ECLI:NL:GHARL:2026:6122

Datum uitspraak
23-09-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
21-004910-24
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verdachte bestuurde graafmachine terwijl hij voortdurend een aanzienlijke zichtbeperking had. Verdachte zag voetganger (slachtoffer) niet en reed haar aan, waardoor zij is overleden. De enkele omstandigheid van de zichtbeperking is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid. Vrijspraak art. 6 WVW. Juist vanwege de voortdurende zichtbeperking had verdachte zich er bewust van behoren te zijn dat medeweggebruikers aan zijn zicht onttrokken zouden kunnen zijn. Verdachte had zichzelf in de gelegenheid moeten stellen vast te stellen dat dit gevaar zich niet zou voordoen. Niet is gebleken dat verdachte daartoe (in voldoende mate) om de giek heen heeft gekeken. Veroordeling voor art. 5 WVW.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004910-24

Uitspraakdatum: 23 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 4 november 2024 met parketnummer 05-208877-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 september 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. P.M. Breukink, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft bewezenverklaard dat verdachte door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag schuld aan een verkeersongeval heeft in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waardoor een ander is overleden. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren opgelegd.

Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en de strafoplegging dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primairhij op of omstreeks 18 oktober 2023 te [plaats] , [gemeente] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig met beperkte snelheid, te weten een graafmachine met daarachter gekoppeld een aanhangwagen, daarmede rijdende over de weg, [plaats] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl hij een beginnend bestuurder was en/of terwijl door de stand van de giek en/of de knikarm(en) het zicht naar rechts vanuit de cabine tijdens het rijden ernstig werd beperkt, rijdend over de rijbaan van voornoemde weg en/of gekomen in/nabij een bocht naar rechts niet, althans niet voldoende op medeweggebruikers te letten en/of is blijven opletten en/of (daarbij) één of meerdere medeweggebruikers (voetganger(s)) welke zich aan de rechterzijde van voornoemde rijbaan bevonden en/of (daarbij) zich in dezelfde (rij)richting als verdachte begaven heeft willen passeren en/of in te halen en/of (daarbij) vanuit zijn rijrichting gezien niet, althans niet voldoende naar links uit te wijken, teneinde voornoemde medeweggebruikers veilig te kunnen passeren en/of inhalen en/of (daarbij) op/tegen de achterzijde van een medeweggebruiker is gereden en/of gebotst en/of (daarbij) (deels) over voornoemde medeweggebruiker is heengereden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.

subsidiairhij op of omstreeks 18 oktober 2023 te [plaats] , [gemeente] als bestuurder van een voertuig (een graafmachine met daarachter gekoppeld een aanhangwagen), daarmee rijdende op de weg, [plaats] , en/of gekomen in/nabij een bocht naar rechts niet, althans niet voldoende op medeweggebruikers heeft gelet en/of is blijven opletten en/of (daarbij) één of meerdere medeweggebruikers (voetganger(s)) welke zich aan de rechterzijde van voornoemde rijbaan bevonden en/of (daarbij) zich in dezelfde (rij)richting als verdachte begaven heeft willen passeren en/of inhalen en/of (daarbij) vanuit zijn rijrichting gezien niet, althans niet voldoende naar links is uitgeweken, teneinde voornoemde medeweggebruikers veilig te kunnen passeren en/of in te halen en/of (daarbij) op/tegen de achterzijde van een medeweggebruiker is gereden en/of gebotst en/of (daarbij) (deels) over voornoemde medeweggebruiker is heengereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging 1

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat het rijgedrag van verdachte is aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich samengevat op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken, omdat onvoldoende wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. De raadsvrouw heeft daarbij aangevoerd dat er voor een bewezenverklaring van het primiar tenlastegelegde meer is vereist dan de vaststelling dat een bestuurder een verkeersdeelnemer niet heeft gezien. Verdachte heeft alle voor de situatie vereiste zorgvuldigheids- en oplettendheidseisen in acht heeft genomen. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat geen concrete gevaarzettende gedraging van verdachte kan worden vastgesteld, zodat hij ook ten aanzien van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 moet worden vrijgesproken.

Oordeel van het hof

Bewijsmiddelen

Verbalisanten kregen op 18 oktober 2023 omstreeks 13:09 uur melding van een aanrijding. Aangekomen op het terrein van Pro Persona te [plaats] zagen zij een slachtoffer op de weg liggen. Het slachtoffer was [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) en zij is ter plaatse overleden. Ongeveer twintig meter voor het slachtoffer stond een landbouwvoertuig met aanhanger.2 Deze werd bestuurd door verdachte.3

Verbalisanten hebben onderzoek gedaan naar het ongeval, waarbij een motorrijtuig met beperkte snelheid, een graafmachine, met daarachter gekoppeld een aanhangwagen, en een voetganger betrokken was en dat plaatsvond op de [plaats] te [plaats] op 18 oktober 2023 om 13:06 uur. Op de plaats van het verkeersongeval is de rijbaan aan beide zijden voorzien van suggestiestroken. De weg beschrijft een bocht naar rechts. Niet in geschil is dat uit het FO-rapport (waaronder overzichtsfoto’s) blijkt dat er zowel aan de linker- als de rechterkant meerdere zijwegen en olifantenpaadjes zijn. In beide bermen staan op diverse plaatsen bomen.4

Verbalisanten constateerden dat het zicht door de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van de graafmachine ernstig belemmerd kon worden door de giek en de graafbak aan de voorzijde, de linker en rechter A-stijl en de buitenspiegels. Uit nader onderzoek naar het zicht van verdachte volgt dat in meerdere posities het zicht in de richting van de voetgangers belemmerd werd door de giek en de knikarm van de graafmachine, al dan niet in combinatie met het wegverloop naar rechts en/of de bomenrijen.5

Verdachte heeft verklaard dat hij werkzaam is als kraanmachinist. Hij heeft weinig zicht met zijn graafmachine. Het was de derde dag dat verdachte werkzaam was op het terrein van Pro Persona en op die dag heeft hij vaker op deze weg gereden. Op die weg zijn verschillende zijstraatjes waarop je moest letten. Als je in de bocht naar rechts komt, heb je aan de rechterkant heel weinig zicht. Het is een onoverzichtelijke bocht. Iets voor het ongeval keek hij naar links, een zijstraat in. Hij heeft de mensen die op de weg liepen niet gezien. Er was een flauwe bocht naar rechts, waardoor verdachte het niet goed kon zien. Hij kon niet voorbij de giek kijken.6

Verdachte heeft op 6 maart 2019 zijn rijbewijs voor categorie T behaald.7 Met dit rijbewijs mag met onderhavige graafmachine, een motorvoertuig met beperkte snelheid, op de openbare weg gereden worden.

Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast.

Verdachte reed op 18 oktober 2023 omstreeks 13:06 uur op het terrein van Pro Persona op de [plaats] in [plaats] in een graafmachine met daarachter gekoppeld een aanhangwagen. De [plaats] is een weg met meerdere zijwegen en aan weerszijde een bomenrij. Het ongeval vond plaats in een onoverzichtelijke bocht naar rechts. [slachtoffer] liep aanvankelijk met haar collega’s in één van de zijwegen. Ze zijn de weg overgestoken en aan de rechterzijde van de [plaats] gaan lopen, in dezelfde richting als de rijrichting van verdachte. Door de stand van de giek en de knikarm in combinatie met het wegverloop naar rechts en/of de bomenrijen werd het zicht dat verdachte had vanuit de cabine van zijn graafmachine ernstig beperkt. Verdachte had daar ook wetenschap van. Verdachte heeft [slachtoffer] en de andere weggebruikers hierdoor niet zien lopen. Verdachte is met de graafmachine van achteren tegen [slachtoffer] aan gebotst en is deels over haar heen gereden. Hierdoor is zij overleden.

De mate van schuld

De eerste vraag die het hof moet beantwoorden is of verdachte schuld heeft aan het ongeval, op een manier als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. ‘Schuld’ als delictsbestanddeel bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.

Bij de beoordeling van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hier bedoelde zin.

In de rechtspraak van de Hoge Raad over schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is tot uitdrukking gebracht dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte een andere verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen, niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, nog niet kan volgen dat de verdachte zich ‘aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig’ heeft gedragen.

De achtergrond van deze rechtspraak is dat van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij zijn gedrag afstemt op (onder meer) andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers aan wie hij voorrang moet verlenen of met wie hij anderszins in zijn rijgedrag rekening moet houden. Uit deze rechtspraak kan echter niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt.8

Het hof overweegt in dit kader als volgt.

Verdachte reed in een graafmachine terwijl hij als gevolg van de stand van de giek en de knikarm, in combinatie met het wegverloop naar rechts, voortdurend een aanzienlijke zichtbeperking had. Verdachte heeft [slachtoffer] niet gezien en is met de graafmachine van achteren tegen haar aangebotst, waarbij hij deels over haar heen is gereden. Als gevolg daarvan is [slachtoffer] komen te overlijden.

Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. Zo is niet komen vast te staan met welke snelheid verdachte reed, op welke positie op de rijbaan verdachte met de graafmachine reed, waar het slachtoffer zich bevond en waar precies de aanrijding heeft plaatsgevonden. Evenmin kan worden vastgesteld of het slachtoffer voor verdachte zichtbaar is geweest, en indien dat het geval is geweest, op welk moment dat is geweest en gedurende welke tijd het slachtoffer voor hem zichtbaar moet zijn geweest. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat verdachte, gelet op de voor hem kenbare omstandigheden, anders had moeten of kunnen handelen. Van enige andere concrete verkeersfout of verkeersgedraging van verdachte die tot de aanrijding heeft bijgedragen, is evenmin gebleken.

De enkele omstandigheid dat verdachte de graafmachine bestuurde met een voortdurende en aanzienlijke zichtbeperking, hoezeer dit van hem ook vergde dat hij zich daarvan bewust diende te zijn en zijn rijgedrag daarop diende af te stemmen, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid.

Het hof komt daarom tot de conclusie dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Uit de vaststellingen van het hof volgt dat het slachtoffer zich op de rechterzijde van de rijbaan bevond en dat verdachte haar niet heeft gezien. Het hof heeft voorts vastgesteld dat verdachte bekend was met de omstandigheid dat het zicht vanaf de bestuurdersplaats van de door hem bestuurde graafmachine, als gevolg van de stand van de giek en de knikarm, aan de rechtervoorzijde de gehele tijd aanzienlijk was beperkt, meer in het bijzonder nog bij een bocht naar rechts. Verdachte had zich er dan ook bewust van behoren te zijn dat medeweggebruikers bij het gebruik maken van de rechterzijde van de rijbaan, aan zijn zicht onttrokken zouden kunnen zijn. Verdachte had zichzelf in de gelegenheid moeten stellen vast te stellen dat dit gevaar , zich niet zou voordoen, ongeacht de wijze en het tijdstip waarop het slachtoffer de rechterzijde van de rijbaan had bereikt.

Dit bracht voor verdachte de verplichting mee om zich, juist vanwege de voortdurende zichtbeperking, ervan te vergewissen dat het gedeelte van de weg dat hij niet kon zien, vrij was, alvorens hij zijn weg vervolgde en in het bijzonder alvorens hij de onoverzichtelijke bocht naar rechts inzette. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij bij het naderen van de zijwegen in die zijwegen heeft gekeken, maar uit zijn verklaring blijkt niet dat hij zich vervolgens ervan heeft vergewist dat ook het door de giek en de knikarm aan zijn zicht onttrokken gedeelte van de rijbaan vrij was. Niet is gebleken dat verdachte daartoe (in voldoende mate) om de giek heen heeft gekeken.

Daarmee heeft hij naar het oordeel van het hof gevaar op de weg veroorzaakt als bedoeld in artikel 5 van de Wegenverkeersweg 1994.

In de tenlastelegging is voorts opgenomen dat verdachte de voetgangers heeft willen passeren en/of inhalen en niet voldoende naar links is uitgeweken om hen veilig te kunnen passeren en/of inhalen. Het hof constateert dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor deze onderdelen van de tenlastelegging. Hiervan wordt verdachte vrijgesproken.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsvrouw heeft bij pleidooi haar verzoek tot het houden van een rijproef herhaald, mocht het hof tot enige veroordeling komen.

Zoals hiervoor overwogen, is het hof van oordeel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt als bedoeld in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, omdat hij - kort weergegeven - zich er onvoldoende van heeft vergewist of de weg vrij was. De eventuele uitkomst van een rijproef op een wijze zoals door de raadsvrouw voorgesteld zal - wat die uitkomst ook zou zijn - niet tot een ander oordeel leiden, zodat het niet noodzakelijk is om een rijproef te laten verrichten. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het hof uitgaat van een voortdurende en aanzienlijke zichtbeperking en dat de snelheid van het voertuig voor het hof geen rol heeft gespeeld bij de beoordeling van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

subsidiairhij op of omstreeks 18 oktober 2023 te [plaats] , [gemeente] als bestuurder van een voertuig (een graafmachine met daarachter gekoppeld een aanhangwagen), daarmee rijdende op de weg, [plaats] , en/of gekomen in/nabij een bocht naar rechts niet, althans niet voldoende op medeweggebruikers heeft gelet en/of is blijven opletten en/of (daarbij) één of meerdere medeweggebruikers (voetganger(s)) welke zich aan de rechterzijde van voornoemde rijbaan bevonden en/of (daarbij) zich in dezelfde (rij)richting als verdachte begaven heeft willen passeren en/of inhalen en/of (daarbij) vanuit zijn rijrichting gezien niet, althans niet voldoende naar links is uitgeweken, teneinde voornoemde medeweggebruikers veilig te kunnen passeren en/of in te halen en/of (daarbij) op/tegen de achterzijde van een medeweggebruiker is gereden en/of gebotst en/of (daarbij) (deels) over voornoemde medeweggebruiker is heengereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Standpunt van de verdediging

Indien het hof tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de raadsvrouw een aanzienlijk lichtere sanctie op te leggen dan door de rechtbank is opgelegd. De raadsvrouw heeft daarbij aangevoerd dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen en dat een onvoorwaardelijke rijontzegging rechtstreeks gevolgen heeft voor zijn werk als kraanmachinist. De raadsvrouw verzoekt daarom de rijontzegging geheel voorwaardelijk op te leggen en de omvang van een eventuele taakstraf aanzienlijk te matigen.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte is op 18 oktober 2023 als bestuurder van een kraan/graafmachine in aanrijding gekomen met een in een flauwe bocht naar rechts voor hem lopende voetganger. Als gevolg van deze aanrijding is het slachtoffer, [slachtoffer] , komen te overlijden. Verdachte heeft, ondanks zijn wetenschap van de aanzienlijke zichtbeperking van de door hem bestuurde graafmachine, zich onvoldoende ervan vergewist dat het voor hem niet zichtbare gedeelte van de rijbaan vrij was. Met zijn handelen heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt, met een fataal gevolg. Dit rijgedrag en de daaruit voortvloeiende gevolgen rekent het hof verdachte aan.

Verdachte heeft met zijn handelen groot verdriet en onherstelbaar leed toegebracht aan de familie en overige nabestaanden van [slachtoffer] . Gelet op de ernst en de gevolgen van het bewezenverklaarde feit, is een straf zonder meer gerechtvaardigd.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte volgens het uittreksel justitiële documentatie van 6 augustus 2026 niet eerder is veroordeeld.

Het hof heeft ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking genomen zoals deze door verdachte en zijn raadsvrouw ter zitting van het hof naar voren zijn gebracht. Verdachte is kraanmachinist van beroep. Een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen zou voor hem betekenen dat hij zijn werk niet langer kan uitvoeren.

Verdachte is zich goed bewust van het onherstelbare leed dat door de dood van [slachtoffer] is veroorzaakt, en voelt zich schuldig naar het slachtoffer en de nabestaanden toe. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat het ongeval een grote impact op verdachte heeft gehad en nog steeds heeft.

Het hof ziet aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen, om hem er bewust van te blijven maken dat hij een voertuig bestuurt met een aanzienlijke zichtbeperking met alle gevaren van dien.

Het hof acht, alles afwegende dat de oplegging van een geldboete van € 750,00, subsidiair 7 dagen hechtenis, en de voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden, zodat het hof die straf zal opleggen.

Het voorgaande neemt niet weg dat er een vreselijk ongeval heeft plaatsgevonden waarbij een jonge vrouw, [slachtoffer] , is komen te overlijden. Het hof beseft dat dit verlies voor de nabestaanden van [slachtoffer] veel verdriet heeft veroorzaakt en nog steeds veroorzaakt, zoals door hen ook indringend verwoord in hun slachtofferverklaringen bij de rechtbank in eerste aanleg en zoals die in hoger beroep door de advocaat-generaal zijn voorgelezen. Zij zullen hun leven lang met het gemis van [slachtoffer] moeten leven en ook verdachte zal moeten leven met de wetenschap dat bij dit ongeval, waarbij hij de bestuurder van de graafmachine was, [slachtoffer] is komen te overlijden.

Wetsartikelen

De straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder subsidiair bewezenverklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst het verzoek tot het houden van een rijproef af.

Dit arrest is gewezen door mr. C.T. Tjauw-Foe, mr. S. Bek en mr. M.J. Ouweneel, in aanwezigheid van de griffier mr. S. Berendsen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 23 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »