GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.369.774
zaaknummer rechtbank Gelderland 457979
beschikking van 10 september 2026
over de uithuisplaatsing van [minderjarige1]
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland (de GI)
die is gevestigd in Arnhem
en
[moeder] (de moeder)
die woont op een bij het hof bekend adres
advocaat: mr. J.G. van Ek
en
[vader] (de vader),
die woont op een bij het hof bekend adres
advocaat: mr. H.J. Scholten
1 Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2 De feiten
De moeder en de vader hebben samen één kind: [minderjarige1] , geboren [in] 2022.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige1] .
[minderjarige1] woont bij de moeder, samen met zijn (half)zus [minderjarige2] en (half)broer [minderjarige3] .
Bij beschikking van 11 september 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige1] onder toezicht gesteld tot 13 september 2026. Het hof heeft op 3 februari 2026 deze beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.
Bij beschikking van 9 december 2025 heeft de kinderrechter de beslissing op het
verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen aangehouden.
3 De procedure bij de rechtbank
De GI heeft de kinderrechter verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI afgewezen.
Die beslissing is uitgesproken op 9 maart 2026.
4 De procedure bij het hof
De GI is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. De GI komt daarvan in hoger beroep. De GI wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en het verzoek alsnog toewijst.
De moeder en de vader zijn het wel eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij willen dat het hof de beslissing van de kinderrechter in stand laat.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het beroepschrift met bijlagen, ontvangen op 3 juni 2026;
-
een journaalbericht namens de moeder van 12 augustus 2026, met bijlagen;
-
een brief van de GI op 18 augustus 2026, met bijlage;
-
een brief van de GI op 19 augustus 2026, met bijlage.
De zitting bij het hof was op 25 augustus 2026. Aanwezig waren:
-
de moeder met haar advocaat;
-
de vader met zijn advocaat;
-
twee vertegenwoordigers van de GI.
5 Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind.1 De kinderrechter kan die machtiging verlengen als de GI of de raad dat verzoekt.
Hoe oordeelt het hof?
Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] moet worden afgewezen. Een uithuisplaatsing is een middel dat alleen moet worden ingezet als het niet anders kan. Uit de overgelegde stukken blijken wel zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder, maar de GI heeft onvoldoende onderbouwd dat de situatie dermate ernstig is dat het noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige1] dat een machtiging tot uithuisplaatsing verleend wordt. Bij een verzoek van een zo verstrekkende maatregel ligt het op de weg van de GI om duidelijk en concreet uiteen te zetten wat de precieze zorgen zijn met betrekking tot de opvoeding en verzorging van [minderjarige1] en wat er is ingezet om die zorgen weg te nemen. Er worden zorgen geuit door instanties in algemene bewoordingen, zonder dat concreet wordt gemaakt wat hiervan het effect is op [minderjarige1] en waarom dit betekent dat [minderjarige1] niet meer bij zijn moeder zou kunnen wonen.
[minderjarige1] gaat naar een medisch kinderdagcentrum van [organisatie] . Uit het meest recente verslag dat het hof heeft van [organisatie] van 18 juni 2026 blijkt dat op de groep wordt gezien dat [minderjarige1] mooie stappen maakt. Hij komt vrolijk de groep binnen en neemt op een prettige manier afscheid van zijn moeder. Ten tijde van de bestreden beschikking waren er problemen met het opzetten van de bril bij [minderjarige1] , maar inmiddels lukt het op de groep de bril bij [minderjarige1] op te zetten. Verder ziet de [organisatie] voortuitgang bij de eetmomenten. Daarnaast worden wel zorgen geconstateerd over, onder andere, het taalontwikkelingsniveau van [minderjarige1] en is gebleken dat rekening moet worden gehouden met de verwerkingstijd die [minderjarige1] nodig heeft, maar voor het hof is niet duidelijk of deze zorgen komen door de kindeigen problematiek van [minderjarige1] of dat het achterblijvende niveau mogelijk het gevolg is van onderstimulatie door de moeder. Het incident waarbij [minderjarige1] vorig jaar augustus een keer aan de aandacht van de moeder is ontsnapt en de weg op is gelopen, had niet mogen gebeuren. Maar dit is één incident geweest waar duidelijk de veiligheid van [minderjarige1] niet was gewaarborgd. Het hof is het met de kinderrechter eens dat dit incident onvoldoende is om de gehele thuissituatie als onvoldoende veilig aan te merken. Van meer incidenten in de thuissituatie die onveilig waren, is het hof niet gebleken.
De GI en de hulpverlening schetsen de nodige zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder. Volgens hen groeien de kinderen sociaal, emotioneel en lichamelijk onveilig op. Er wordt echter niet nader omschreven waaruit de risico’s bestaan, wat dit voor de kinderen betekent en waar zij concreet mogelijk schade oplopen in de situatie bij de moeder. Er is de afgelopen jaren al veel hulpverlening ingezet om de moeder te begeleiden en te ondersteunen bij de opvoeding van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] . De grootste zorgen zien op het onvoldoende (emotioneel) beschikbaar zijn van de moeder. Zij wordt soms overvraagd. Het lukt haar dan niet om de kinderen voldoende grenzen en structuur te bieden en hen te stimuleren in hun ontwikkeling.
Na een gezinsbehandeling in [plaats] is in de thuissituatie bij de moeder intensieve ondersteuning ingezet door Regiezorg en GrandCare ter ondersteuning van de moeder in de verzorging en opvoeding van de kinderen. In de beschikking van de kinderrechter van 11 september 2025 waarin de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] is verlengd met één jaar, is overwogen dat de hulp van GrandCare en Regiezorg op dat moment enkel gericht is geweest op het stutten en ondersteunen van de moeder om ervoor te zorgen dat de opvoedsituatie (net) goed genoeg was. De opvoedtaken van de moeder werden deels gecompenseerd en overgenomen door de hulpverlening. De hulpverlening heeft toen nog niet kunnen werken aan het vergroten van de opvoedvaardigheden en de leerbaarheid van de moeder. Er werd geconstateerd dat er tijd nodig is om eerst een vertrouwensband met de moeder te krijgen.
Ook uit het evaluatieverslag van het Logeerhuis GrandCare van januari 2026 blijkt dat het contact tussen de begeleiding en de moeder in eerste instantie tijd nodig had om op te bouwen. Nadat het vertrouwen was opgebouwd, verliep het contact overwegend open en coöperatief. De moeder was goed aanspreekbaar en bereid om in gesprek te gaan. Zij kon feedback aanhoren en stond open voor ondersteuning, al gaf zij ook aan dat zij het soms lastig vindt om hulp te vragen, omdat ze in het verleden vaak is teleurgesteld door hulpverlening. De door GrandCare en Regiezorg ingezette ondersteuning leek wel aan te sluiten en een basis te bieden voor verdere ontwikkeling, hoewel er nog wel veel kwetsbaarheden werden gezien. De conclusie was dat de komende periode moest worden bekeken of met inzet van intensieve opvoedondersteuning stapsgewijs kan worden gewerkt aan verbetering van de opvoedvaardigheden van de moeder en te kijken wat de opvoedmogelijkheden van de moeder zijn. Daarnaast moest de moeder nog starten met behandeling voor haarzelf. De moeder heeft op de zitting verteld dat zij nog op de wachtlijst staat bij Pro Persona. Ten slotte was de opvoedbehoefte van [minderjarige1] nog niet in kaart gebracht.
Het hof constateert dat deze stappen niet zijn gezet en dat de GI binnen enkele weken na de beschikking tot verlenging van de ondertoezichtstelling is overgegaan tot een verzoek aan de kinderrechter om een machtiging te verlenen om [minderjarige1] uit huis te plaatsen. Voor het hof is, net als de kinderrechter, onvoldoende duidelijk geworden welke zorgen concreet zijn toegenomen na de zitting van de verlenging van de ondertoezichtstelling en waarom in het tijdsbestek van een aantal weken een koerswijziging is gekomen van het inzetten op verbetering van de opvoedvaardigheden van de moeder in de thuissituatie naar een verzoek om een uithuisplaatsing. Mede gelet op het feit dat het tijd kost om met de moeder een vertrouwensband op te bouwen, zoals eerder is aangehaald door de kinderrechter.
Regiezorg en GrandCare hebben beide geconcludeerd dat een crisisplaatsing van de kinderen het meest passend is. Volgens de moeder hebben zij dit niet met haar besproken. Dit heeft het toch al kwetsbare vertrouwen van de moeder in de hulpverlening geschaad. Na het verzoek tot het geven van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is een moeizame samenwerkingsrelatie tussen de moeder en Regiezorg en GrandCare ontstaan, waardoor zij genoodzaakt zijn geweest te stoppen met de hulpverlening. Gelet op het geschade vertrouwen van de moeder, haar verleden met de hulpverlening en haar persoonlijke problematiek is dit te begrijpen. Dit heeft ertoe geleid dat het afgelopen jaar het niet goed mogelijk was om nog samen met de moeder te werken aan de verbetering van haar opvoedvaardigheden en de grenzen van de opvoedmogelijkheden van de moeder te onderzoeken, zoals oorspronkelijk de bedoeling was. Er is echter geen zicht op de huidige stand van zaken. De moeder heeft onweersproken gesteld dat de basiszaken goed geregeld zijn voor de kinderen. De kinderen ontvangen passend onderwijs en de moeder zorgt er voor dat de kinderen op tijd op school zijn. De GI heeft geen actuele (concrete) voorbeelden of situaties benoemd waaruit blijkt dat het niet goed (genoeg) gaat met de kinderen. Het hof heeft niet vast kunnen stellen dat er sprake is van een situatie waarbij er geen minder ingrijpende alternatieven (meer) voorhanden zijn.
Tot slot constateert het hof, evenals de kinderrechter, dat niet duidelijk is wat is gedaan met het in het evaluatieverslag van de gezinsbehandeling van 2 augustus 2024 gegeven advies om voor de moeder een 24 uurs beschermde woonvorm te zoeken, afgestemd op de mogelijkheden en bejegening passend bij een licht verstandelijke beperking (mogelijk beschermd thuis van PlusHome). Volgens de GI komt de moeder daarvoor niet in aanmerking, maar dit wordt verder niet uitgelegd of onderbouwd. Mogelijk zou een andere GI die meer gericht is op de doelgroep met een licht verstandelijke beperking beter aansluiten bij de behoeften van de moeder. Net als de kinderrechter wil het hof de GI en de moeder daarom in overweging geven om aan de kinderrechter te verzoeken een andere GI te benoemen.
De afwijzing van het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen, betekent niet dat de zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder zijn weggenomen. Het is nu aan de GI of haar vervanger om alsnog te gaan werken aan het opbouwen van een vertrouwensband met de moeder, zodat gewerkt kan gaan worden aan de verbetering van de opvoedvaardigheden van de moeder en de grenzen van de opvoedmogelijkheden van de moeder daadwerkelijk kunnen worden onderzocht, waaronder ook valt de mogelijkheden te onderzoeken of er een geschikte 24 uurs beschermde woonvorm kan worden gevonden. En het is aan de moeder om te laten zien dat zij meewerkt met de noodzakelijk geachte hulpverlening en dat zij dit volhoudt ook als het moeilijk wordt.
Het hof zal de beschikking van 9 maart 2026 in stand laten (bekrachtigen).
6 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 9 maart 2026.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.D.M. Rubens-Snijders, E. de Boer en S. Kuijpers, en is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026.