GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 9 oktober 2025
Zaaknummer: 200.351.949/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/392927/FA RK 23-1946
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. W. Kolmans,
tegen
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. T.E. Baak.
Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2019.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort: deze zaak gaat over de vraag of de vader gezamenlijk met de moeder met het gezag over [minderjarige] belast moet blijven, over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en over de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] .
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 3 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift van 27 februari 2025, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de vader verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de verzoeken van de vader alsnog worden toegewezen (naar het hof begrijpt: ten aanzien van de verzoeken van de vader in eerste aanleg met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en de omgangsregeling) en dat de verzoeken van de moeder alsnog worden afgewezen (naar het hof begrijpt: ten aanzien van de verzoeken van de moeder in eerste aanleg met betrekking tot het gezag, de hoofdverblijfplaats en de omgangsregeling).
De GI heeft een verweerschrift ingediend op 17 april 2025 en het hof verzocht de verzoeken in hoger beroep van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is in juni 2025 beëindigd, zodat de GI niet langer meer is betrokken en niet voor de mondelinge behandeling is uitgenodigd.
De moeder heeft op 29 april 2025 een verweerschrift, met bijlagen, ingediend. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof haar petitum gewijzigd, zodat dit thans als volgt luidt:
De moeder verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vader in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem die verzoeken te ontzeggen als zijnde ongegrond dan wel onbewezen, onder bekrachtiging c.q. aanvulling van de bestreden beschikking,
In incidenteel hoger beroep:
II. de bestreden beschikking voor wat betreft de vastgelegde omgangsregeling onder 7.2 te wijzigen c.q. aan te vullen c.q. te vernietigen en opnieuw rechtdoende de volgende omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] te bepalen:
- zolang de moeder in Nederland verblijft, is de vader gerechtigd tot (door een professionele
instantie) begeleid contact met [minderjarige] gedurende twee uur per week op een doordeweekse dag;
- zolang de moeder buiten Nederland verblijft, zoals zij nu in Tsjechië doet, is de vader gerechtigd tot één door een professionele instantie begeleid videobelmoment per week waarbij in beginsel het uitgangspunt is dat deze videobelmomenten 30 minuten bedragen, voor zover de professionele begeleidende instantie dit kan uitvoeren, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht, kosten rechtens.
De vader heeft op 16 juni 2025 een verweerschrift ingediend tegen de verzoeken van de moeder in incidenteel hoger beroep en het hof verzocht deze verzoeken van de moeder af te wijzen.
Het hof heeft verder kennis genomen van:
- het V8-formulier van de advocaat van de vader, van 13 maart 2025, met bijlagen;
- de door de advocaat van de moeder op 15 mei 2025 overgelegde usb-stick, waarvan akte van depot is verleend;
- het V6-formulier van 27 juni 2025 van de advocaat van de moeder, met bijlagen;
- het V6-formulier van 15 augustus 2025, van de advocaat van de vader, met bijlagen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en voor wie als tolk heeft opgetreden
K. Lemmen (tolknummer 2481);
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] .
3 De beoordeling
Uit de in januari 2022 verbroken relatie tussen de moeder en de vader is geboren de hiervoor genoemde [minderjarige] .
De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders oefenden tot aan de bestreden beschikking gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder. [minderjarige] en de moeder verblijven sinds december 2024 in Tsjechië.
[minderjarige] heeft onder toezicht gesteld gestaan van de GI over de periode 28 juni 2023 tot
28 juni 2025.
De vader heeft de Nederlandse nationaliteit. [minderjarige] heeft de Nederlandse nationaliteit. De moeder heeft de Tsjechische nationaliteit.
Bij beschikking van 21 juni 2023 heeft de rechtbank bij wege van voorlopige voorziening bepaald dat de vader gedurende het geding recht heeft op een door
een professionele instantie, zoals bijvoorbeeld [instantie 1] , begeleid contact met [minderjarige]
gedurende één dagdeel per week. Verder heeft de rechtbank de raad verzocht onderzoek te doen naar de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] en daarover te rapporteren en adviseren.
De vader heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld, waarna dit hof bij beschikking van 11 januari 2024 de beschikking van 21 juni 2023 heeft bekrachtigd.
Bij vonnis van 17 augustus 2023 heeft de voorzieningenrechter de vader op straffe van een dwangsom verboden om contact te hebben met de moeder en, kort gezegd, in de buurt te komen van de moeder tot en met 28 juni 2024.
Verder heeft de voorzieningenrechter de moeder vervangende toestemming verleend om met [minderjarige] naar [plaats 1] (Frankrijk) te reizen van 2 september 2023 tot en met 16 september 2023. Ook werd het de vader verboden om zich gedurende die vakantie binnen een straal van
8 kilometer rondom het vakantieadres van de moeder zich te begeven.
Bij vonnis in kort geding van 15 november 2023 heeft de voorzieningenrechter de
moeder vervangende toestemming verleend om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [basisschool]
in [plaats 2] en zijn de grenzen van het contactverbod in het kader van de
ondertoezichtstelling verduidelijkt.
Bij beschikking van 27 maart 2024 heeft de rechtbank de verdere behandeling van de zaak in eerste aanleg aangehouden tot 23 augustus 2024 pro forma in afwachting van het verloop van het raadsonderzoek ten aanzien van het gezag, de hoofdverblijfplaats en de omgangsregeling. Daarnaast is een voorlopige begeleide contactregeling vastgesteld tussen de vader en [minderjarige] .
Bij vonnis in kort geding van 30 mei 2024 heeft de voorzieningenrechter aan de moeder vervangende toestemming verleend om met [minderjarige] vakantie te vieren bij haar familie in Tsjechië van 4 juni 2024 tot en met 23 juni 2024.
Bij beschikking van 19 juni 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard een beslissing te nemen over het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen.
Bij de bestreden beschikking van 3 december 2024 heeft de rechtbank:
- het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigd en bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan aan de moeder alleen toekomt;
- een omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en [minderjarige] inhoudende dat de vader gerechtigd is tot het hebben van door een professionele instantie begeleid contact met [minderjarige] gedurende twee uur per week op een doordeweekse dag;
- bepaald dat de GI de regie heeft over deze contacten van de vader met [minderjarige] tijdens de vakanties en feestdagen, met dien verstande dat zolang de omgang begeleid is, vakanties niet gecompenseerd hoeven te worden.
De overige verzoeken zijn afgewezen, waaronder het verzoek tot het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] .
De vader kan zich met deze beslissing ten aanzien van het gezag, de hoofdverblijfplaats en de omgangsregeling niet verenigen en is in hoger beroep gekomen.
De moeder is ten aanzien van de omgangsregeling in incidenteel hoger beroep gekomen.
De bevoegdheid en het toepasselijk recht
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 7 Brussel II-ter Verordening bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken, omdat [minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek in eerste aanleg (op 11 mei 2023) zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
Het Nederlands recht is van toepassing op grond van artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
Het gezag
De vader voert, samengevat, het volgende aan. De vader wil gezamenlijk met de moeder het gezag over [minderjarige] blijven uitoefenen. De moeder maakt misbruik van het gezag doordat zij direct nadat de rechtbank in eerste aanleg de beslissing heeft genomen ten aanzien van het eenhoofdig gezag met [minderjarige] naar het buitenland is vertrokken. [minderjarige] is hierdoor uit zijn vertrouwde omgeving gehaald en de moeder frustreert het recht van de vader op omgang met [minderjarige] . De vader heeft sindsdien niets meer vernomen van de moeder en [minderjarige] . De vader wil met de moeder een traject aangaan om de onderlinge communicatie te herstellen. De vader vindt het namelijk belangrijk dat de ouders op een goede manier kunnen overleggen over [minderjarige] . De moeder nam eerder ook allerlei beslissingen zonder met de vader te overleggen, zoals bijvoorbeeld over de schoolkeuze voor [minderjarige] .
De moeder voert, samengevat, het volgende aan. De vader heeft het hof niet volledig geïnformeerd over hetgeen er is voorgevallen tussen vader en de moeder, ten gevolge waarvan de vader een gebieds- en contactverbod heeft gekregen en de moeder een AWARE-knop kreeg. De vader legt alles buiten zichzelf. Het feit dat de moeder met [minderjarige] naar Tsjechië heeft moeten vertrekken door toedoen van de vader, is hiervoor exemplarisch. De noodzaak voor de moeder om te moeten vertrekken naar het buitenland wordt door de vader miskend en is het gevolg van de onveiligheid voor de moeder en [minderjarige] die door de vader is gecreëerd. De moeder heeft aangifte gedaan van bedreiging en stalking door de vader. Daar komt bij dat de vader zorgelijke, voor een kind van deze leeftijd ongepaste en dreigende, spraakberichten stuurt naar de telefoon van de moeder, die volgens de vader bedoeld zouden zijn voor [minderjarige] . Van de moeder kan niet meer verwacht worden dat zij met de vader een hulpverleningstraject ingaat om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. De situatie is sinds de bestreden beschikking alleen maar erger geworden. Gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen is daarom in verband met de veiligheid van [minderjarige] en van de moeder niet mogelijk. De moeder doet een beroep op het Verdrag van Istanbul.
De GI voert, samengevat, het volgende aan. De GI staat achter de beslissing van de rechtbank om de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten. Het is de GI en de betrokken hulpverlening niet gelukt om invloed uit te oefenen op de ingenomen standpunten van de vader, die niet altijd als zijnde in het belang van [minderjarige] gezien kunnen worden. De moeder heeft veel pogingen ondernomen om met de vader op een constructieve manier te overleggen over [minderjarige] . De bedreigingen van de vader richting de moeder waren voor de moeder van dien aard dat zij zich genoodzaakt voelde naar het buitenland te vertrekken. De moeder was toen al in het bezit van een AWARE-knop.
De bedreigingen van de vader zijn in aantallen en heftigheid toegenomen sinds de moeder in Tsjechië is. De moeder heeft gedurende haar verblijf in Tsjechië steeds contact gehouden met de GI en houdt zich aan de gemaakte afspraken over het twee keer in de maand informeren van de vader over de ontwikkeling van [minderjarige] . Ook blijft de moeder bereid om te overleggen over een vorm van contact tussen de vader en [minderjarige] , ondanks de situatie waarin zij nu verkeert. De GI heeft de moeder niet verplicht om terug te keren naar Nederland zodat de GI uitvoering kan geven aan de maatregel, omdat de vader geen gehoor geeft aan de voorwaarden die de politie in het stopgesprek van januari 2025 heeft gesteld.
De raad voert, samengevat, het volgende aan. De raad staat achter de beslissing van de rechtbank waarin de moeder met het eenhoofdig gezag is belast. Het lukt de ouders, ondanks de hulpverlening die er is geweest, niet om een basis te creëren waarbinnen afspraken over de opvoeding kunnen worden gemaakt. De moeder heeft diverse procedures moeten starten om vervangende toestemming te krijgen, omdat de toestemming van de vader uitbleef. De raad betrekt bij het advies ook de inhoud van de door de vader aan de moeder gestuurde geluidsfragmenten die voor [minderjarige] zijn bestemd. Deze berichten zijn zeer belastend voor zowel [minderjarige] als de moeder. Uit deze berichten blijkt niet dat de vader het pedagogisch inzicht heeft om aan te kunnen sluiten bij [minderjarige] , gelet op wat de vader aan [minderjarige] door wil geven.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat de moeder en de vader sinds 28 oktober 2019 gezamenlijk het gezag uitoefenden over [minderjarige] . Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Het hof is, net als de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, van oordeel dat het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigd dient te worden en dat de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] belast dient te worden. Het hof voegt daar het volgende aan toe.
Sinds de ouders in oktober 2019 gezamenlijk het gezag over [minderjarige] zijn gaan uitoefenen, zijn de omstandigheden tussen de ouders aanzienlijk gewijzigd. Dit zal hierna worden toegelicht. Dit betekent dat de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag.
Gebleken is dat er al lange tijd zorgen zijn over de opvoedsituatie van [minderjarige] en dat de communicatie tussen de ouders al geruime tijd niet goed verloopt. Uit het raadsrapport van
1 augustus 2024 blijkt dat de vader is gediagnosticeerd met het syndroom van Asperger, dat de vader in zijn eigen visie nauwelijks te corrigeren is, dat hij zich dwingend opstelt en zijn eigen aandeel niet kan inzien en dat hij daardoor alle verantwoordelijkheid voor zijn eigen handelen bij de moeder en de betrokken instanties legt.
De moeder heeft afgelopen jaren meerdere keren vervangende toestemming aan de rechtbank moeten verzoeken vanwege de uitblijvende toestemming van de vader. Zo heeft de moeder van de rechtbank vervangende toestemming gekregen om met [minderjarige] op vakantie naar Frankrijk te gaan (vonnis van 17 augustus 2023), [minderjarige] in te kunnen schrijven op een basisschool in [plaats 2] (vonnis van 15 november 2023) en op vakantie te mogen naar de familie van de moeder in Tsjechië (vonnis van 30 mei 2024).
Gelet op hetgeen er tussen de vader en de moeder is voorgevallen heeft de voorzieningenrechter bij voornoemd vonnis van 17 augustus 2023 het de vader verboden zich tot en met 28 juni 2024 te begeven in een straal van 1 kilometer rondom het woonhuis van de moeder in [plaats 2] en zich tijdens de vakantie van de moeder in Frankrijk te begeven in een straal van 8 kilometer rondom het vakantiehuis van de moeder en [minderjarige] . Daarnaast is het de vader tot en met 28 juni 2024 verboden om contact op welke wijze dan ook met de moeder te zoeken en om de moeder te (doen) volgen of (doen) schaduwen, alles op straffe van een dwangsom.
De voorzieningenrechter heeft in dit vonnis van 17 augustus 2023, onder meer, het volgende overwogen:
rechtsoverweging 4.2 van het vonnis van 17 augustus 2023:
“Vast staat dat de door de vrouw overgelegde Whatsappberichten afkomstig zijn van
de man. De man voert aan dat deze berichten niet als dreigend en onrechtmatig kunnen
worden aangemerkt, gelet op de context waarin de berichten zijn verstuurd. De man heeft
uitgelegd wat de context van de relatie was en dat hij uit onmacht over de situatie de
berichten heeft verstuurd. De voorzieningenrechter zien daarin geen rechtvaardiging voor de
dwingende manier waarop de man voortdurend contact met de vrouw blijft zoeken. In de
periode van 21 juni tot en met 28 juni 2023 alleen al heeft de man ruim 350 berichten
verzonden. In de berichten staan verwijten, dreigementen, ultimatums en herhaaldelijke
verzoeken om over de toekomst van [minderjarige] te praten. (…)
Het verzenden van zoveel berichten binnen een zeer korte tijdsspanne is, vanwege de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, onrechtmatig. Of daarbij bedreigingen in strafrechtelijke zin zijn geuit, doet niet terzake. De conclusie is dat voldoende aannemelijk is dat de man onrechtmatig handelt jegens de vrouw.” (…)
rechtsoverweging 4.4 van het vonnis van 17 augustus 2023:
“De man voert weliswaar aan dat hij met een legitieme reden slechts twee keer in de buurt
van de woning van de vrouw en het kinderdagverblijf is geweest en het verzenden van het
bericht ‘goodnight finally’ op het moment dat de vrouw het licht uitdoet om 01:45 uur
’s nachts op toeval berust, maar de voorzieningenrechter wil zoveel toevalligheid niet
aannemen.” (…)
In de periode daarna is de situatie niet verbeterd. De moeder heeft medio november 2024 een AWARE-knop gekregen en zij heeft op 10 december 2024 aangifte van bedreiging gedaan tegen de vader vanwege (de inhoud van) de vele berichten die zij van de vader heeft gekregen over de periode tussen 5 december 2024 en 10 december 2024. De moeder heeft de aangifte overgelegd, alsmede afschriften van de berichten die de vader aan de moeder heeft gestuurd. De moeder is hierna in overleg met en op advies van de betrokken instanties (politie, GI, Veilig Thuis en school) een week eerder dan de geplande kerstvakantie met [minderjarige] naar Tsjechië vertrokken.
Sinds het verblijf van de moeder met [minderjarige] in Tsjechië medio december 2024 zijn er opnieuw door de vader diverse berichten naar de telefoon van de moeder gestuurd. Het hof licht hier de volgende berichten uit:
-
“(…)Nothing personal, but this isn’t over until one of us is dead”
-
“My gift will come later. Enjoy your last normal birthday”.
-
“Would you like me to explain why going to jail to stop what you’re doing permanently is becoming a valid option for me? (…)
-
“You don’t have enough bones in your body to break even”
De moeder heeft op 29 januari 2025 aangifte tegen de vader gedaan van stalking.
Het hof heeft verder van de moeder 17 audio-berichten ontvangen. Deze audio-berichten zijn door de vader naar de telefoon van de moeder gestuurd en zijn gericht aan [minderjarige] . De moeder heeft aangegeven de inhoud van deze berichten weg te hebben gehouden van [minderjarige] en dat dit voor de moeder betekent dat zij op dit moment niet terug naar Nederland kan, omdat de vader zich nu ook tegen [minderjarige] richt. Net als de raad heeft het hof zorgen over de inhoud van de berichten die de vader aan [minderjarige] over heeft willen brengen. Het hof licht hier de volgende berichten uit:
Transcriptie van het audio-fragment op 9 januari 2025:
“Hé, [minderjarige] , goedenavond. Ik hoop dat jij een hele leuke tijd heb in Tsjechië. Nou moet ik er helaas wel bij zeggen. De politie is op zoek naar jou, vriendje, want ze zijn allemaal heel bezorgd waar jij bent.” (….)
Transcriptie van het audio-fragment op 20 februari 2025:
“Hi, [minderjarige] , goeiemorgen vriendje. Ik wil even zeggen dat mama waarschijnlijk binnenkort naar de gevangenis gaat dus doe maar heel veel genieten van jouw tijd met mama samen zorg d’r maar voor dat het allemaal heel leuk is. (…)”
Transcriptie van het audio-fragment op 6 maart 2025:
“Hallo, lieve [minderjarige] . Hallo vriendje. Ik hoop dat het heel goed gaat met jou, ondanks alles. Ik wil jou vast even erop attent maken dat er binnenkort een hele hoop gaat veranderen en er gaat een hele hoop gebeuren. En ik wilde dat jij graag een beetje rekening gaat houden met dat er een hoop gaat veranderen en dat het waarschijnlijk een beetje spannend gaat worden. (…)”.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof erkend dat de gedragsaanwijzing die de vader in het kader van de strafrechtelijke procedure opgelegd heeft gekregen loopt tot 10 oktober 2025 en dat hij in die periode geen contact mag opnemen met de moeder. Verder heeft de vader aangegeven dat hij – achteraf – het versturen van de vele berichten betreurt. De berichten zijn volgens de vader niet bedreigend bedoeld en als dat wel zo over is gekomen hij daar geen controle over heeft. De vader voelt zich ongehoord aan de kant gezet.
Het hof stelt vast dat de vader niet heeft ontkracht dat hij de berichten waarvan de moeder een afschrift heeft overgelegd aan het hof naar de moeder heeft gestuurd. Anders dan de vader heeft betoogd, ziet het hof bovendien niet dat dit alles ziet op slechts een korte fase waarin de vader dit deed. Uit voornoemde opsomming blijkt dat dit alles al lange tijd (jaren) aan de gang is. Ook ziet het hof niet in dat het op de weg van de moeder had gelegen om de vader te blokkeren op haar telefoon, om te voorkomen dat de berichten van de vader bij de moeder zouden kunnen aankomen, zoals de vader tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft aangegeven.
Gebleken is dat de moeder afgelopen jaren diverse keren hulp heeft gezocht, omdat zij grote zorgen had over de veiligheid van [minderjarige] en haarzelf. Er zijn verschillende vormen van hulpverlening ingezet, maar deze hebben niet tot verbetering van de situatie geleid. Het hof betrekt bij de beoordeling dat de GI heeft aangegeven dat het de GI lopende de ondertoezichtstelling over de periode van 28 juni 2023 tot 28 juni 2025 en de betrokken hulpverlening ( [instantie 2] , begeleide omgang via het [instantie 3], [instantie 4], de politie, de wijkagent, school en Veilig Thuis) niet is gelukt om invloed uit te oefenen op (de ingenomen standpunten van) de vader. De ingezette hulp, het contactverbod en de aanwijzingen vanuit politie en justitie hebben niet het resultaat gehad dat de vader zich tot een andere manier is gaan verhouden tot de moeder.
De moeder is sinds haar vertrek naar Tsjechië steeds in overleg gebleven met de betrokken hulpverlenende instanties. Zij informeert de vader bovendien met regelmaat over het welzijn van [minderjarige] en geeft er blijk van open te staan voor een vorm van contact tussen de vader en [minderjarige] . Er is, anders dan de vader stelt, geen sprake van misbruik van het gezag door de moeder. De vader lijkt bovendien, gelet op zijn betoog, niet in te zien wat dit alles en met name de uit de vele berichten blijkende onverkort voortdurende (be)dreigingen vanuit de vader voor de moeder en vooral voor [minderjarige] moet betekenen.
Gelet op dit alles kan van de moeder niet meer verwacht worden dat zij met de vader dient te overleggen over de belangrijke beslissingen die voor [minderjarige] genomen moeten worden. Het is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de moeder de nodige beslissingen voor [minderjarige] voortvarend kan nemen zonder dat zij daarvoor nog afhankelijk is van de toestemming van de vader, nu gebleken is dat dit afgelopen jaren zeer moeizaam is verlopen en zij zich meerdere keren tot de rechtbank heeft moeten wenden. Dit zal er naar verwachting vanwege het verblijf van de moeder in het buitenland niet eenvoudiger op worden. De houding van de vader en zijn voortdurende stroom van berichten met een (be)dreigende inhoud hebben als vanzelfsprekend grote invloed op de gemoedstoestand van de moeder en daarmee uiteraard ook op de gemoedstoestand van [minderjarige] , nu de moeder voor hem de hoofdverzorger is en het nodig is dat zij voor hem stabiel en beschikbaar blijft.
In het belang van [minderjarige] moet er nu rust komen. Handhaving van het gezamenlijk gezag zou betekenen dat [minderjarige] klem en verloren blijft zitten tussen de ouders, zoals hij nu al jarenlang heeft gezeten. Zoals de raad heeft beschreven in voornoemd raadsrapport betekent beëindiging van het gezag van de vader over [minderjarige] niet dat de problemen tussen de ouders hiermee zijn opgelost, maar het biedt wel meer mogelijkheden voor de moeder om de noodzakelijke beslissingen ten aanzien van de ontwikkeling van [minderjarige] te kunnen nemen. Dat is nu nodig en in dit geval in lijn met de bepalingen van het Verdrag van Istanbul, waar de moeder een beroep op heeft gedaan. Hoewel in de Nederlandse wetgeving op het gebied van gezag (en omgang) niet expliciet is genoemd dat (de dreiging van) geweld tegen vrouwen / mannen of huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, wijst het hof in dit verband naar artikel 3 aanhef en sub a van het Verdrag van Istanbul1, waar als ‘geweld tegen vrouwen’, wordt omschreven: “alle vormen van gendergerelateerd geweld die leiden of waarschijnlijk zullen leiden tot fysiek, seksueel of psychologisch letsel of leed of economische schade voor vrouwen, met inbegrip van bedreiging met dit soort geweld, dwang of willekeurige vrijheidsberoving, ongeacht of dit in het openbaar of in de privésfeer geschiedt.” Artikel 31 van het Verdrag van Istanbul bepaalt dat de partijen de wetgevende of andere maatregelen nemen die nodig zijn om te waarborgen dat de uitvoering van een omgangsregeling of het gezag niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen.
Voor het hof betekent het voorgaande dat mede-gezag van de vader in strijd is met de uitgangspunten van het Verdrag van Instanbul en in strijd is met de rechten en belangen van de moeder en [minderjarige] . Het dwingen van de moeder tot overleg met de vader over beslissingen die van belang zijn voor [minderjarige] is hiermee onverenigbaar. Ook zonder dat de vader strafrechtelijk is of wordt veroordeeld voor de gebeurtenissen zoals hiervoor beschreven, komt het hof tot deze conclusie, gelet op voormelde geschiedenis tussen partijen.
Gelet op al hetgeen er is ingezet aan hulpverlening en de duur van de situatie waarin [minderjarige] verkeert, verwacht het hof niet meer dat dit binnen afzienbare tijd voldoende tot verbetering kan komen. Het hof acht beëindiging van het gezag van de vader gelet op wat er hiervoor is overwogen ook anderszins in het belang van [minderjarige] . Hiermee is voldaan aan de (facultatieve) wettelijke criteria van artikel 1:253n BW.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing over het gezag zal bekrachtigen en het verzoek van de vader in hoger beroep hierover zal afwijzen.
Aangezien de moeder met het eenhoofdig gezag belast wordt over [minderjarige] komt het hof niet toe aan de beoordeling van het verzoek van de vader de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen. Dit verzoek zal om die reden worden afgewezen.
De omgangsregeling
De vader voert, samengevat, het volgende aan. De vader wil geen begeleide omgang meer. Dat is ook niet nodig. Eerder verliep de begeleide omgang rommelig, omdat er geen vast schema was. Dit was lastig met het werk van de vader. Gelijkwaardig ouderschap moet het uitgangspunt zijn en de vader verzoekt daarom een week-om-week regeling. De vakanties en feestdagen moeten worden verdeeld.
De moeder voert, samengevat, het volgende aan. Begeleiding van de omgang is nodig, dat blijkt ook uit verslagen van het [instantie 3] en het rapport van de raad. De gedragingen van de vader in de afgelopen periode en de ingesproken spraakberichten bevestigen dit. Als de moeder in Nederland verblijft dan kan de omgang plaatsvinden onder begeleiding van een professionele instantie. In de periode dat de moeder in het buitenland is kan de vader met [minderjarige] videobellen, mits dit begeleid wordt door een professionele instantie.
De raad voert, samengevat, het volgende aan. Vanwege de belastende geluidsfragmenten die de vader heeft gestuurd is begeleiding van de omgang nodig, zowel als de omgang fysiek is als tijdens het beeldbellen.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a lid 2 BW heeft de niet met het gezag
belaste ouder recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechter heeft daarbij
wel de bevoegdheid om al dan niet voor bepaalde tijd een regeling inzake de uitoefening
van het omgangsrecht vast te stellen dan wel het recht op omgang voor bepaalde of
onbepaalde tijd te ontzeggen.
Het hof zal het verzoek van de moeder in incidenteel hoger beroep ten aanzien van de omgangsregeling toewijzen voor wat betreft de huidige situatie dat de moeder met [minderjarige] in het buitenland verblijft. Het hof zal het meer of anders verzochte afwijzen, omdat dit ziet op een onzekere mogelijk toekomstige situatie en daarop gelet op de veiligheid van de moeder en van [minderjarige] niet vooruit kan worden gelopen. Gelet op de wijze waarop de vader zich tot de moeder en [minderjarige] verhoudt zal het videobelcontact tussen de vader en [minderjarige] begeleid door een professionele instantie moeten plaatsvinden. Dit is in lijn met hetgeen bepaald is in artikel 31 van het Verdrag van Istanbul, omdat daarmee de rechten en de veiligheid van [minderjarige] en de moeder tijdens de contacten gewaarborgd worden. Het hof betrekt daarbij dat de moeder op de mondelinge behandeling het hof om hulp heeft gevraagd om de veiligheid van [minderjarige] en haarzelf te beschermen.
Zolang de moeder buiten Nederland verblijft, zoals zij nu in Tsjechië doet, is de vader aldus gerechtigd tot één door een professionele instantie begeleid videobelmoment per week van in beginsel 30 minuten, voor zover de professionele begeleidende instantie dit kan uitvoeren. Daarbij geldt bovendien dat de professionele begeleiding aanwezig dient te zijn bij de vader, en niet bij [minderjarige] / de moeder. Het is immers de vader die begeleid dient te worden ter voorko-ming van het overbrengen van belastende boodschappen naar [minderjarige] . Het hof gaat er daarbij vanuit dat de vader het initiatief zal nemen om een professionele begeleidende instantie te zoeken.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de omgangsregeling zal vernietigen en de omgangsregeling deels opnieuw vast zal stellen.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, gelet op de aard van de procedure en aangezien partijen een relatie met elkaar hebben gehad.
4 De beslissing
Het hof:
op het principaal en incidenteel appel:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van
3 december 2024 voor zover aan het oordeel van het hof, doch uitsluitend ten aanzien van de omgangsregeling;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
stelt tussen vader en [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2019 de volgende omgangsregeling vast:
de vader en [minderjarige] zijn gerechtigd tot omgang met elkaar:
- zolang de moeder buiten Nederland verblijft: gedurende één door een professionele instantie begeleid videobelmoment per week van in beginsel 30 minuten, voor zover de begeleidende professionele instantie dit kan uitvoeren en waarbij de professionele begeleiding aanwezig dient te zijn bij de vader;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen doch uitsluitend ten aanzien van de beslissing over het gezag en de hoofdverblijfplaats;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, E.J.M. van Engelen en
K.A. Boshouwers en is op 9 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.