging uithuisplaatsing voor [belanghebbende] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen, schond de rechtbank in zeer ernstige mate het gezag van gewijsde en het rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank heeft verder ten onrechte aangenomen dat sprake was van een situatie ex artikel 800 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, te weten een ernstig en onmiddellijk dreigend gevaar voor de minderjarige, waardoor hoor en wederhoor niet kon worden afgewacht. De rechtbank heeft ten onrechte voor waar aangenomen dat [belanghebbende] door de zorgaanbieder op straat zou worden gezet. Dat is echter in strijd met de wettelijke zorgplicht van de jeugdhulpaanbieder, die bovendien op dezelfde locatie beschikte over tientallen kleine open accommodaties. Bovendien geldt er een opnameplicht van de zorgaanbieders in hun contract met de gemeente. Wachtlijstproblematiek mag bovendien nooit een reden vormen voor opsluiting ex artikel 5 lid 1 sub d EVRM. De rechter verleent een machtiging tot uithuisplaatsing maar zorgbemiddeling gaat over de uiteindelijke plaatsing van een minderjarige. Dit is een manco in het systeem van hoe de jeugdzorg thans geregeld is. Dat er kennelijk volgens zorgbemiddeling [locatie 2] geen geschikte open plek voor [belanghebbende] beschikbaar was, terwijl een open plaatsing op 8 mei 2025 door de rechtbank toereikend werd gevonden, maakt dat de kinderrechter in de bestreden beschikking in strijd met artikel 5 lid 1 sub d juncto artikel 6 en 8 EVRM een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor [belanghebbende] heeft verleend. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat voldaan is aan de in de Jeugdwet genoemde gronden voor de verlening van een machtiging gesloten jeugdhulp. Uit de beschikking van 8 mei 2025 bleek immers dat de mogelijkheden in een open setting nog niet waren uitgeput en voorzichtig hun vruchten begonnen af te werpen. De rechtbank heeft in de opvolgende beschikking van 23 mei 2025 – na hoor en wederhoor – de bij de bestreden beschikking aan de GI verleende spoedmachtiging gesloten jeugdhulp niet verlengd. [belanghebbende] heeft van 31 maart 2025 tot 27 mei 2025 in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp verbleven, waarvan in de periode van 13 mei 2025 tot 27 mei 2025 ten onrechte.
[belanghebbende] verblijft sinds 27 mei 2025 bij de moeder en dat gaat relatief goed.
Gelet op de ernstige schending van artikel 5 lid 1 sub d EVRM verzoekt de moeder om een billijke schadevergoeding toe te kennen op grond van artikel 5 lid 5 EVRM, voor elke dag dat [belanghebbende] onrechtmatig in geslotenheid verkeerde. Voor wat betreft de hoogte van die schadevergoeding kan aansluiting worden gezocht bij de richtlijnen voor toekenning schadevergoeding vrijheidsbeneming in het kader van voorlopige hechtenis na vrijspraak, waarbij een vergoeding van € 100,- per dag de standaard is. De moeder verzoekt daarom ten laste van de Staat een schadevergoeding toe te kennen van 14 x € 100,- = € 1.400,-. De wettelijke basis om binnen deze verzoekschriftprocedure tot de toekenning van een schadevergoeding te komen is artikel 13 EVRM. Er ontbreekt een ‘effective remmedy’.
De advocaat van [belanghebbende] voert – samengevat – het volgende aan.
De advocaat van [belanghebbende] sluit zich volledig aan bij hetgeen de moeder in hoger beroep heeft aangevoerd. In aanvulling daarop merkt de advocaat van [belanghebbende] op dat [belanghebbende] ernstige kindeigen problematiek heeft. Dat maakt het lastig om voor haar een geschikte plek binnen een open setting te vinden. [belanghebbende] had echter opnieuw bij [naam groep 2] geplaatst kunnen worden. Ook de hele gang van zaken rondom de gesloten plaatsing van [belanghebbende] is schadelijk voor haar geweest. [belanghebbende] dacht dat zij naar een open plek zou gaan maar moest vervolgens van de gedragswetenschapper, in plaats van de GI, vernemen dat zij opnieuw gesloten geplaatst zou worden. Er is geen transparantie vanuit de GI. Dit heeft het vertrouwen van [belanghebbende] in de GI aangetast.
De motivering van de beslissing
Het hof overweegt het volgende.
Rechtmatigheidstoets
De Hoge Raad heeft in de beschikking van 9 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1112) overwogen dat indien de periode waarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing of ondertoezichtstelling is gegeven ten tijde van de uitspraak in hoger beroep is verstreken, het hof aan de hand van de aangevoerde grieven dient te beoordelen of de bestreden beslissing terecht is gegeven. Het gaat in dat geval om een rechtmatigheidstoets. Bij de bestreden beschikking van 13 mei 2025 heeft de rechtbank een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [belanghebbende] verleend in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de periode van 13 mei 2025 tot [geboortedag] 2025. Deze termijn is inmiddels verstreken.
Gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de door de rechtbank verleende spoedmachtiging om [belanghebbende] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te laten beoordelen.
Bij deze beoordeling dient het hof uit te gaan van de situatie ten tijde van de beslissing van de kinderrechter en van de gegevens waarover de kinderrechter beschikte, met inachtneming van het in hoger beroep gevoerde debat (zie HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:395).
Het wettelijk kader
Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 van de Jeugdwet (Jw) kan de rechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of:
-
er bij [belanghebbende] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en
-
de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [belanghebbende] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken;
-
er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 Jw bovendien slechts worden verleend indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt. Het hof oordeelt dat wordt voldaan aan het vereiste van artikel 6.1.2 lid 3 aanhef en sub a Jw.
Tot slot behoeft het verzoek op grond van artikel 6.1.2 lid 5 Jw de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die de minderjarige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. Uit de toelichting op artikel 6.2.1 lid 5 Jw volgt dat onder een gekwalificeerd gedragswetenschapper wordt verstaan degenen die in het kwaliteitsregister jeugd staan ingeschreven als gedragswetenschapper en de gezondheidszorgpsycholoog ingeschreven in het register, als bedoeld in artikel 3 Wet BIG. Uit de stukken blijkt dat de gedragswetenschapper een instemmingsverklaring heeft afgegeven. De gedragswetenschapper heeft op 13 mei 2025 [belanghebbende] onderzocht. Dit maakt dat aan de formele vereisten van artikel 6.1.2 lid 5 is voldaan.
De vraag die ter beoordeling aan het hof voorligt, is of in de periode van 13 mei 2025 tot [geboortedag] 2025 werd voldaan aan de (materiële) gronden voor een machtiging tot gesloten plaatsing van [belanghebbende] .
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
[belanghebbende] verbleef vanaf 31 maart 2025 – op grond van daartoe strekkende machtigingen – op de groep [naam groep] van de gesloten accommodatie voor jeugdhulp [naam groep 1] .
In de beschikking van 8 mei 2025 heeft de rechtbank vervolgens het resterende deel van het verzoek van de GI om [belanghebbende] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor de duur van twee maanden, derhalve tot 14 juli 2025, afgewezen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat hoewel er zorgen zijn over het gedrag van [belanghebbende] ook is gebleken dat zij bij [naam groep 2] kort voor haar gesloten plaatsing positieve stappen heeft gezet. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat aan [belanghebbende] de kans geboden moet worden om te laten zien dat zij dit ook kan volhouden en verder kan uitbreiden. De rechtbank heeft in genoemde beschikking van 8 mei 2025 tot slot overwogen dat, nu er geen machtiging tot een gesloten plaatsing wordt verleend voor de periode na 14 mei 2025, zij van de GI verwacht dat er zo spoedig mogelijk een concreet plan komt voor [belanghebbende] en dat de GI alles in het werk stelt om [belanghebbende] zo snel mogelijk op een open groep te plaatsen.
Uit het inleidend verzoekschrift van de GI van 13 mei 2025 en uit de inhoud van de verklaring van de gedragswetenschapper d.d. 14 mei 2025 begrijpt het hof echter dat het de GI in de periode van 8 mei 2025 tot 13 mei 2025 niet gelukt is om een voor [belanghebbende] geschikte plaats op een open groep te vinden. Zorgbemiddeling [locatie 2] was belast met het vinden van een open groep voor [belanghebbende] , maar heeft geconstateerd dat er geen passende opties beschikbaar waren. Uiteindelijk kwam men weer bij [naam groep 2] uit, waar [belanghebbende] eerder heeft verbleven. Tijdens die plaatsing bij [naam groep 2] heeft [belanghebbende] echter ernstig ontwrichtend en gevaarlijk gedrag vertoond zoals weglopen, winkeldiefstal, brandstichting, op het spoor gaan liggen, anderen aanzetten tot weglopen en verbaal geweld.
[naam groep 2] acht zich niet in staat om [belanghebbende] opnieuw op te nemen. Verder werd geconstateerd dat een terugplaatsing van [belanghebbende] bij de moeder op dat moment ook geen veilige optie was. De moeder heeft namelijk een instabiel verleden, zij heeft vastgezeten voor een geweldsdelict waar [belanghebbende] getuige van was en zij heeft in het verleden onvoldoende voor [belanghebbende] gezorgd.
De GI heeft vervolgens – vanwege de hiervoor genoemde situatie van [belanghebbende] – op 13 mei 2025, derhalve op de laatste dag van de op dat moment geldende machtiging voor opname en verblijf van [belanghebbende] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, bij de rechtbank opnieuw een verzoek ingediend om verlening van een gesloten machtiging, omdat binnen de openheid het onvoldoende gelukt was een passende plek voor [belanghebbende] te vinden en omdat de veiligheid en gezondheid van [belanghebbende] ernstig bedreigd werd wanneer zij geen onderdak heeft. [belanghebbende] verbleef op dat moment nog op de groep [naam groep] , een gesloten behandelgroep, waar zij inmiddels tot rust was gekomen, begeleiding ontving en duidelijkheid en structuur ervaarde. De continuering van de gesloten plaatsing bij [naam groep] groep van [naam 2] achtte de GI gelet op het voorgaande noodzakelijk. In het kader van de indiening van het nieuwe verzoek om een machtiging gesloten plaatsing heeft er een gesprek met de gedragswetenschapper op 13 mei 2025 plaatsgevonden. In dat gesprek heeft [belanghebbende] meerdere keren aangegeven dat zij opnieuw weg zal lopen vanuit een open groep en/of dat zij ervoor gaat zorgen dat anderen van die open groep weglopen. Ook vertoonde [belanghebbende] tijdens genoemd gesprek zorgelijk gedrag door grenzen aan te tasten en dit te blijven doen ondanks de duidelijkheid die zij van de gedragswetenschapper heeft gekregen.
Gelet op de korte tijdspanne tussen de afwijzing van het verzoek voor de resterende termijn van de gesloten machtiging en het nieuwe verzoek gesloten plaatsing van de GI, de wisselende wijze waarop het met [belanghebbende] ging (een positieve ontwikkeling bij [naam groep 2] , daarna een negatieve gedragsverandering toen de moeder uit detentie kwam, daarna weer een positieve ontwikkeling op de gesloten groep [naam groep] ), het onttrekkingsrisico dat zich opnieuw leek voor te doen (gelet op de uitlatingen van [belanghebbende] tegen de gedragswetenschapper) en het feit dat de GI geen passende open plek voor [belanghebbende] heeft kunnen vinden, is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht aan de GI een spoedmachtiging heeft verleend om [belanghebbende] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 13 mei 2025 tot [geboortedag] 2025. Gelet op genoemde feiten en omstandigheden waren er op dat moment geen voor [belanghebbende] passende minder ingrijpende mogelijkheden om de ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen van [belanghebbende] te behandelen en om te voorkomen dat [belanghebbende] zich aan deze jeugdhulp onttrok. Dat [belanghebbende] na [geboortedag] 2025 alsnog bij de moeder terug is geplaatst en dat dit op dit moment relatief goed lijkt te gaan, maakt dat niet anders.
Dat neemt niet weg dat het hof het zeer kwalijk vindt dat de GI en Zorgbemiddeling [locatie 2] niet in staat geweest zijn [belanghebbende] in de periode van 8 mei 2025 tot 13 mei 2025 duidelijkheid te geven over de vervolgplek waar zij geplaatst zou worden. Omdat het resterende deel van het verzoek van de GI om [belanghebbende] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie door de rechtbank was afgewezen, hadden zij met spoed een plaatsing op een geschikte open groep voor [belanghebbende] moeten regelen en [belanghebbende] daarop moeten voorbereiden. Ook acht het hof het zeer kwalijk dat [belanghebbende] van de gedragswetenschapper, en niet van de GI, heeft moeten vernemen dat een verzoek tot verlenging van de gesloten plaatsing zou worden gedaan. Dit komt het vertrouwen van [belanghebbende] in de hulpverlening niet ten goede. Dat is des te kwalijker bij een kwetsbare jongere als [belanghebbende] . Op die manier wordt bij [belanghebbende] veel onzekerheid gecreëerd waardoor het onttrekkingsrisico aan de jeugdhulp alleen maar toeneemt.
Nu [belanghebbende] in de periode van 13 mei 2025 tot [geboortedag] 2025 niet ten onrechte gesloten geplaatst heeft gezeten, is de toekenning van de door de moeder verzochte schadevergoeding niet aan de orde. Van een schending van het EVRM is geen sprake.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof beslist als hierna onder 4 vermeld.
4 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, uitgesproken op 13 mei 2025 en op schrift gesteld op 14 mei 2025;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, E.M.C. Dumoulin en S.P.A. Wensink-Vergunst en is in het openbaar uitgesproken door mr. E.M.C. Dumoulin op 13 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.