ECLI:NL:GHDHA:2026:2875

Datum uitspraak
24-06-2026
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
BK-25/494
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

BPM. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het taxatierapport van belanghebbende niet kan dienen. Historische nieuwprijs. Gelet op het geringe verschil in CO2-uitstoot is het aannemelijk dat het referentievoertuig vergelijkbaar is met de auto van belanghebbende. Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. De Inspecteur onderbouwt niet voldoende waarom het referentievoertuig ondanks het verschil in CO2-uitstoot niet vergelijkbaar zou zijn. Belanghebbende maakt schade aan een scherm ten tijde van de aangifte niet aannemelijk en maakt ook niet aannemelijk dat met aftrek ter zake van het schadeverleden van de auto rekening dient te worden gehouden.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/494

Uitspraak van 24 juni 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 mei 2025, nummer SGR 23/7437.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 11.781 (de naheffingsaanslag).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 289. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 19 januari 2023 aangifte bpm gedaan ter zake van een Volkswagen Touran 1.5 TSI Highline 7p (de auto). De auto betreft echter een Volkswagen Sharan. De datum van eerste toelating van de auto is 23 december 2021.

2.2.

In de aangifte bpm is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] . Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 50.096 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 27.253 (koerslijst XRAY). Met inachtneming van een waardevermindering wegens ‘een gangbare marge bij importvoertuigen en een redelijk deel van de reparatiekosten’ (de schade is bepaald op € 20.683,39, de totale aftrek bedraagt € 20.833) is de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 6.420. De fysieke opname heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 8 januari 2023. Het taxatierapport vermeldt een kilometerstand van 7.265. Het taxatierapport is gedagtekend 13 januari 2023.

2.3.

Het voertuig is in Duitsland gekocht op 20 oktober 2022 voor een bedrag van netto € 22.000 met de volgende vermelding op de factuur: ‘Mit Heckschaden - wie besichtigt’.

2.4.

De RDW heeft de auto gekeurd op 25 januari 2023. De kilometerstand bedroeg toen 7.206.

2.5.

Er heeft een hertaxatie plaatsgevonden door Domein Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport van 9 februari 2023 vermeldt een historische nieuwprijs van € 62.529, een netto catalogusprijs van € 42.216, en een handelsinkoopwaarde van € 41.662 (koerslijst AutotelexPro (ATP)). DRZ heeft geen schade geconstateerd anders dan normale gebruiksschade en heeft geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen. In het DRZ-rapport is onder ‘bevindingen/opmerkingen’ (punt 6 van het rapport) het volgende opgenomen:

“Alle opgegeven schadeposities zijn niet aangetroffen of kunnen als gebruikersschade* worden aangemerkt. Hierdoor wordt er geen waardevermindering aan het voertuig toegekend.

*(Bij gebruikersschade is er rekening gehouden met de leeftijd en kilometerstand van het voertuig

(…)

Het aangegeven voertuig een Volkswagen Sharan 1.4 TSI automaat met 110kw is enkel in AutotelexPro te selecteren.”

2.6.

Belanghebbende heeft de volgens de aangifte verschuldigde bpm van € 2.904 voldaan.

2.7.

De Inspecteur heeft een naheffingsaanslag van € 11.781 opgelegd. De vaststelling van de waarde van de auto voor de berekening van de bpm is berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, omdat die gunstiger is voor belanghebbende dan op basis van de waardebepaling van DRZ.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“Waardevermindering wegens schade

11. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat zij met verweerder van oordeel is dat dit rapport van het bewijs dient te worden uitgesloten en dient te worden verworpen, vanwege diverse formele en materiële gebreken die aan het taxatierapport van eiser kleven, zoals door verweerder ook uitgebreid weergegeven in zijn verweerschrift. Naar het oordeel van de rechtbank dient eisers taxatierapport reeds te worden verworpen vanwege het feit dat de status van het voertuig zoals weergegeven in de aangifte Bpm niet de status was van het voertuig op dat moment; het voertuig is blijkens de foto’s van de RDW tussen het opname moment door de taxateur van eiser en voorafgaand aan de keuring bij de RDW en aangifte hersteld. Dit blijkt ook uit het rapport waardebepaling van DRZ. Daar komt bij dat de koerslijst in het taxatierapport niet kan dienen; dat betreft een koerslijst voor een Volkswagen Touran en niet een koerslijst voor een Volkswagen Sharan waarvan in werkelijkheid sprake is.

Verweerder wijst in dit verband terecht ook op de aankoopprijs van € 22.000, welke ook een belangrijk uitgangspunt is en waarin ook steun te vinden is voor de conclusie dat eisers taxatie onjuist en ondeugdelijk is. Dat zou immers betekenen dat eiser op basis het taxatierapport en de aangifte Bpm een bedrag van € 45.587 (aankoopbedrag + schadebedrag + betaalde Bpm, exclusief p.m.) heeft betaald voor een auto in beschadigde staat terwijl de taxateur aangeeft dat de auto maar € 6.420 (inclusief Btw en Bpm en schade) waard zou zijn.

12. Eiser kan zich dan ook niet op het taxatierapport beroepen ter ondersteuning van zijn stelling dat teveel Bpm is nageheven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee dus ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door verweerder is onderkend. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld.

Historische nieuwprijs

13. Bij registratie van gebruikte auto’s wordt de Bpm ingevolge artikel 10 van de Wet op de Bpm berekend met inachtneming van een vermindering. De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit – met inachtneming van bepaalde voorwaarden – kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling Bpm voorziene afschrijvingstabel (de afschrijvingstabel). De belastingplichtige die kiest voor één van die methodes dient, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk te maken die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast en (b) dat de toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waarde.

14. Eiser heeft gekozen voor aangifte met een taxatierapport. Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank terecht (zie hiervoor onder 11.), geconstateerd dat het bij de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Volgens het hiervoor onder 13. beschreven wettelijk systeem wordt de afschrijving van de auto dan bepaald aan de hand van de afschrijvingstabel. Dat heeft verweerder ook gedaan, aangezien dat de voor eiser meest gunstige uitkomst was. Alsdan is de historische nieuwprijs niet relevant voor de verschuldigde Bpm.

Verweerder heeft daarbij terecht en correct voor een auto zónder schade eerst gekeken naar de koerslijstwaarden (Eurotaxglass). Daarbij speelt de historische nieuwprijs van de import auto zelf echter geen enkele rol. Ook in zoverre treft eisers beroep dus geen grond.

Toepassing nieuwe forfaitaire afschrijvingstabel?

15. Eiser stelt dat in zijn geval de forfaitaire afschrijvingstabel geldend vanaf 1 juli 2023 dient te worden toegepast. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de vaststelling van de percentages van afschrijving als bedoeld in artikel 8, lid 5, van de Uitvoeringsregeling is voorbehouden aan de regelgever. De toepassing van de forfaitair berekende afschrijving mag echter niet in strijd komen met het in artikel 110 VWEU vervatte discriminatieverbod. Van strijd met artikel 110 VWEU is hier echter geen sprake. Op alle vóór 1 juli 2023 in Nederland geregistreerde vergelijkbare auto’s is – in voorkomende gevallen – de tabel toegepast die tot die tijd gold. Bovendien staat voor een belastingplichtige die meent dat de handelsinkoopwaarde van zijn auto beter met een koerslijst of een taxatierapport kan worden berekend en vastgesteld, ook die mogelijkheid open. Van discriminatie is dus geen sprake. De stelling van eiser komt er in de kern op neer dat hij verzoekt om een gunstiger behandeling dan die, die is toegepast op alle andere vóór die datum ingevoerde auto’s. Daarvoor bestaat geen aanleiding en artikel 110 VWEU noopt daar ook niet toe. Ook deze stelling van eiser faalt dus. Eiser komt geen beroep toe op afschrijving op basis van de nieuwe forfaitaire afschrijvingstabel.[2]

(…)

19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.

Immateriële schadevergoeding

20. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 22 mei 2023 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 18 oktober 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 20 mei 2025 gedaan. De redelijke termijn van twee jaar is dus nog niet verstreken, zodat ook geen recht bestaat op een isv.

Proceskosten

21. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

(…)

[2] Vgl Gerechtshof Den Haag 26 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1771.“

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is:

1. of de naheffingsaanslag tot de juiste hoogte is opgelegd,

2. op welk bedrag de historische nieuwprijs van de auto moet worden vastgesteld,

3. op welk bedrag de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat moet

worden vastgesteld,

4. of rekening moet worden gehouden met een waardevermindering wegens schade aan de auto en het schadeverleden van de auto, en

5. of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade in eerste aanleg wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4.2.

Belanghebbend concludeert tot:

- gegrondverklaring van het hoger beroep;

- vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank;

- vernietiging van de uitspraak op bezwaar;

- primair vermindering van de naheffingsaanslag tot € 7.324;

- subsidiair vermindering van de naheffingsaanslag tot € 9.736;

- meer subsidiair vermindering van de naheffingsaanslag tot € 9.902;

- veroordeling van de Staat tot een immateriëleschadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg; en

- veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

Geldigheid taxatierapport belanghebbende

5.1.

Belanghebbende heeft aangifte gedaan op basis van de taxatiemethode. De Inspecteur stelt dat het daaraan ten grondslag liggende taxatierapport niet kan dienen. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank met betrekking tot dit taxatierapport in rechtsoverweging 11 in haar uitspraak terecht heeft geoordeeld dat het niet kan dienen. Het Hof maakt deze rechtsoverweging tot de zijne. De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep ook verklaard in zoverre afstand te hebben gedaan van het taxatierapport van de kant van belanghebbende.

Historische nieuwprijs / netto catalogusprijs

5.2.1.

Belanghebbende stelt dat voor het bepalen van de afschrijving moet worden uitgegaan van de historische nieuwprijs van de auto zoals die ook is berekend door DRZ: € 42.216 (netto catalogusprijs) + € 8.865 (omzetbelasting) + € 22.670 (bruto bpm) = € 73.751 (historische nieuwprijs). Niet in geschil is dat de CO2-uitstoot van de auto 161 g/km NEDC bedraagt, conform het RDW Voertuigbeeld. De koerslijst ATP die door DRZ in aanmerking is genomen, gaat uit van een referentievoertuig met een CO2-uitstoot van 157 g/km NEDC. De Inspecteur stelt – naar het Hof begrijpt – dat de auto en het referentievoertuig in gelijke mate afschrijven en dat bij een eventuele aanpassing van de historische nieuwprijs ook rekening moet worden gehouden met het verschil in CO2-uitstoot. Het is volgens de Inspecteur aan belanghebbende om een koerslijst in het geding te brengen die uitgaat van een WLTP-uitstoot.

5.2.2.

Het Hof ziet dit anders. Merk, model, type, uitvoering en leeftijd van de auto komen overeen met die van het referentievoertuig (vgl. HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472). De volgens de NEDC-meetmethode vastgestelde CO2-uitstoot van het referentievoertuig wijkt slechts 4 g/km af van de CO2-uitstoot NEDC van de auto. Gelet op het geringe verschil in CO2-uitstoot is het naar het oordeel van het Hof aannemelijk dat het referentievoertuig vergelijkbaar is met de auto van belanghebbende. De koerslijst ATP kan dus dienen. De historische nieuwprijs van de auto bedraagt derhalve € 73.751.

Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat

5.3.1

De Inspecteur stelt dat niet kan worden vastgesteld dat een verschil in CO2-uitstoot niets doet met de koerslijstwaarde en ongetwijfeld invloed zal hebben op de handelsinkoopwaarde. Het verschil in CO2-uitstoot moet ergens vandaan komen, hetzij van opties, uitvoering, gewicht of motormanagement of een combinatie hiervan, aldus de Inspecteur.

5.3.2.

Deze stelling van de Inspecteur faalt naar het oordeel van het Hof, nu de Inspecteur met de enkele opmerking dat het verschil in CO2- uitstoot ergens vandaan moet komen, hetzij van opties, uitvoering, gewicht of motormanagement of een combinatie hiervan, niet voldoende onderbouwt waarom het referentievoertuig niet vergelijkbaar zou zijn. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat bedraagt derhalve € 41.662.

Schade

5.4.1.

Belanghebbende stelt, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur, dat met spuitkosten voor het scherm rechtsachter ten bedrage van € 537,50 rekening moet worden gehouden.

5.4.2.

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting wegens schade, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De taxateur van belanghebbende heeft geen spuitkosten in aanmerking genomen ter zake van het scherm en de beoordelaar van DRZ heeft geen schade (aan het scherm) in aanmerking genomen. Ook de foto’s bij het rapport van DRZ tonen geen scherm rechtsachter dat nog in de kleur van de auto moet worden gespoten. Belanghebbende heeft ter onderbouwing ook geen herstelfactuur overgelegd. Het Hof gaat dan ook ervan uit dat de gestelde schade niet aanwezig was ten tijde van de aangifte. Het enkele wijzen op een foto van de RDW onder opgave van de daaraan verbonden kosten, bepaald aan de hand van een zoekvraag in ChatGPT is, tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur, niet voldoende om schade aan het rechter achterscherm ten tijde van de aangifte aannemelijk te maken.

Schadeverleden/ex-schadecorrectie

5.5.

Belanghebbende stelt dat ter bepaling van de handelsinkoopwaarde rekening moet worden gehouden met een waardevermindering van € 7.847 wegens het schadeverleden van de auto. Belanghebbende verzoekt het Hof te bepalen wat wel een aannemelijk bedrag is, in het geval het Hof het bedrag in het rapport van belanghebbend niet aannemelijk acht.

Het betoog van belanghebbende faalt, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2. Belanghebbende heeft geen deskundigenonderzoek laten verrichten waaruit volgt dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbaar schadeverleden in Nederland was geregistreerd en wat de waarde verminderende invloed van het schadeverleden op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijk schadeverleden kenden. Belanghebbende heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat met enig bedrag aan aftrek ter zake van het schadeverleden van de auto rekening dient te worden gehouden. Het betoog van belanghebbende dat het taxatierapport in dit kader moet worden beschouwd als een deskundigenrapport, doet hieraan niet af.

Hoogte naheffingsaanslag

5.6.

Omdat niet sprake is van een waardevermindering wegens schade en niet sprake is van een waardevermindering wegens ex-schade, bedraagt de totaal verschuldigde bpm € 41.662/€ 73.751 x € 22.670 (bruto bpm) = (afgerond) € 12.806. Belanghebbende heeft op aangifte € 2.904 bpm betaald. De naheffingsaanslag moet worden vastgesteld op € 9.902.

Vergoeding van immateriële schade

5.7.1.

Belanghebbende stelt dat recht bestaat op een hogere vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de zaak in eerste aanleg. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 20 mei 2025, maar de Rechtbank heeft haar uitspraak pas bekendgemaakt op 23 mei 2025. Omdat het bezwaarschrift op 22 mei 2023 door de Inspecteur is ontvangen, moet een overschrijding met een half jaar in aanmerking worden genomen, aldus belanghebbende.

5.7.2.

In zijn overzichtsarrest in het kader van immateriëleschadevergoedingen wegens overschrijding van de redelijke termijn van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de in aanmerking te nemen termijn als regel begint te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat de belastingplichtige en de inspecteur verdeeld houdt. De in aanmerking te nemen termijn eindigt derhalve niet op het moment dat een rechtbank haar uitspraak bekendmaakt via verzending per post of plaatsing in het webportaal van de Rechtspraak. Dit zou ook een onwerkbare situatie opleveren, omdat een rechtbank bij het doen van uitspraak niet weet op welk moment de uitspraak wordt bekendgemaakt. Op grond van artikel 8:79, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de griffier van een rechtbank immers twee weken de tijd kosteloos een afschrift van (het proces-verbaal van) de (mondelinge) uitspraak ter beschikking van partijen te stellen.

5.7.3.

De Rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 29 april 2025 gesloten en meegedeeld dat op 20 mei 2025 uitspraak zal worden gedaan. Het stond (de gemachtigde van) belanghebbende vrij om op 20 mei 2025 telefonisch bij de Rechtbank te informeren naar de beslissing dan wel bij de in het openbaar gedane uitspraak aanwezig te zijn. Met de uitspraak is het geschil en daarmee de door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie ten einde gekomen.

Slotsom

5.8.

Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte (proces)kosten. Het Hof stelt de kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 3.736 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank en voor het Hof (4 punten à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)), € 1.332 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten à € 666 x 1 (gewicht van de zaak)), in totaal derhalve op € 5.068. In het licht van het gewicht van het geschilpunt waarop belanghebbende in het gelijk is gesteld, ziet het Hof aanleiding de vergoeding op grond van artikel 2, lid 2, Bpb met de helft te verminderen tot € 2.534. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

6.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 184, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 289 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

  • vernietigt de uitspraak op bezwaar,

  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 9.902,

  • veroordeelt de Inspecteur in de (proces)kosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.534, en

  • gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 184 aan griffierecht voor het beroep en een bedrag van € 289 aan griffierecht voor het hoger beroep te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, M.J.M. van der Weijden en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.

De griffier, de voorzitter,

L. van den Bogerd W. de Wit

De beslissing is op 24 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »