ECLI:NL:GHARL:2026:5669

Datum uitspraak
02-09-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Strafrecht; Strafprocesrecht
Zaaknummer
21-000396-26
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Jeugdrecht. Openlijke geweldpleging tegen personen. Artikel 141 Sr. Bevestiging met aanvulling van gronden van het vonnis van de kinderrechter ten aanzien van de bewezenverklaring en de strafoplegging. Vernietiging ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen. Vorderingen van de benadeelde partijen, bestaande uit materiële en immateriële schade, hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof is van oordeel dat verdachte ten aanzien van beide benadeelde partijen geheel aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000396-26

Uitspraakdatum: 2 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 27 januari 2026 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-173599-25 en 18-325465-25, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres]

Hoger beroep

Verdachte (hierna: [verdachte] ) heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de kinderrechter.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Hij vraagt om het vonnis van de kinderrechter te bevestigen, met de aanvulling dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) nu van toepassing is. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. R.P. Snorn, en de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 1] , hebben aangevoerd.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De kinderrechter heeft bij vonnis van 27 januari 2026 [verdachte] ten aanzien van openlijke geweldpleging tegen [benadeelde 2] (het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18-173599-25) en ten aanzien van openlijke geweldpleging van [benadeelde 1] (het onder 1 primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18-325465-25) veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, bij niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 50 dagen jeugddetentie, waarvan 60 uren, bij niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 30 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof is van oordeel dat de kinderrechter op juiste gronden heeft beslist. Het hof zal het vonnis met aanvulling van gronden (een aanvullende strafoverweging) bevestigen behalve voor zover het gaat over de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] en die van de benadeelde partij [benadeelde 1] . In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Dat betekent dat de veroordeling door de kinderrechter voor beide openlijke geweldplegingen in stand blijft. Ook blijft de straf in stand. Dat betekent dat aan [verdachte] is opgelegd een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van 100 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Aanvullende strafoverweging

Uit het strafblad van [verdachte] van 21 juli 2026 volgt dat [verdachte] na het plegen van de openlijke geweldplegingen een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen voor overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Dit heeft tot gevolg dat artikel 63 Sr van toepassing is.

In theorie had die zaak tegelijk op een zitting behandeld kunnen worden met deze zaak. In dat geval was er één straf gekomen en was er bij het bepalen van de straf rekening gehouden met het feit dat er één straf zou zijn. Artikel 63 Sr bepaalt dat, ook als die zaken niet tegelijk berecht worden, maar dat wel had gekund, alsnog deze samenloopbepalingen moeten worden toegepast alsof sprake was van gelijktijdige berechting, gevoegde behandeling en één straf. In deze zaak heeft dit geen invloed op de door de kinderrechter opgelegde en door het hof bevestigde straf. Het hof volstaat daarom met de opmerking dat artikel 63 Sr van toepassing is.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij (hierna: [benadeelde 2] ) heeft een schadevergoeding gevraagd van in totaal € 1.745,00. Dit bedrag bestaat uit € 245,00 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade. De kinderrechter heeft dit bedrag volledig toegewezen.

Materiële schade

[benadeelde 2] vordert een bedrag van € 245,00 aan materiële schade vanwege een beschadigde jas en telefoon.

Het hof is van oordeel dat het kapotgaan van de jas en telefoon van [benadeelde 2] rechtstreeks verband houdt met het mede door [verdachte] gebruikte geweld tegen hem. [verdachte] heeft de materiële schade ook niet betwist. [verdachte] moet de schade ter hoogte van € 245,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de schade is ontstaan, vergoeden.

Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft een benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, als hij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

[benadeelde 2] heeft letsel, een wond op zijn achterhoofd en blauwe verkleuringen rond zijn ogen, opgelopen door de openlijke geweldpleging waar [verdachte] aan heeft deelgenomen. Zijn letsel was zodanig dat hij met een ambulance naar het ziekenhuis is vervoerd en er een CT-scan van zijn hoofd is gemaakt. [benadeelde 2] heeft anderhalve maand last gehad van duizeligheid, hoofdpijn, vermoeidheid en langzaam denken. Daarnaast heeft hij last gehad van angst en hyperventilatie. Met de genoemde omstandigheden is sprake van een wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het BW. De hoogte van de immateriële schade is niet betwist. Het hof acht de gevorderde immateriële schade van € 1.500,00 bovendien passend en zal de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de schade is ontstaan, toewijzen.

Hoofdelijkheid

[verdachte] heeft het geweld samen met anderen gepleegd en dit maakt dat (in civielrechtelijk opzicht) sprake is van groepsaansprakelijkheid.1 Bepaalde situaties, zoals ook in deze zaak, zijn zo onoverzichtelijk dat het vaststellen van wie precies wat heeft gedaan en welke schade door wie is veroorzaakt, lastig is. Voor het bepalen van de aansprakelijkheid in deze situaties bestaat de regeling van de groepsaansprakelijkheid. Het gevolg van deze regeling is dat iedere bij het groepsgeweld betrokken persoon hoofdelijk aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan geleden schade. Het slachtoffer kan dan alle daders voor het geheel aanspreken op de schade. Daardoor hoeft het slachtoffer niet zelf uit te zoeken welke schade door wie is ontstaan. De daders kunnen daarna onderling de kosten verdelen. Vanwege zijn bijdrage aan de openlijke geweldpleging is [verdachte] dus hoofdelijk aansprakelijk voor de door [benadeelde 2] geleden schade.

Dat [verdachte] (beduidend) minder aandeel heeft gehad in het geweld, omdat hij zich op enig moment zou hebben gedistantieerd, zoals de verdediging tijdens de zitting in hoger beroep heeft betoogd, leidt niet tot een ander oordeel ten aanzien van zijn aansprakelijkheid. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan vanwege de billijkheid een andere verdeling van de aansprakelijkheid worden vastgesteld. Het hof is van oordeel dat dit hier niet aan de orde is. Hoewel uit het dossier volgt dat [verdachte] eerder dan de medeverdachten is gestopt met het plegen van geweld tegen [benadeelde 2] , heeft hij hem wel geschopt en geslagen en zich samen met de anderen agressief opgesteld tegenover [benadeelde 2] . Daarmee heeft [verdachte] een belangrijk aandeel gehad in de openlijke geweldpleging waardoor [benadeelde 2] letsel heeft opgelopen. Het hof is daarom van oordeel dat hij geheel aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade. Hij moet dan zelf onderling met zijn mededaders bepalen wie welk deel daarvan draagt, maar [benadeelde 2] kan hem voor het geheel aanspreken. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.

Het hof zal gelet op het voorgaande bepalen dat wanneer de schadevergoeding (deels) door (een van) de mededader(s) is betaald, [verdachte] dit bedrag niet meer aan [benadeelde 2] hoeft te betalen, en andersom.

Proceskosten

Gelet op het vorenstaande dient [verdachte] , als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door [benadeelde 2] gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.2 Daardoor hoeft [benadeelde 2] niet zelf de schade op [verdachte] te verhalen, maar zal het CJIB die bij hem innen. Als door [verdachte] niet wordt betaald, zal deze verplichting, in verband met zijn leeftijd, niet worden aangevuld met gijzeling.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een causaal verband tussen de openlijke geweldpleging en de knieoperatie van de benadeelde partij (hierna: [benadeelde 1] ). [benadeelde 1] heeft eerder zijn knie uit de kom gehad en er heeft daarnaast een langere periode tussen de openlijke geweldpleging en de knieoperatie gezeten. Volgens de verdediging is het daarom niet goed te beoordelen of de operatie nodig was als gevolg van de openlijke geweldpleging. Gelet op het voorgaande is ook de omvang van de schade niet goed vast te stellen. Het uitzoeken daarvan is volgens de verdediging een onevenredige belasting van het strafgeding waardoor [benadeelde 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering.

Oordeel van het hof

[benadeelde 1] heeft een schadevergoeding gevraagd van € 1.750,00 aan immateriële schade. De kinderrechter heeft dit bedrag volledig toegewezen.

Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW heeft een benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, als hij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

[benadeelde 1] heeft letsel, een lichte hersenschudding, pijn aan zijn gezicht, knie uit de kom en een botbreuk in de knie op de plek waar de pees aanhecht aan het bot, opgelopen door de openlijke geweldpleging waar [verdachte] aan heeft deelgenomen. Zijn letsel was zodanig dat [benadeelde 1] uiteindelijk geopereerd moest worden aan zijn knie en een tijd in een rolstoel heeft gezeten. Daarnaast heeft [benadeelde 1] zich angstig, onveilig en sociaal buitengesloten gevoeld vanwege het opgelopen letsel. Hij kon door zijn knieletsel immers niet deelnemen aan verschillende schoolactiviteiten. Ook heeft hij hierdoor een ander vakkenpakket moeten kiezen, omdat hij fysiek niet in staat was om Lichamelijk Opvoeding als vak te volgen. Met de genoemde omstandigheden is sprake van een wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het BW.

Het standpunt van de verdediging, dat [benadeelde 1] in het verleden (tweemaal) eerder zijn knieschijf uit te kom heeft gehad en er een langere periode tussen de openlijke geweldpleging en de operatie heeft gezeten waardoor geen sprake is van een causaal verband, volgt het hof niet. Door de trap die tijdens de openlijke geweldpleging is gegeven, is zijn knie voor de derde keer uit de kom geraakt en is er bovendien een (subtiele) botbreuk ontstaan. [benadeelde 1] is vervolgens aan diezelfde knie geopereerd. Het hof twijfelt er niet aan dat deze operatie naar aanleiding van de openlijke geweldpleging is uitgevoerd. Het hof heeft bovendien geen reden om aan te nemen dat er in de periode tussen de openlijke geweldpleging en de operatie iets anders is gebeurd waardoor de knieoperatie van [benadeelde 1] noodzakelijk is geworden. Het dossier bevat hiertoe geen aanwijzingen. Deze schade is daarom het rechtstreekse gevolg van het geweld dat tegen [benadeelde 1] is uitgeoefend. Het verweer van de verdediging wordt gelet hierop verworpen.

De hoogte van de immateriële schade is, in het geval de causaliteit wel zou worden vastgesteld, niet betwist. Het hof acht de gevorderde immateriële schade van € 1.750,00 bovendien passend en zal de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de schade is ontstaan, toewijzen.

Hoofdelijkheid

[verdachte] heeft het geweld samen met anderen gepleegd en dit maakt dat (in civielrechtelijk opzicht) sprake is van groepsaansprakelijkheid.3 Het gevolg hiervan is dat iedere bij het groepsgeweld betrokken persoon hoofdelijk aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan geleden schade. Vanwege zijn bijdrage aan de openlijke geweldpleging is [verdachte] dus hoofdelijk aansprakelijk voor de door [benadeelde 1] geleden schade.

Het hof zal daarom bepalen dat wanneer de schadevergoeding (deels) door (een van) de mededader(s) is betaald, [verdachte] dit bedrag niet meer aan [benadeelde 1] hoeft te betalen, en andersom.

Proceskosten

Gelet op het vorenstaande dient [verdachte] , als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door [benadeelde 1] gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.4 Als door [verdachte] niet wordt betaald, zal deze verplichting, in verband met zijn leeftijd, niet worden aangevuld met gijzeling.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-173599-25 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.745,00 (duizend zevenhonderdvijfenveertig euro) bestaande uit € 245,00 (tweehonderdvijfenveertig euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-173599-25 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.745,00 (duizend zevenhonderdvijfenveertig euro) bestaande uit € 245,00 (tweehonderdvijfenveertig euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 februari 2025.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-325465-25 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-325465-25 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul)dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 juni 2025.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, mr. H.J. Deuring en mr. I. Augusteijn, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Kiemel en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 2 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »