Afdeling strafrecht
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 10 november 2025 met parketnummer 16-223406-25 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 in [plaats] ,
wonende te [woonplaats] .
Hoger beroep
Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van hetgeen namens de verdachte door zijn raadsman, mr. E. Stam, advocaat te Amsterdam, is aangevoerd.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft verdachte ter zake van:
-
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, en
-
opzetaanranding,
veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest.
Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter hoogte van € 800,00 geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en zal daarom opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te [plaats] opzettelijk ambtenaren, te weten [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 1] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen:
- " kankerleijer"
- " ik neuk jou kankerhoertje"
- " kankerhoertje"
- " klein kankersletje ben jij"
- " hoertjes"
- " kom mijn lul op, kom aan mijn lul zuigen"
- " kanker bolle big dat je bent" en/of
- " kanker bolle bitch", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
2.hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te [plaats] met een persoon, te weten [benadeelde partij 1] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten een of meer malen
- onverhoeds likken aan de pols en/of arm van die [benadeelde partij 1]
- terwijl hij daarbij zegt "je hand is wel kankergeil, geile handjes heb je man", "ik neuk jou kankerhoertje" en/of "kom mijn lul op, kom aan mijn lul zuigen", althans soortgelijke seksueel getinte opmerkingen
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [benadeelde partij 1] daartoe de wil ontbrak.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat – conform het vonnis van de rechtbank – wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft het onder 1 tenlastegelegde bekend. De verdediging heeft zich daarom ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte slechts zijn tong uitstak en daarbij per ongeluk de hand van aangeefster kan hebben geraakt, maar dat verdachte haar hand niet bewust heeft gelikt. Ook als verdachte bewust heeft gelikt, is dit geen opzetaanranding. In de gegeven context kan likken niet als seksuele gedraging worden aangemerkt. De door verdachte gebezigde woorden maken dat niet anders, nu hij die enkel uit emotie heeft geuit en daar geen seksuele bedoeling mee had.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 ten laste gelegde belediging van politieambtenaren en aan de onder feit 2 ten laste gelegde opzetaanranding. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde overweegt het hof in het bijzonder nog het volgende.
Feiten en omstandigheden
Aangeefster (verbalisant [benadeelde partij 1] ) heeft in haar aangifte verklaard dat verdachte - tijdens het vervoer naar het politiebureau - meerdere malen met zijn tong over haar arm, pols en horloge likte en dat verdachte daarbij zei: “Je hand is wel kanker geil, geile handje heb je”. Daarnaast hoorde zij verdachte zeggen: “Ik neuk jou, kankerhoertje” en “Kom mijn lul op, kom aan mijn lul zuigen.” De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen waarin de bodycambeelden zijn uitgewerkt. Hieruit volgt dat verdachte seksueel getinte opmerkingen maakte over de hand van aangeefster en dat aangeefster zei: “Je gaat mij toch niet likken.” Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat verdachte de pols en arm van aangeefster bewust heeft gelikt.
Seksuele handeling
Vervolgens ziet het hof zich gesteld voor de vraag of het likken aan de pols en arm van aangeefster in de gegeven context kan worden aangemerkt als een ‘seksuele handeling’ in de zin van artikel 241 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Voor een seksuele handeling in de zin van artikel 241 van het Wetboek van Strafrecht is niet vereist dat sprake is van aanraking van seksuele lichaamsdelen, zoals borsten, billen of geslachtsdelen. Ook aanraking van andere lichaamsdelen kan hieronder vallen, indien deze in de context waarin zij plaatsvinden een seksuele strekking krijgen. Hoewel likken op zichzelf niet in alle gevallen als een seksuele handeling kan worden aangemerkt, is daarvan, gezien de context, in onderhavig geval wel sprake. De seksuele strekking van de gedraging volgt uit de door verdachte geuite seksueel getinte bewoordingen, zoals hierboven omschreven. In onderlinge samenhang bezien kan de gedraging niet anders worden gekwalificeerd dan als een op de seksuele beleving gerichte handeling.
Opzet
Voor een veroordeling voor opzetaanranding in de zin van artikel 241 van het Wetboek van Strafrecht is verder vereist dat het opzet erop is gericht dat de desbetreffende seksuele handelingen plaatsvinden terwijl bij de ander de wil daartoe ontbreekt. Dat de wil ontbrak bij aangeefster blijkt uit de door haar geuite bewoordingen zoals hierboven beschreven ten tijde van het likken door verdachte en de context waarin de seksuele handeling plaatsvond, te weten gedurende het transport van verdachte en gericht aan een opsporingsambtenaar. Op basis hiervan concludeert het hof dat het voor verdachte volstrekt helder was dat wat hij deed tegen de zin van aangeefster was.
Conclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te [plaats] opzettelijk ambtenaren, te weten [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 1] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen:
- " kankerleijer"
- " ik neuk jou kankerhoertje"
- " kankerhoertje"
- " klein kankersletje ben jij"
- " hoertjes"
- " kom mijn lul op, kom aan mijn lul zuigen"
- " kanker bolle big dat je bent" en/of
- " kanker bolle bitch", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking
2.hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te [plaats] met een persoon, te weten [benadeelde partij 1] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten een of meermalen
- onverhoeds likken aan de pols en/of arm van die [benadeelde partij 1]
- terwijl hij daarbij zegt "je hand is wel kankergeil, geile handjes heb je man", "ik neuk jou kankerhoertje" en/of "kom mijn lul op, kom aan mijn lul zuigen", althans soortgelijke seksueel getinte opmerkingen
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [benadeelde partij 1] daartoe de wil ontbrak
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: opzetaanranding.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd, te weten een taakstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat verdachte zijn leven inmiddels grotendeels op de rit heeft. Verdachte woont bij zijn ouders en is als zzp’er werkzaam in de zorg.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en het hof heeft gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft allereerst twee politieambtenaren in functie beledigd. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding door de pols en arm van een van deze politieambtenaren te likken en grove, seksueel getinte opmerkingen naar haar te maken.
Het handelen van verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. De beledigingen zijn zeer denigrerend, seksistisch en kwetsend. Bovendien heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde partij 1] . De impact van het feit blijkt uit haar aangifte en de slachtofferverklaring. Politieambtenaren moeten hun werkzaamheden onverstoord kunnen verrichten en horen daarbij niet geconfronteerd te worden met dergelijke beledigingen en gedragingen.
Het hof heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat tot uitgangspunt genomen de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd.
Verder heeft het hof gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 mei 2026. Hieruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Alles afwegende – en in het bijzonder vanwege de ernst van de feiten – acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en noodzakelijk. Het hof zal verdachte daarom veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis. Anders dan de reclassering ziet het hof geen aanleiding een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Vordering
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 800,00 ingediend, bestaande uit immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] door het bewezenverklaarde handelen van verdachte schade heeft geleden die binnen artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt en voor vergoeding in de vorm van smartengeld in aanmerking komt. Door de bewezenverklaarde feiten is [benadeelde partij 1] in haar eer of goede naam aangetast en is ook sprake van aantasting van de persoon op andere wijze. De benadeelde werd misselijk door het handelen van verdachte, voelde zich vernederd en vies en als vrouw enorm gekwetst. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Het hof houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid acht het hof het gevorderde bedrag van € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente, toewijsbaar.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 241, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 800,00 (achthonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 800,00 (achthonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 14 augustus 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. I.C.E. Draisma, mr. J. Steenbrink en mr. N.I.S. Boers, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M. Lentjes en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 16 juni 2026.