Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000382-26
Uitspraakdatum: 7 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 3 februari 2026 met parketnummer 08-259365-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 08-347503-24, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2007 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte, [verdachte] , heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 september 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast en gevorderd dat [verdachte] voor het tenlastegelegde (een mishandeling) zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 60 uren, en als die niet (naar behoren) wordt uitgevoerd, tot 30 dagen jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren. Verder vordert de advocaat-generaal dat de proeftijd van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf in verband de veroordeling van een ander strafbaar feit met één jaar verlengd wordt. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat [verdachte] en haar raadsvrouw, mr. K.M.S. Bal, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter in de rechtbank Overijssel heeft [verdachte] veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren. De politierechter heeft aan de voorwaardelijk opgelegde werkstraf bijzondere voorwaarden verbonden, te weten dat [verdachte] :
-
mee werkt aan het toezicht door de jeugdreclassering en zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak de jeugdreclassering dat nodig vindt, huisbezoeken inbegrepen;
-
verblijft gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de jeugdreclassering dat nodig vindt, bij [instelling] of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de jeugdreclassering. [verdachte] houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering opstelt;
-
zich inspant voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van een opleiding of werk met een vaste structuur.
-
zich ambulant laat begeleiden door [organisatie] en zich houdt aan de aanwijzingen en afspraken vanuit de ambulant begeleider, zo lang en voor zover de jeugdreclassering dit nodig acht.
Daarnaast heeft de politierechter de proeftijd van de haar eerder voorwaardelijk opgelegde straf met 1 jaar verlengd.
Het hof is van oordeel dat de politierechter ten aanzien van de bewezenverklaring (mishandeling) op juiste wijze en gronden heeft beslist. Het vonnis wordt in zoverre bevestigd. Ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging komt het hof tot een andere beslissing dan de politierechter, zodat het vonnis op die punten wordt vernietigd en het hof opnieuw recht doet.
Omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft [verdachte] vrijgesproken van wat haar onder feit 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door [verdachte] onbeperkt ingesteld en is daardoor dus ook gericht tegen de vrijspraak voor dit feit. [verdachte] kan op basis van de wet (art. 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)) tegen een vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof zal [verdachte] daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat tegen die vrijspraak is gericht. Dit betekent dat dit feit in hoger beroep niet meer aan de orde is.
Oplegging van de straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van [verdachte] , zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Jeugdstrafrecht
[verdachte] was ten tijde van het plegen van de mishandeling achttien jaar oud en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog geen 23 jaar oud is, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast. Dit kan als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of als de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd daartoe aanleiding geven.
De reclassering heeft in haar rapport van 28 januari 2026 geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. De reclassering weegt daarbij mee dat bij [verdachte] sprake is van een verstandelijke beperking, impulsief gedrag, onvermogen tot het organiseren van haar eigen leven, gevoeligheid voor negatieve beïnvloeding en het slecht inschatten van gevolgen en risico’s.
De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd geen jeugdstrafrecht toe te passen, gelet op de ontwikkeling die [verdachte] heeft doorgemaakt sinds het bewezenverklaarde feit. Het hof vindt dat [verdachte] zeker stappen heeft gezet richting volwassenheid, met name op het gebied van het organiseren van haar eigen leven. Toch oordeelt het hof dat het toepassen van het jeugdstrafrecht van belang is voor een zo gunstig mogelijk verdere ontwikkeling van [verdachte] . Het toepassen van het jeugdstrafrecht is in het verlengde daarvan ook in het belang van de maatschappij omdat het [verdachte] er in de toekomst van moet weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten. Het hof ziet ruimte voor het toepassen van het jeugdstrafrecht omdat er bij [verdachte] nog een zekere mate van pedagogische beïnvloeding mogelijk is en neemt het advies van de reclassering dus over
Ernst van het feit
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Zij heeft de bedrijfsleider van een uitgaansgelegenheid meerdere keren tegen zijn been geschopt. Met haar handelen heeft [verdachte] inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de bedrijfsleider en hem pijn gedaan. De mishandeling vond bovendien ’s nachts op straat plaats in een uitgaansgebied. Dat kan onrust, hinder en gevoelens van onveiligheid in de samenleving veroorzaken.
De persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
Het hof stelt vast dat op de zitting in hoger beroep is gebleken dat het momenteel veel beter gaat met [verdachte] . Ze heeft zelf werk geregeld en werkt inmiddels 40 uren per week in ploegendiensten in een fabriek waar zij inpakwerkzaamheden verricht. Ze heeft daar uitzicht op een vaste dienstbetrekking. Dit werk biedt [verdachte] structuur en een zinvolle dagbesteding. Verder woont [verdachte] in bij het gezin van een vriendin en zij staat daar ook ingeschreven. Er zijn geen zorgen over haar woonsituatie gebleken.
Het hof heeft verder gekeken naar het strafblad van [verdachte] (uitdraai van 25 augustus 2026). Daaruit volgt dat [verdachte] eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit (een belediging van een ambtenaar, die op haar strafblad ook als uitgaansgeweld is geclassificeerd). Terwijl zij het bewezenverklaarde feit pleegde liep zij zelfs nog in de proeftijd van die vorige veroordeling. Het is zorgelijk dat dit [verdachte] er niet van heeft weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen. Het hof stelt aan de andere kant ook vast dat [verdachte] na het plegen van het bewezenverklaarde feit niet meer met justitie in aanraking is gekomen.
Mediation
Tussen [verdachte] en het slachtoffer heeft voorafgaand aan de zitting bij de politierechter al mediation plaatsgevonden. De mediation is geslaagd, zo blijkt uit de slotovereenkomst van 28 januari 2026 die deel uitmaakt van het dossier. [verdachte] heeft (nogmaals) haar excuses aangeboden aan de bedrijfsleider van het café en heeft spijt betuigd van haar gedrag die avond. Hij heeft haar excuses aanvaard en begrip getoond voor haar situatie. Hiermee heeft [verdachte] laten zien dat ze verantwoordelijkheid neemt voor haar gedrag. Het hof houdt in strafverlagende zin rekening met het slagen van de mediation bij het bepalen van de straf.
Op te leggen straf
Het hof neemt ook de positieve ontwikkelingen in het leven van [verdachte] mee bij het bepalen van de straf. Het hof vindt op basis daarvan eigenlijk een voorwaardelijke werkstraf van 30 uren passend. Het hof zal echter vanwege geslaagde mediation, een voorwaardelijke werkstraf opleggen van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie.
Bijzondere voorwaarden
De politierechter legde aan [verdachte] ook een voorwaardelijke werkstraf op, met bijzondere voorwaarden. Het hoger beroep van [verdachte] is – zo blijkt uit de appèlschriftuur en op basis van wat besproken is op de zitting – vooral gericht tegen deze opgelegde bijzondere voorwaarden. [verdachte] heeft meerdere keren aangegeven dat zij vindt dat zij geen hulpverlening nodig heeft en dat zij ook niet zal meewerken wanneer haar toch hulpverlening wordt opgelegd. Aanvullend heeft haar raadsvrouw op de zitting toegelicht dat gedwongen hulpverlening – gelet op haar jeugdhulpverleden – juist averechts zal werken en [verdachte] inmiddels zelf haar zaken (wonen en werken) op orde heeft
Hoewel het hof denkt dat [verdachte] baat zou kunnen hebben bij verdere begeleiding naar volwassenheid en de verwerking van trauma’s uit het verleden, vindt het hof het onder deze omstandigheden niet in het belang van [verdachte] om haar op dit moment daartoe te dwingen. Aan de oplegging van het voorwaardelijke strafdeel zullen daarom, anders dan door de politierechter is beslist en door de reclassering geadviseerd, geen bijzondere voorwaarden worden verbonden. Het hof ziet daar gelet op de positieve ontwikkeling van [verdachte] ook geen noodzaak meer toe.
Dit betekent dat het hof een geheel voorwaardelijke werkstraf van 20 uren (subsidiair 10 dagen jeugddetentie) passend en noodzakelijk vindt met een proeftijd van 2 jaren. De tijd die [verdachte] eerder in voorarrest heeft doorgebracht wordt hiervan afgetrokken (1 dag, omgezet 2 uur). Concreet betekent dit dat als [verdachte] zich niet aan de algemene voorwaarden houdt, zij geen 20 maar, 18 uren moet gaan werken.
Vordering tot tenuitvoerlegging
In de zaak met parketnummer 08-347503-24 is [verdachte] op 1 april 2025 door de kinderrechter veroordeeld. Aan [verdachte] is toen een voorwaardelijke werkstraf opgelegd van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 1 jaar. De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke werkstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Het hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, omdat het onder de huidige omstandigheden niet passend wordt geacht dat [verdachte] de werkstraf alsnog moet gaan verrichten. Het verlengen van de proeftijd is niet mogelijk, nu die proeftijd inmiddels verstreken is.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover ingesteld tegen het onder feit 1 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissing op de voorwaardelijke veroordeling en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het parket Oost-Nederland van 27 oktober 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 1 april 2025, met parketnummer 08-347503-24, voorwaardelijk opgelegde werkstraf.
Bevestigt het vonnis voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. R. Godthelp, mr. H.J. Deuring en mr. J.A.M. Kwakman, in aanwezigheid van de griffier mr. E.M.M. Hendriks Vettehen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 7 oktober 2026.