Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005584-24
Uitspraak d.d.: 24 juli 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 18 december 2024 met parketnummer 18-208419-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 juli 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
-
vernietiging van het vonnis van de politierechter;
-
veroordeling van verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een taakstraf van 40 uren, bij niet verrichten te vervangen door 20 dagen hechtenis;
-
oplegging van een contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor de duur van twee jaren, waarbij per overtreding één week vervangende hechtenis moet worden toegepast.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N.F. Hoogervorst, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter:
-
verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken, met aftrek van het voorarrest;
-
ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde een dadelijk uitvoerbaar contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v Sr opgelegd voor de duur van drie jaren.
Het hof is van oordeel dat de politierechter voor wat betreft de bewezenverklaring en de kwalificatie op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis ten aanzien van die onderdelen – met aanvulling van gronden en verbetering van de bewijsmiddelen – bevestigen.
Ten aanzien van de strafoplegging en de opgelegde maatregelen komt het hof tot een andere beslissing dan de politierechter. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd en zal het hof opnieuw rechtdoen.
Verbetering van bewijsmiddelen
De door de politierechter in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, verbetert het hof als volgt:
1. De door verdachte op de terechtzitting van 18 december 2024 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Op 26 juni 2024 heb ik in [plaats] een raam van de achterdeur van mijn moeder vernield door een vaas tegen het raam te gooien. Het zou kunnen dat ik haar van mij afgeduwd heb.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 juni 2024, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PLO 100-2024170321 d.d. 4 juli 2024, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
Ik doe aangifte van mishandeling en vernieling gepleegd door mijn zoon [verdachte] . Vandaag, 26 juni 2024 liep [verdachte] naar de achterzijde van mijn woning, ik liep achter [verdachte] aan. Ik probeerde hem met woorden te berusten. [verdachte] spuugde mij vervolgens in mij gezicht. Ik hoorde hem een rochelend geluid maken en voelde zijn speeksel in mijn gezicht. Hij duwde mij op mijn borst. Ik voelde dat hij mij met kracht duwde. Ik zat op dat moment vol adrenaline wat maakte dat ik geen pijn voelde. [verdachte] pakte een gietijzeren bloempot. Deze bloembot heeft hij door het raam van de achterdeur gegooid. Ik zag dat hierdoor het glaswerk kapot ging. Vervolgens pakte hij de vuurkorf. Ik zag dat hij deze vuurkorf tegen de achterdeur aangooide. Ik hoorde [verdachte] daarbij schreeuwen: " [naam] nu opdoen!". [verdachte] liep woest naar de voorzijde van mijn woning. Hij duwde mij daarbij opnieuw tegen mij borst. Ik voelde dat hij dit met kracht deed. Ik stond vol adrenaline en voelde daardoor geen pijn.
Ook sloeg hij tegen de voordeur en ramen. Vervolgens pakte [verdachte] een andere gietijzeren bloempot en wilde deze door een raam heen gooiden. Het lukte mij de bloempot van hem af te pakken. Ik smeekte [naam] om naar buiten te komen. Ik was bang dat [verdachte] alles kapot zou maken. Ik voelde dat [verdachte] mij vastpakte en weggooide. Hij deed dit met veel agressie en voelde zijn kracht. Ik kwam hierdoor met mijn knieën op stenen bielzen terecht. Op dat moment voelde ik nog geen pijn. Inmiddels voel ik dat mijn knieën stijf zijn en heb ik letsel op mijn rechter knie.
[verdachte] bleef maar schreeuwen en dreigen. Hij dreigde mijn huis in brand te steken. Hij liep naar auto en dreigde met zijn auto de gevel eruit te rijden, hij startte de motor en gaf gas. De manier waarop hij uit zijn ogen keek maakte dat ik zijn woorden geloofde. Ik kon zien dat hij tot alles in staat was.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 26 juni 2024, opgenomen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :
Ik hoorde dat mijn moeder naar buiten was gelopen. Ik hoorde zijn (het hof begrijpt: verdachte) auto met piepende banden aankomen. Ik dacht echt: ik ben zo meteen mijn moeder kwijt. Ik weet dat hij grenzeloos en gevoelloos is. Ik hoorde veel geschreeuw en hoorde een harde krijs van mijn moeder. Al snel erna hoorde ik glasgerinkel en veel gerommel. Toen ben ik naar beneden gegaan. Toen ik bij de voordeur was, zag ik mijn moeder tussen de grote bloembakken in de voortuin lag. Langs het raam zag ik dat hij een gietijzeren bloempot vasthield en deze richting de voordeur wilde gooien. Ik zag dat mijn moeder dit probeerde tegen te houden. Hierbij ving ze diverse klappen op.
Aanvullende overweging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
Het hof overweegt ter aanvulling het volgende.
Verdachte heeft tijdens de zitting bij het hof verklaard dat hij, nadat hij de bloempot door het raam van de achterdeur van zijn moeder had gegooid, naar de voorkant van de woning is gelopen en daar door zijn moeder werd aangevallen. Het hof acht deze door de verdachte gegeven lezing niet aannemelijk geworden en overweegt hiertoe dat verdachte zich kort daarvoor zeer agressief gedroeg en er geen aanknopingspunten in het dossier te vinden zijn waaruit blijkt dat zijn moeder zich agressief gedroeg tegenover verdachte. Het hof acht de lezing van de moeder van verdachte, dat zij verdachte probeerde tegen te houden toen hij aan de voorkant van het huis opnieuw met een bloempot wilde gooien, wel geloofwaardig nu dit een logisch gevolg is van en dus past bij het door verdachte vertoonde gedrag. Dat door verdachte fysiek geweld werd gebruikt tegenover zijn moeder blijkt bovendien uit de verklaring die [getuige] , de zus van verdachte, bij de politie heeft afgelegd.
Oplegging van straf en maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich op 26 juni 2024 schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn moeder. Hij heeft haar geduwd waardoor zij op de grond viel en haar knieën bezeerde. Door zo te handelen heeft verdachte geen respect getoond voor de lichamelijke integriteit van zijn moeder. Verdachte heeft zich daarnaast op diezelfde dag schuldig gemaakt aan vernieling van een raam en bloempot van zijn moeder. Hiermee heeft hij blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor andermans bezittingen.
Het hof heeft voor de straftoemeting gelet op het de verdachte betreffende uittreksel van de Justitiële Documentatie van 5 juni 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Verdachte is ook na het bewezenverklaarde feit veroordeeld voor een andersoortig feit. Gelet hierop is artikel 63 Sr van toepassing.
Verder houdt het hof bij de strafoplegging rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals door hem en zijn raadsvrouw naar voren gebracht op de terechtzitting in hoger beroep. Verdachte kampt met een depressie waardoor het hem op dit moment nog niet lukt om met werk een inkomen te genereren. Hij leeft op dit moment van het inkomen van zijn vriendin. De aanvraag van verdachte om toegelaten te worden tot de schuldsanering is in behandeling. Verder heeft verdachte erkend dat hij het in het verleden lastig vond om hulp van de reclassering te accepteren. Inmiddels gaat dat beter en is verdachte in goede samenwerking met de reclassering.
Gelet op het voorgaande – in onderlinge samenhang bezien – acht het hof, net als de advocaat-generaal, een taakstraf van 40 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Het hof is gekomen tot een andere strafmodaliteit dan de politierechter, omdat het hof verdachte de mogelijkheid wil bieden om de door hem geschetste positieve lijn voort te zetten. De oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze positieve lijn kunnen doorkruisen.
Oplegging van vrijheidsbeperkende maatregelen (artikel 38v Sr)
De maatregel ex artikel 38v Sr kan worden opgelegd als dit strekt tot beveiliging van de maatschappij of de voorkoming van het – opnieuw – begaan van strafbare feiten, terwijl de rechter er rekening mee moet houden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend naar personen toe zal gedragen.
Het hof ziet aanleiding om, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, op grond van artikel 38v Sr te bevelen dat verdachte zich zal onthouden van contact met zijn moeder en dat hij zich niet zal bevinden in de straat [straatnaam] te [plaats] .
Het hof is van oordeel dat aan de voorwaarden voor oplegging van genoemde maatregel is voldaan, nu verdachte, blijkens zijn strafblad, eerder en ook recent veroordeeld is voor geweldsfeiten, waaronder oudermishandeling en waarvan het onderhavige feit in de proeftijd van een eerdere veroordeling voor openlijk geweld is begaan. Het incident tussen verdachte en zijn moeder lijkt te zijn voortgekomen uit de structureel toxische relatie tussen moeder en zoon, waarbij afwisselend sprake is van het zoeken en het mijden van contact. Het lijkt erop dat dit contact telkens weer een trigger oplevert voor de verdachte, waar hij niet altijd op de juiste manier mee om kan gaan. Tijdens de zitting bij het hof is gebleken dat de situatie tussen verdachte en zijn moeder niet is veranderd en dat verdachte (nog) steeds de verantwoordelijkheid voor zijn eigen (wan)gedrag bij zijn moeder legt. Tenslotte is er sprake van middelenproblematiek.
Met de oplegging van voornoemde maatregelen wil het hof ondervangen dat, terwijl verdachte nog bezig is met het zoeken naar (meer) evenwicht in zijn leven, het (zoeken van) contact tussen verdachte en zijn moeder in de nabije toekomst plaatsvindt. Aldus kan het risico dat verdachte als gevolg van deze ongezonde relatie opnieuw een strafbaar feit begaat worden verkleind.
Gelet op het voorgaande en de aard van de bewezenverklaarde feiten, legt het hof, ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten, de maatregelen op voor de duur van twee jaren strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v Sr, te weten een contactverbod met verdachtes moeder en locatieverbod voor [straatnaam] te [plaats] , de straat waar zijn moeder woonachtig is. Voor elke keer dat verdachte het contact- dan wel locatieverbod overtreedt zal vervangende hechtenis voor de duur van een week worden opgelegd, waarbij de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis maximaal 6 maanden bedraagt. Ten overvloede merkte het hof op dat het contactverbod ook geldt als de moeder van verdachte het initiatief neemt.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich belastend gedraagt jegens zijn moeder en in dat kader opnieuw een strafbaar feit pleegt, zal het hof bevelen dat de maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 38v, 38w, 57, 63, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren zich niet zal ophouden in het navolgende gebied
[straatnaam] te [plaats] ;
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met zijn moeder [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. T.H. Bosma, voorzitter,
mr. L. Pieters en mr. F.J.W.M. Tas, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Kiemel, griffier,
en op 24 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.