GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 23 oktober 2025
Zaaknummer: 200.352.453/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/393801 / FA RK 23-2357
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S.M. Wolff,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.J. Lauwen.
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] .
Hierna te noemen: [minderjarige 1] respectievelijk [minderjarige 2] of gezamenlijk de tweeling.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Oost- Brabant , locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost- Brabant van 10 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 maart 2025;
- het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 april 2025;
- de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 27 november 2023 en 26 november 2024.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
-
de moeder, bijgestaan door mr. Wolff;
-
de vader, bijgestaan door mr. Lauwen;
-
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
3 De feiten
Partijen zijn geregistreerd partner geweest. De beschikking van de rechtbank tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen van 14 december 2023 is op
14 juni 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Partijen zijn de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de tweeling uit.
De tweeling is chronisch ziek, zij hebben de nieraandoening nefrogene diabetes
insipidus. Dit is een zeldzame ziekte waarbij de nieren onvoldoende water vasthouden en uitdroging snel dreigt. In verband hiermee staat de tweeling onder meer onder medische behandeling bij het ziekenhuis.
De ouders wonen sinds 29 oktober 2022 gescheiden van elkaar. De moeder is toen met de tweeling bij haar ouders in [plaats 1] gaan wonen. Daarna gold er een door partijen (via mediation) overeengekomen voorlopige zorgregeling. De tweeling verbleef de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder.
In de voornoemde beschikking van 14 december 2023 heeft de rechtbank bepaald dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (voorlopig) als volgt zal zijn:
- de tweeling verblijft de ene week (week 1) van zondag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur bij de vader en de andere week (week 2) van zondag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur bij de moeder.
Ten aanzien van het hoofdverblijf heeft de rechtbank bepaald dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] (voorlopig) bij de vader zal zijn en het hoofdverblijf van [minderjarige 1] (voorlopig) bij de moeder en dat de kinderen worden ingeschreven bij de ouder waar zij hun hoofdverblijf hebben.
De rechtbank heeft de verdere behandeling en de definitieve beslissing over het hoofdverblijf en de zorgregeling vanaf het moment dat de tweeling naar de basisschool gaat aangehouden in afwachting van het door de rechtbank gevraagde raadsonderzoek ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling.
De moeder woont per medio januari 2024 in [woonplaats] met haar nieuwe partner. Zij is in [maand] 2024 bevallen van haar dochter [minderjarige 3] . De vader woont nog in [woonplaats] .
Procedure in eerste aanleg
Beide partijen hebben de rechtbank verzocht om het hoofdverblijf bij hem/haar vast te stellen en een regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover van belang, de (definitieve) hoofdverblijfplaats van de tweeling bij de vader bepaald en bepaald dat [minderjarige 1] bij de vader wordt ingeschreven en [minderjarige 2] bij de vader ingeschreven blijft.
Verder heeft de rechtbank met ingang van 6 januari 2025 de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zoals bij de beschikking van 14 december 2023 is bepaald, gewijzigd en een zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende één weekend in de veertien dagen bij de moeder verblijven
van vrijdagmiddag 17:00 uur tot zondagavond 17:00 uur, waarbij de vader
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] op vrijdag naar de moeder brengt en de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op
zondag naar de vader brengt.
4 De omvang van het geschil
De moeder kan zich met de voornoemde beschikking van 10 december 2024 niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de bepaling van het hoofdverblijf van de tweeling bij de vader en de definitieve bepaling / wijziging van de zorgregeling en verzoekt de hoofdverblijfplaats van de tweeling bij haar vast te stellen en - uitsluitend indien de hoofdverblijfplaats van de tweeling bij de vader in stand wordt gelaten - een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat de tweeling telkens drie opvolgende weekenden bij haar verblijft van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur en één weekeinde bij de vader.
De vader voert verweer. Hij verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen. Kosten rechtens.
5 De beoordeling
Hoofdverblijf
De moeder voert in het beroepschrift en aangevuld ter mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. Zij is het niet eens met de beslissing van de rechtbank dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader moet worden bepaald. Deze beslissing kwam voor de moeder als een grote schok. De moeder acht zichzelf beter in staat de dagelijkse zorg - inclusief de extra opvoedingsbehoeftes - aan de tweeling te bieden. Zij komt, beter dan de vader, tegemoet aan hun behoeften. De moeder is het dan ook niet eens met de overweging van de rechtbank dat het geen verschil maakt voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij welke ouder zij hun hoofdverblijf hebben. Zij was tijdens de relatie van partijen de hoofdopvoeder van de kinderen en het eerste anderhalf jaar heeft zij vrijwel alle taken wat betreft de verzorging en opvoeding alleen gedaan. De tweeling is sterk aan haar gehecht. Dit maakt dat de tweeling ook nu nog zonder problemen en zeer vrolijk met de moeder meegaat bij de overdracht van de vader naar haar en andersom de overdracht naar de vader toe met veel gehuil en emoties gepaard gaat.
Daarnaast neemt de rechtbank te makkelijk aan dat de vader zodanig veranderd zou zijn door emotieregulatietherapie en door interventie van [instantie 1] dat dit kennelijk voldoende waarborg zou zijn in verband met het door de moeder ervaren agressieve gedrag van de vader. Er is in het gezin langdurig toezicht geweest vanuit Veilig Thuis vanwege meerdere meldingen en incidenten. Ook als de vader nu hulp inroept bij de moeder vanwege problemen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en haar interventie (op afstand) niet helpt, verwijt hij dit haar alsnog. De vader kampte in het verleden met suïcidale gedachten en had last van sombere episodes. Daarbij komt dat hij het diagnostisch rapport van [instantie 2] niet wilde delen met de raad. De raad verbindt hieraan ten onrechte geen consequenties. De vader heeft de diagnose autisme. Autisme kenmerkt zich - in het algemeen - door minder sociale intuïtie, behoefte aan één op één contact en moeite met veranderingen. Deze kenmerken maken de opvoeding van de tweeling voor de vader lastig, temeer nu hij de opvoeding voornamelijk alleen doet en hij geen netwerk heeft. De vader loopt regelmatig vast in de opvoeding en belt de moeder één keer per week op momenten dat de tweeling niet wil luisteren of niet wil eten. De vader geeft bovendien aan overbelast te zijn, weinig tijd te hebben en financieel onder druk te staan. Een gevolg hiervan is dat hij de oefeningen van de logopedie niet altijd dagelijks met [minderjarige 2] kan doen.
In de situatie bij de vader zit de tweeling veel dagen en tot laat op (buitenschoolse) opvang. Dit maakt dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] vaak moe zijn tijdens de belmomenten met de moeder en zij merkt dat het bij de vader op die momenten ontbreekt aan sensitiviteit. Daarbij komt dat het contact met de vader niet optimaal is en de moeder ervaart dat zij teveel aan de zijlijn staat en er bepaalde dingen niet met haar worden besproken.
Daar staat tegenover dat de moeder met haar nieuwe partner en [minderjarige 3] een gezin vormt, over voldoende financiële mogelijkheden beschikt en voldoende tijd kan besteden aan de tweeling. Ook kan zij zich voor hulp tot een groot netwerk wenden.
Verder stelt de rechtbank ten onrechte dat het moeders taak en verantwoordelijkheid is om in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te proberen haar leven in de omgeving van [woonplaats vader] op te bouwen en dat het belang van een gelukkige moeder minder zwaar heeft te wegen dan het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij voortzetting van een co- ouderschapsregeling.
De moeder benadrukt dat de vaststelling dat de woonplaats van ouders ver uit elkaar ligt zonder veroordeling van de ene ouder of de andere ouder de basis dient te zijn en van daaruit gekeken moet worden welke ouder het meest tegemoet komt aan de behoeften van de kinderen. Volgens de moeder lijkt het dat het niet terug willen verhuizen naar [regio] door de moeder de kapstok is voor de beslissing om de tweeling hoofdverblijfplaats bij de vader te laten hebben, terwijl er van worteling van de tweeling op de ene of de andere woonplek nog geen sprake is.
De moeder benoemt dat voor haar de directe aanleiding om te verhuizen de agressie van de vader jegens haar was. Ook speelde een rol dat zij niet heeft kunnen aarden in de omgeving van [woonplaats vader] en zij zich daar erg ongelukkig voelde. Zij heeft het wel geprobeerd maar zij kan niet gelukkig worden in [regio] . Voor haar is dit een fundamentele voorwaarde voor haar welbevinden waardoor zij een goede moeder kan zijn. De moeder voelt zich nu hiervoor gestraft terwijl dit voor haar niet als een keuze voelt en al helemaal niet als het laten voorgaan van haar eigen belang boven dat van de tweeling. Zij voert aan dat ook de vader verantwoordelijkheid kan nemen en kan onderzoeken of hij kan verhuizen naar de omgeving van de moeder zodat co-ouderschap mogelijk blijft. Bovendien is er een periode geweest waarin de ouders gezamenlijk het co-ouderschap uitvoerden en de vader aangaf eventueel te willen verhuizen naar de omgeving van de ouders van de moeder en een combinatie van thuiswerken en op zijn werk na te streven.
Tot slot voert de moeder aan dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat de situatie van de vader wezenlijk anders is dan die van de moeder. Het wezenlijk anders zijn van de situatie wordt immers beargumenteerd vanuit de in het verleden genomen gezamenlijke beslissing van ouders om in de omgeving van [regio] het gezin te vormen. Deze beslissing is een onjuiste beslissing gebleken. De vader heeft ook erkend dat de moeder niet op haar plek was in [regio] . De onwenselijke gevolgen van een onjuiste beslissing beperken of wegnemen is ten opzichte van de tweeling dan ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid van ouders.
De vader voert in zijn verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. Beide ouders zijn liefhebbende ouders die het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] vooropzetten. De raad heeft een gedegen onderzoek gedaan bij zowel de vader als de moeder en is tot de conclusie gekomen dat het geen verschil maakt voor de ontwikkeling van de kinderen, bij welke ouder zij hun hoofdverblijf hebben. De rechtbank nam deze conclusie terecht over.
Het eerste jaar van de tweeling was zwaar. Er was sprake van een lange periode van ziekenhuisopnames van de tweeling en de daarbij behorende stress heeft bij de vader geleid tot sombere periodes en suïcidale gedachtes. Er waren ook problemen en ruzies tussen de ouders en het ging het niet goed met de vader. Gedurende deze periode, medio 2021, besloten de ouders om uit elkaar te gaan. De vader erkent de klachten van somberheid en hij heeft in december 2021 hulp gezocht via de huisarts. De behandeling door zijn psycholoog (start medio september 2022) is in oktober 2023 positief afgesloten.
Na de scheiding van de ouders is het beter gegaan met de vader. Hij kwam tot rust en kreeg
vertrouwen in zijn vaderrol. Waar de vader, kort na de scheiding met moeder, er tegenop zag om alleen voor de tweeling te moeten zorgen en te gaan werken is dat goed verlopen.
De vader zocht daarvoor ook hulp bij [instantie 1] . Hij is goed in staat om voor de tweeling te zorgen. Zijn autisme heeft hierop geen negatieve invloed. Het gaat goed met de vader, hij wordt omringd door familieleden en vrienden die hem ondersteunen in de opvoeding van de kinderen. De vader ontkent dat hij nauwelijks een sociaal netwerk heeft. Hij doet wekelijks een beroep op zijn ouders wat betreft het oppassen en het brengen naar en halen van de opvang. Ook heeft hij goed contact met de ouders van een paar klasgenoten van [minderjarige 1] . De vader erkent dat hij de moeder heeft gebeld op momenten dat [minderjarige 1] niet wilde eten. Dit was echter maar een paar keer en had te maken met de overgang naar school. De vader ontkent overbelast te zijn, weinig tijd te hebben en financieel onder druk te staan. Hij doet dagelijks met [minderjarige 2] de oefeningen van de logopedie.
[minderjarige 1] ontwikkelt zich inmiddels goed op school. Hij gaat ook naar de BSO. De tweeling staan ingeschreven voor zwemles. [minderjarige 2] gaat nog niet naar school. Hij gaat sinds februari 2025 naar de gespecialiseerde opvang. Op 12 april 2025 heeft vader het ontwikkelings-perspectief van [minderjarige 2] van kindcentrum [kindcentrum] ontvangen. Hieruit blijken geen bijzonderheden. Inmiddels is duidelijk dat [minderjarige 2] , zeer waarschijnlijk, na de herfstvakantie 2025 mag starten op het reguliere onderwijs. Hij heeft een goede ontwikkeling doorgemaakt op de gespecialiseerde opvang en heeft met hulp goede stappen gemaakt.
De vader meent dat het voor de moeder wel mogelijk is (geweest) om haar leven in [woonplaats vader] op te bouwen maar dat zij ervoor heeft gekozen om haar leven elders op te bouwen. Volgens de vader ging de moeder ervan uit dat de tweeling bij haar het hoofdverblijf zou krijgen en deed zij daarom geen moeite om haar leven in [woonplaats vader] op te bouwen.
De vader ontkent en betwist dat hij zou willen verhuizen. Dit is voor hem, gelet op zijn werk, geen optie. Zijn werkgever stelt zich erg coulant op met betrekking tot de werktijden en de hoeveelheid uren die hij per week kan werken. Zijn werk is gericht op de omgeving rond [plaats 2] . Een verhuizing zou betekenen dat de vader ander werk moet gaan zoeken, waarbij het onwaarschijnlijk is dat hij een baan kan vinden, tegen hetzelfde hoge salaris, met dezelfde vrijheid en flexibiliteit.
Het staat vast dat de vader zijn rol als meest verzorgende ouder van de kinderen op een goede en liefdevolle manier invult en op een verantwoorde wijze samenwerkt met kinderdagverblijf, school en hulpverleners. De vader ziet geen reden dat het in het belang van de tweeling is om het hoofdverblijf bij de moeder te bepalen. Zij hebben al geruime tijd hun hoofdverblijf bij hem en zij ontwikkelen zich goed. Kinderen van vier jaar hebben in de opvoedsituatie rust, regelmaat en veiligheid nodig en de vader acht het niet in het hun belang hier wijziging(en) in aan te brengen. De stelling van de moeder dat de tweeling haar mist en grote moeite hebben met afscheid nemen na een bezoek aan haar, is begrijpelijk maar op zichzelf beschouwd onvoldoende reden om het hoofdverblijf te wijzigen. Hij vindt het vervelend dat de moeder zich gestraft voelt. Er wordt volgens de vader terecht gekeken naar het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het advies in eerste aanleg gehandhaafd.
Ten aanzien van het hoofdverblijf overweegt het hof als volgt.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Uit de processtukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het hof het volgende gebleken. De ouders hebben, na het einde van hun relatie, in onderling overleg de zorg voor de tweeling verdeeld waarbij er sprake was van een 50-50 verdeling.
Ondanks de afstand tussen de woonplaatsen van de ouders verliep deze regeling - waarbij de tweeling de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader verbleef goed. Zoals ook volgt uit het raadsonderzoek van 14 maart 2024 zijn zowel de moeder als de vader een liefhebbende ouder die het belang van de tweeling voorop zet. Uit het onderzoeksplan van de raad (pagina 7 van het genoemde raadonderzoek) volgt ook dat zij van elkaar erkennen dat zij een goede moeder en vader voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn en geven zij allebei aan geen zorgen te hebben wanneer de tweeling bij de andere ouder is.
De raad heeft geconcludeerd dat een co-ouderschap het beste aansluit bij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
Bij het ouder worden van de kinderen is deze co-ouderschapsregeling echter praktisch niet meer uitvoerbaar gelet op de genoemde fysieke afstand tussen de woonplaatsen van de ouders. Er moet dan ook een keuze worden gemaakt waar de tweeling het hoofdverblijf heeft. Het lukt de ouders niet om hier samen uit te komen. Zij staan wat dat betreft lijnrecht tegenover elkaar.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en waardering overneemt en tot de zijne maakt, acht het hof het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wenselijk dat zij het hoofdverblijf bij de vader hebben.
Het hof voegt daaraan nog het volgende toe.
Het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staat voorop. Duidelijk is dat de tweeling een moeizame start heeft gehad in verband met hun chronische ziekte. Deze ziekte vraagt een nauwkeurige afstemming tussen betrokken ziekenhuizen en de betrokken hulpverlening. Op dit moment kunnen zij in feite alles wat kinderen van hun leeftijd kunnen.
Inmiddels zijn er ongeveer negen maanden verstreken na de beschikking van de rechtbank en leven de ouders deze beschikking na. De tweeling ontwikkelt zich goed. [minderjarige 1] is iets verder in zijn ontwikkeling dan [minderjarige 2] en gaat inmiddels naar groep 1 en verblijft na schooltijd op een buitenschoolse opvang (BSO). De overgang naar school is goed verlopen. [minderjarige 2] is in februari 2025 begonnen bij een gespecialiseerde opvang. Hij heeft hier een goede vooruitgang laten zien. Het kindcentrum [kindcentrum] ziet geen bijzonderheden inzake zijn ontwikkelingsperspectief en de kans is groot dat [minderjarige 2] medio oktober 2025 ook op de school van [minderjarige 1] mag starten.
De tweeling heeft relatief veel meegemaakt in hun jonge leven, zowel op medisch gebied als in de opvoedsituatie.
De tweeling is nu gewend aan het ritme in de huidige gezinssituatie bij de vader. [minderjarige 1] gaat daar naar school en [minderjarige 2] naar de (gespecialiseerde) opvang. Ook is de hulpverlening rondom de tweeling op het hoofdverblijf bij de vader afgestemd. De vader heeft de dagelijkse zorg voor de tweeling, hij heeft afspraken met zijn werkgever over zijn werktijden zodat hij de zorg voor de tweeling en zijn werk goed kan verdelen. Waar nodig heeft hij heeft hulp van zijn ouders ingeschakeld. De vader zorgt ervoor dat de belmomenten tussen de moeder en de tweeling plaatsvinden alsook de zorgregeling met de moeder. Zo begrijpt het hof dat de vader (na overleg met de moeder) regelmatig de tweeling al eerder op de vrijdag naar haar toebrengt. De overdrachten verlopen over het algemeen goed, al kan de tweeling wel verdrietig zijn bij het afscheid van de moeder. De vader benoemt dat dit logisch is en dat dit meestal na vijf tot tien minuten voorbij is. Verder begrijpt het hof dat de vader openstaat voor extra videobelmomenten tussen de moeder en de tweeling door de week. Dat de vader vanwege zijn autisme een nadelige invloed op de kinderen zou hebben, zoals de moeder aangeeft, is niet dan wel onvoldoende gebleken. Feit is dat de moeder door naar de omgeving van [plaats 3] te verhuizen de voortzetting van de goed lopende co-ouderschapsregeling onmogelijk heeft gemaakt, terwijl co-ouderschap het meest in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt geacht. Voor haar keuze wordt de moeder niet gestraft, zoals zij dat ervaart, maar zij draagt wel de verantwoordelijkheid voor haar keuze. Dat de moeder in redelijkheid geen andere keuze had kunnen maken is onvoldoende onderbouwd.
Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is om hun thans uit hun vertrouwde omgeving te halen en hun huidige verblijfplaats te veranderen.
Zorgregeling
De moeder wenst dat, in het geval het hoofdverblijf van de tweeling bij de vader in hoger beroep gehandhaafd blijft, de tweeling van elke vier weekenden drie weekenden bij haar verblijft van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur en één weekeinde bij de vader.
De moeder accepteert de verdeling van de vakanties en feestdagen.
De vader voert verweer en wijst op het gevaar dat door een wijziging in de huidige zorgregeling tussen de moeder en de tweeling de ingezette positieve ontwikkeling van de tweeling in gevaar komt.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het advies in eerste aanleg gehandhaafd.
Ten aanzien van de zorgregeling overweegt het hof als volgt.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.
In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Niet in geschil is tussen partijen dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, aangezien de hoofdverblijfplaats van de tweeling bij de vader is vastgesteld.
De moeder wijzigt in hoger beroep het door haar in eerste aanleg gedane verzoek voor wat betreft de weekendregeling. Het valt haar en de tweeling zwaar om zo vaak van elkaar gescheiden te zijn. Zij benoemt dat er in de praktijk maar één volle dag per veertien dagen sprake is van een zekere onbekommerdheid. De zondag staat vaak de hele dag in het teken van het vertrek naar de vader. De tweeling wil dan niet weg. Daar komt bij dat de tweeling weg is van hun zusje [minderjarige 3] en het van belang is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook een band met haar kunnen ontwikkelen.
Het hof acht het niet in het belang van de tweeling om de zorgregeling aan te passen conform het verzoek van de moeder. De wens van de moeder is begrijpelijk maar zal voor een onevenredige belasting van de tweeling zorgen. De voorgestelde wijziging zal onvermijdelijk leiden tot een toename van het aantal wisselingen en de daarbij komende relatief lange reistijd. Het hof acht dit, mede gelet op de jonge leeftijd van de tweeling en hun aandoening, niet in hun belang. Bovendien dient de tweeling ook bij de vader de relatieve rust en ontspanning te ervaren die het weekend met zich brengt. Het hof zal de bestreden beschikking ook op dit punt bekrachtigen.
Het hof geeft de ouders mee dat zij, zoals zij reeds al eerder hebben gedaan, in onderling overleg afspraken kunnen maken om bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een studiedag een weekend bij de moeder met die dag te verlengen of samen afspraken te maken over een langer verblijf bij de moeder gedurende een vakantie of tijdens de feestdagen.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
Proceskosten
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen geregistreerd partner zijn.
6 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost- Brabant van 10 december 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, J.C.E. Ackermans-Wijn, M. Jonker en is op 23 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.