afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001881-25
datum uitspraak: 11 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 augustus 2025 in de strafzaak onder parketnummer
15-164418-22 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland 1] ) op [geboortedag 1] 1974,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Omvang van en ontvankelijkheid in het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank Noord-Holland (partieel) vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 2 gedachtestreepjes 6, 7 en 8 en onder feit 3 is tenlastegelegd. Wat betreft feit 2 gaat het hof uit van een impliciet cumulatieve tenlastelegging, waarin cumulatief - en dus gevoegd - meerdere strafbare feiten bij de onderscheiden gedachtestreepjes zijn opgenomen, te weten verschillende geweldshandelingen en gebeurtenissen. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot (partiële) vrijspraak. Gelet op dat wat is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven (partiële) vrijspraak van feit 2 gedachtestreepjes 6, 7 en 8, en van feit 3.
Overwegingen en beslissingen op de verweren van de verdediging
Voorafgaand aan het hoger beroep ter terechtzitting heeft het hof van de advocaat-generaal twee
e-mailberichten met fotobijlagen ontvangen: een mailbericht, naar aanleiding van het door de advocaat-generaal met het slachtoffer (tevens benadeelde partij) gevoerde slachtoffergesprek, met twee foto’s van de handen van aangeefster (deze opnamen geven een beeld van de handen van de aangeefster kort na het plegen van de tenlastegelegde feiten) en een e-mailbericht met screenshot van een deel van het door de aangeefster aan de advocaat-generaal toegestuurd patiëntdossier. Daarnaast heeft de advocaat van het de benadeelde partij onder meer een e-mailbericht met foto’s doorgestuurd die betrekking zouden hebben op de verdenking onder feit 2.
De raadsman van de verdachte heeft voorafgaand aan de terechtzitting bij schriftelijk standpunt van 27 mei 2026 en mondeling ter terechtzitting bezwaar gemaakt tegen het voegen van deze nieuwe stukken en informatie aan het dossier. Hiertoe heeft de raadsman primair aangevoerd dat het toelaten van de stukken in strijd is met de algemene beginselen van een behoorlijke procesorde, omdat deze twee dagen voor de zitting in hoger beroep zijn ingebracht. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de door de advocaat-generaal weergegeven uitlatingen van de aangeefster niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat deze zijn gedaan in haar hoedanigheid van slachtoffer en niet als getuige. De raadsman heeft daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:91.
Het primaire verweer
Het hof overweegt onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 414 van het Wetboek van Strafvordering dat zowel de verdachte als de advocaat-generaal bevoegd zijn in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat deze bevoegdheid wordt begrensd door de algemene beginselen van een behoorlijke procesorde. De beoordeling hiervan vindt door de rechter van geval tot geval plaats en is niet onderhavig aan enige algemene regel.
Bij de beoordeling of overlegging van stukken in strijd komt met die beginselen komt betekenis toe aan onder meer de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen stukken en, in geval van belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt. Het hof merkt daarbij op dat slechts het moment van overleggen van de stukken hierin dan ook niet zonder meer doorslaggevend is.
Het hof stelt aan de hand van de hiervoor genoemde punten vast dat de stukken voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep per e-mail zijn overgelegd, dat het om stukken gaat met een beperkte omvang en dat de inhoud beknopt is. Daar komt bij dat de onderhavige strafzaak in het licht van de complexiteit een overzichtelijk rechtsbeding betreft. Dat de nieuwe stukken vier jaar na de aangifte worden gepresenteerd, maakt dit niet anders. Ook de raadsman heeft kort voor de zitting nog enkele nieuwe stukken in het geding gebracht. Het hof betrekt daarbij ook nog dat de raadsman tijdens de terechtzitting van 28 mei 2026 heeft medegedeeld de behandeling van de zaak graag die dag te willen voortzetten.
Al het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat overlegging van de door de advocaat-generaal en de raadsvrouw van de benadeelde partij nieuwe stukken niet in strijd is met de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het hof zal dan ook acht slaan op de stukken die zijn overgelegd. Het primaire verweer van de raadsman van de verdachte wordt verworpen.
Het subsidiaire verweer
De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de door de advocaat-generaal weergegeven opmerkingen van de aangeefster als commentaar op de bijgevoegde foto’s niet als bewijs mogen worden gebruikt.
Het hof stelt voorop dat de door de raadsman aangehaalde rechtspraak betrekking heeft op verklaringen die een slachtoffer aflegt ter terechtzitting in het kader van het spreekrecht dan wel ter toelichting op de vordering van de benadeelde partij. Dergelijke verklaringen worden niet afgelegd als getuige, zodat deze niet zijn onderworpen aan de voor getuigenverklaringen geldende waarborgen en deze niet als getuigenverklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Het hof is van oordeel dat van een dergelijke situatie in de onderhavige zaak geen sprake is. De opmerkingen van de aangeefster, waarop de raadsman doelt, zijn niet ter terechtzitting afgelegd in het kader van het spreekrecht of als toelichting op de vordering van de benadeelde partij, maar zijn door de advocaat-generaal weergegeven naar aanleiding van het voorafgaand aan de zitting gevoerde slachtoffergesprek. Het hof ziet geen grond voor het uitsluiten van de mededelingen van de aangeefster voor het bewijs. Het subsidiaire verweer wordt dus eveneens verworpen.
Tenlastelegging
Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is – en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1. primairhij op of omstreeks 18 april 2016 te [adres 2], gemeente Haarlemmerliede ca, althans in Nederland, aan zijn levensgezellin, althans een persoon, te weten: [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (ernstige) (tweede en/of derdegraads) brandwonden aan beide handen, heeft toegebracht door voornoemde persoon met haar handen in het vuur (van het gasfornuis) te houden (aangifte, pagina 18), dan wel met haar handen tegen een verwarmingsbuis/-pijp aan te slaan en/of te drukken en/of te houden;
1. subsidiairhij op of omstreeks 18 april 2016 te [adres 2], gemeente Haarlemmerliede ca, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezellin, althans een persoon, te weten: [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voornoemde persoon met haar handen in het vuur (van het gasfornuis) heeft gehouden (aangifte, pagina 18), dan wel met haar handen tegen een verwarmingsbuis/-pijp heeft aangeslagen en/of aangedrukt en/of aangehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. meer subsidiair
hij op of omstreeks 18 april 2016 te [adres 2], gemeente Haarlemmerliede ca, althans in Nederland, zijn levelsgezel(lin), [slachtoffer] heeft mishandeld, door haar handen in het vuur (van het gasfornuis) te houden, dan wel met haar handen tegen een verwarmingsbuis/-pijp aan te slaan en/of te drukken en/of te houden;
2.hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 juli 2010 tot en met 30 november 2020 te [adres 2], gemeente Haarlemmerliede ca, en/of te Krommenie, gemeente Zaanstad, en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk zijn levensgezellin, althans (telkens) een persoon, te weten [slachtoffer] , heeft mishandeld, door voornoemde persoon (telkens) een en/of meermalen (krachtig):
- te slaan en/of te stompen (al dan niet met enig voorwerp) tegen de/het o(o)g(en) en/of in/tegen het gezicht en/of tegen de borst en/of tegen de rib(ben) en/of tegen de heup(en) en/of tegen de rug en/of elders tegen het lichaam en/of
- te duwen met een open handpalm tegen het oog en/of in/tegen het gezicht en/of elders tegen het lichaam en/of
- de/het ha(a)r(en) af te knippen (bijlage 2 aangifte, pagina 33, 35 en/of 37) en/of
- een verwarmd mes op de bil(len) en/of de rib(ben) en/of de vagina te drukken en/of te houden (aangifte, pagina 19 en/of pagina 27 en/of bijlage 2 aangifte, pagina 34) en/of
- bij de hand(en) en/of vinger(s) vast te pakken en/of de hand(en) en/of vinger(s) (achter de rug) te draaien (aangifte, pagina 18 en/of bijlage 2 aangifte, pagina 36);
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, alleen al omdat het hof tot een (deels) andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde.
De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te gebruiken. Er is geen (betrouwbaar) steunbewijs voor haar belastende verklaringen, terwijl er wel voldoende steun is voor de ontkennende verklaringen van de verdachte. De raadsman heeft ten slotte het voorwaardelijke verzoek gedaan tot het nader horen van de aangeefster.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer
Het hof stelt vast dat de verdachte en de aangeefster 22 jaar een relatie hebben gehad en samenwoonden in [adres 2]; zij was zijn levensgezel in de tenlastegelegde periode. De tenlastegelegde feiten betreffen dan ook gedragingen in de relationele sfeer tussen de verdachte en aangeefster. Deze gedragingen vinden vaak, zo ook in deze zaak, in een zekere beslotenheid plaats. In dit soort zaken zal het hof in het geval waarin een verdachte de tenlastegelegde feiten ontkent, zoals ook hier het geval is, daarom de vraag moeten beantwoorden of de verklaringen van de aangeefster als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.
De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van de aangeefster niet op waarheid berusten en daarmee onbetrouwbaar zijn. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.
Aangeefster heeft op meerdere momenten verklaringen bij de politie afgelegd en later ook als getuige bij de rechter-commissaris. Haar aangifte heeft zij aangevuld met schriftelijke verklaringen. Het hof is van oordeel dat deze verklaringen gedetailleerd en consistent zijn en op onderdelen overeenkomen met objectief vast te stellen feiten. Daarbij komt dat het de door de advocaat-generaal overgelegde screenshot van het patiëntdossier van de aangeefster – waarin gesproken wordt over verschillende letsels, relatietherapie en mishandeling door partner – de verklaringen van het aangeefster ondersteunt.
Het hof acht de verklaringen van de aangeefster daarom betrouwbaar en zal die verklaringen als vertrekpunt nemen voor de beoordeling van de bewijsvraag. Het hof moet vervolgens beoordelen of voldoende steunbewijs aanwezig is voor de tenlastegelegde feiten.
Vrijspraak feit 2 gedachtestreepjes 4 en 5
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen dat wat de verdachte onder feit 2, gedachtestreepjes 4 en 5, ten laste is gelegd. Het hof overweegt hiertoe dat in het dossier onvoldoende steunbewijs zit dat de verklaringen van de aangeefster ondersteunt. Op basis van het voorhanden dossier kan niet vastgesteld worden dat de verdachte de aangeefster een verwarmd mes op de billen, de ribben of de vagina heeft gedrukt of gehouden. Daarnaast is het hof van oordeel dat niet vastgesteld kan worden wat de toedracht is geweest van bij de aangeefster aangetroffen oude fracturen aan haar hand. Het hof zal de verdachte daarom van deze onderdelen van het onder feit 2 tenlastegelegde vrijspreken.
Bewijsoverweging feit 1
Het slachtoffer heeft verklaard dat de verdachte haar handen in het vuur van het gasfornuis heeft gehouden, waardoor zij tweede en derdegraads verbrandingen heeft opgelopen. De aangeefster heeft hier flinke littekens aan overgehouden en moest geopereerd worden. De verdachte stelt hier als alternatief scenario tegenover dat het letsel is ontstaan doordat de aangeefster haar handen heeft verbrand aan de verwarmingsbuis.
Het hof acht de verklaring van de verdachte, met de advocaat-generaal en de rechtbank, niet aannemelijk gelet op de aard van het ontstane letsel. De aangifte wordt ondersteund door de informatie van de spoedeisende hulp in het dossier. Daaruit komt naar voren dat de reden van de komst naar de spoedeisende hulp de brandwonden aan beide handen van aangeefster was. Onder meer is aan de rechterhand een tweedegraads verbranding op de handrug geconstateerd, een zwelling en hematoom van de 2e en 3e knokkel en op de linkerhand een forse tweedegraads verbranding van de handrug, forse zwelling en hematoom van gehele handrug. Uit de brief van de medisch manager Brandwondencentrum blijkt dat de handruggen centraal derdegraads zijn verbrand en de randen diep tweedegraads. Daarnaast volgt uit de forensisch medische letselrapportage onder meer dat er aan de bovenzijde van de linkerhand vanaf de bovenste helft van de handrug tot ongeveer halverwege de pink, ring- en middelvinger een lichtroze huidverkleuring zichtbaar is. De huid is wat ‘rimpelig’ en glanzend. Op de handrug van de rechterhand is in het verlengde van de pink en de ringvinger een ovale bruine huidverkleuring zichtbaar met centraal daarin een witte huidverkleuring. Het aspect van het litteken aan de linkerhand past bij een brandverwonding. Littekenweefsel herstelt nooit volledig, zo blijkt uit de rapportage van de forensisch arts.
Het hof is van oordeel dat het bij de aangeefster geconstateerde letsel niet past bij het door de verdachte geschetste alternatieve scenario en acht de verklaring van de verdachte hierover, met de rechtbank en de advocaat-generaal, dan ook niet aannemelijk. Daarbij merkt het hof nog op dat de verdachte verschillend heeft verklaard over de toedracht van de brandwonden. Bij de politie verklaarde de verdachte aanvankelijk dat zijn handen en die van de aangeefster in elkaar verstrengeld waren toen deze werden verbrand aan de verwarmingsbuis, terwijl hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij en de aangeefster naast elkaar lagen op hun buik met hun armen over het bed en daarbij de verwarmingsbuis zouden hebben geraakt. Daarbij is opvallend dat de verdachte zelf weinig letsel aan zijn hand(en) heeft.
Het hof is van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen is.
Bewijsoverweging feit 2
In de hieronder in de bewijsmiddelen genoemde brief van de Spoedeisende Hulp West, opgesteld door drs. [deskundige 1] , Huisarts in opleiding Spoedeisende Hulp op 19 april 2016 (als bijlage 7-1 gevoegd bij de aangifte, pagina 55 t/m 57 van het procesdossier), alsmede in de brief van de Verpleegafdeling B4 Acuut, OLVG West, opgesteld door mw. [deskundige 2] , arts-assistent chirurgie, mede namens dr. [deskundige 3] , chirurg, op 31 mei 2018 (als bijlage 7-3 gevoegd bij de aangifte, pagina 60 t/m 61 van het procesdossie), is opgenomen dat mogelijk sprake is van huiselijk geweld/ mishandeling door de partner. Dit is ook te lezen in het overzicht journaalregels, opgesteld door [deskundige 4] , huisarts, op 16 maart 2022, digitale pagina 15 t/m 19 van het aanvullend procesdossier. Het hof betrekt dit bij zijn oordeel over de aannemelijkheid van de door de aangeefster, respectievelijk de verdachte benoemde scenario’s.
Gedachtestreepje 1
De aangeefster beschrijft in de bijlage bij haar aangifte een incident van 31 mei 2018, waarbij zij twee gebroken ribben en een klaplong heeft opgelopen. De aangifte wordt ondersteund door de brief van [deskundige 2] , arts-assistent chirurgie van het OLVG-ziekenhuis. De verdachte heeft hierover tijdens zijn verhoor bij de politie op 14 juli 2022 bekend dat hij de aangeefster hard heeft geslagen. In zijn latere verklaringen komt de verdachte op deze verklaring terug en stelt hij dat dit onjuist is vertaald. Hij ontkent dat de ribben van de aangeefster door zijn toedoen zijn gebroken en stelt daar als alternatief scenario tegenover dat dit is gebeurd na een val van de trap tijdens het stofzuigen.
Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor van 14 juli 2022. De verklaringen van de verdachte zijn afgelegd met bijstand van zijn raadsman en de verdachte heeft na het verhoor zijn verklaring doorgelezen en is hiermee akkoord gegaan. Het hof acht daarnaast het alternatieve scenario niet aannemelijk. Voor dat scenario ontbreekt een overtuigende, objectieve onderbouwing en ook overigens biedt het dossier voor dat scenario onvoldoende aanknopingspunten. Het hof gaat, gelet op het voorgaande, uit van de verklaring van de verdachte bij de politie.
Gedachtestreepje 2
De aangeefster beschrijft in de bijlage bij haar aangifte dat de verdachte haar herhaaldelijk in de borst en de rug heeft geraakt met een open handpalm, omdat zij te veel hoestte. De aangifte op dit punt wordt ondersteund door een overzicht journaalregels waaruit blijkt dat zij bij de huisarts is geweest met pijn rond de borst en dat zij daar heeft aangegeven dat zij is geslagen door haar partner. De verdachte heeft op 14 juli 2022 ten overstaande van de politie verklaard en ook ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat hij de aangeefster heeft weggeduwd met open handpalm.
Gedachtestreepje 3
De aangeefster beschrijft in de bijlage bij haar aangifte dat de verdachte in totaal drie keer haar haar heeft afgeknipt. In oktober 2015 heeft de verdachte haar haar afgeknipt totdat zij bijna kaal was, waarna zij twee jaar lang pruiken, weefsels en hair extentions moest dragen. De aangifte wordt ondersteund door de getuigenverklaringen in het dossier. De getuige [getuige 1] verklaart onder meer dat het haar van de aangeefster eruit was en dat zij een pruik droeg. De getuige [getuige 2] verklaart dat de aangeefster een pruik droeg en dat te zien was dat haar haar onder die pruik heel kort of weg was. Daar komt bij dat de verdachte op 14 juli 2022 bij de politie en bij de rechtbank in eerste aanleg heeft verklaard dat hij de haren van de aangeefster heeft geknipt.
Het hof overweegt ten overvloede dat het afknippen van het haar een vorm is van een tijdelijke verminking, althans op zijn minst van een tijdelijk kwetsende ontsiering van het uiterlijk van de aangeefster. Een dergelijke gedraging veroorzaakt een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, zodat sprake is van mishandeling.
Het hof is, concluderend, van oordeel dat het onder 2, gedachtestreepjes 1, 2 en 3, tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft voorwaardelijk verzocht de aangeefster nader te horen over de eerder beschreven nieuwe ingebrachte informatie in het geval het hof niet vrijspreekt van feit 2, gedachtestreepjes 3,5, 7 en 8 en deze informatie gebruikt als steunbewijs De door de advocaat-generaal en de advocaat van de benadeelde partij toegestuurde e-mailberichten zien op de verdenkingen onder feit 2, gedachtestreepjes 3, 5 7 en 8. Het hof heeft hiervoor overwogen dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven (partiële) vrijspraak van feit 2, gedachtestreepjes 6, 7 en 8.
Gelet op het feit dat het hof de nieuwe stukken niet bezigt voor het bewijs ten aanzien van het derde gedachtestreepje, het hof de verdachte vrijspreekt van hetgeen onder het vijfde gedachtestreepje is tenlastegelegd en het zevende en achtste gedachtestreepje niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen, wijst het hof het voorwaardelijk verzoek reeds op die gronden af. Ook overigens acht het hof de aangevoerde redenen voor het in dit stadium van het geding nader horen over de ingebrachte informatie van onvoldoende gewicht en niet noodzakelijk. Het betrekt daarbij dat de aangeefster op verzoek van de verdachte al uitgebreid is gehoord bij de rechter-commissaris in bijzijn van de raadsman, en er geen sprake is van nieuwe belastende informatie.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.primairhij op 18 april 2016 te [adres 2], gemeente Haarlemmerliede ca, aan zijn levensgezellin, te weten: [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstige tweede en/of derdegraads brandwonden aan beide handen, heeft toegebracht door voornoemde persoon met haar handen in het vuur (van het gasfornuis) te houden;
2.hij in de periode van 15 juli 2010 tot en met 30 november 2020 in Nederland, telkens opzettelijk zijn levensgezellin, te weten [slachtoffer] , heeft mishandeld, door voornoemde persoon:
- te slaan (al dan niet met enig voorwerp) tegen het lichaam en
- te duwen met een open handpalm tegen het lichaam
- de haren af te knippen.
Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hieronder weergegeven bewijsmiddelen zijn vervat:
De verklaring die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg op 31 juli 2025 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het slachtoffer en ik hebben 22 jaar een relatie gehad. Onze relatie is begonnen in 1998 en geëindigd in 2020. We woonden sinds 2007 samen in [adres 2] We hadden samen een bedrijf. In 2019 hebben we samen een dochter gekregen.
Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 14 juli 2022 met bijlage, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, pagina 127 t/m 140 van het procesdossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
16 A: Ik heb haar toen hard geslagen.
18 A: Ik heb haar weggeduwd met mijn open handpalm.
Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 13 en 20 januari 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, pagina’s 8 t/m 28 van het procesdossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik wil aangifte van huiselijk geweld doen tegen [verdachte] , de vader van mijn kind. Dit is bijna mijn hele relatie gebeurd. Het meeste is gebeurd in [adres 2]. Daar woonden we vanaf 2007 tot 2020. Sinds november 2020 is de relatie officieel over.
Ik had blauwe plekken soms door de stok van de bezem. Het litteken op mijn rechterbil is van het slaan van de bezem. De metalen bezemstok was stukgegaan, omdat hij me zo vaak en hard had geslagen.
De keer die mij het meest is bijgebleven is denk ik van toen mijn handen verbrand waren. Hij bracht me naar de keuken en hij deed de voorste pit van het gasfornuis aan en hield eerst mijn rechterhand ongeveer vijf seconden in het vuur en toen duwde hij mijn linkerhand in het vuur voor ongeveer tien seconden. Ik heb hierdoor flinke littekens op mijn handen. Ik moest toen geopereerd worden. Ik heb een ziekenhuisrapport. Dat is van 19 april 2016. We woonden toen in [adres 2]. Het heeft zich thuis afgespeeld. Ik ben de volgende dag naar het ziekenhuis geweest naar de Eerste Hulp. Ik ging daar naartoe omdat de pijn het meest ergst ooit was. Het was erger dan mijn bevalling. De vellen hingen van mijn handen. Ik had ook gips voor een tijdje en kon niet werken.
Een geschrift van de aangeefster, betreffende hetgeen zij zich kan herinneren van jaren geleden, gevoegd is als bijlage 2 bij de aangifte, pagina 32 t/m 37 van het procesdossier.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Oktober 2015. Mijn haar zat toen in een staart. Hij nam een schaar en knipte af wat in het haarelastiek zat. Hij stopte pas toen ik bijna kaal was. Ik moest ongeveer twee jaar pruiken, weefsels en hair extensions dragen.
31 mei 2018. Een zeer vergelijkbare situatie deed zich voor waarbij twee van mijn ribben waren gebroken. Een van de scherpe randen van de gebroken rib doorboorde mijn long. Ik ging naar het ziekenhuis omdat ik niet kon ademen. Ik werd ongeveer een week opgenomen. Röntgenfoto van de borst. Ik werd herhaaldelijk in de borst en rug geraakt met een open handpalm omdat ik te veel hoestte voor hem. Na het pak slaag ging ik naar de huisarts en vertelde de dokter wat er was gebeurd. De dokter bestelde wat thoraxfoto's vanwege de hevige pijn in mijn borst.
Heupröntgenfoto - ik had een röntgenfoto van mijn rechterheup nodig omdat ik eerder zo vaak was geraakt. Ik heb een groot litteken op mijn rechterbil.
2019. Daarna sloeg hij me een paar keer in mijn buik en knipte hij mijn haar weer af.
Een brief van de Spoedeisende Hulp West, opgesteld door drs. [deskundige 1] , Huisarts in opleiding Spoedeisende Hulp op 19 april 2016, als bijlage 7-1 gevoegd bij de aangifte, pagina 55 t/m 57 van het procesdossier.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Betreft: [slachtoffer] .
Geboren: [geboortedag 2] -1978.
Uw bovengenoemde patiënt bezocht 19-4-2016 de afdeling Spoedeisende Hulp van OLVG.
Lichamelijk onderzoek:
Rechterhand: 2e graads verbranding op de handrug in de 4e straal inc knokkel, proximaal op 3e vinger en over DIP gewricht van de 2e vinger.
Linker hand: een forse 2e graads verbranding van de handrug inc de 3e en 4e knokkel + proximale vinger. Op DIP van 2e en 5e vinger een brandblaar. (TVLO: halve handpalm) CRT Niet meetbaar. Forse zwelling en hematoom van gehele handrug. Drukpijn over 3e en 4e metacarpalia.
Röntgenonderzoek:
X-hand links: Fractuur midfalanx dig 4 in goede anatomische stand. Duidelijk callusvorming zichtbaar. Oudere fractuur.
Addendum:
CAVE huiselijk geweld. Patiënte geeft tijdens het gesprek toe dat deze wonden haar door geweld zijn aangedaan. Net als de verwondingen van eerdere SEH-bezoeken.
Een brief van de Verpleegafdeling B4 Acuut, OLVG West, opgesteld door mw. [deskundige 2] , arts-assistent chirurgie, mede namens dr. [deskundige 3] , chirurg, op 31 mei 2018, als bijlage 7-3 gevoegd bij de aangifte, pagina 60 t/m 61 van het procesdossier.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Betreft: Mw. [slachtoffer] .
Geboren: [geboortedag 2] -1978.
Uw bovenstaande patiënte was opgenomen op de afdeling algemene chirurgie van OLVG-West van 30-5-2018 tot 4-6-2018.
Opname-indicatie:
Pneumothorax en fractuur costa 7 en 8 links.
Decursus:
Bij opname was er verdenking op mogelijk mishandeling.
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 19 april 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, pagina 96 t/m 99 van het procesdossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik heb tijdens het woning zoeken wel aangegeven dat haar haar eruit was. Toen liep ze met een pruik.
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 19 april 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, pagina 100 t/m 102 van het procesdossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ze kwam een keer met een pruik binnen en dan zag je dat haar haar onder de pruik heel kort of weg was, hap met een schaar.
Een letselrapportage Forensische Geneeskunde GGD [locatie], opgesteld door [deskundige 5] , Forensisch arts, op 10 maart 2022, pagina 82 t/m 85 van het procesdossier.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Datum onderzoek: 21-02-2022.
Naam en geboortedatum betrokkene: Mw. [slachtoffer] , [geboortedag 2] -1978.
Beschrijving en typering van het letsel:
Armen:
4. Aan de bovenzijde van de linkerhand is vanaf de bovenste helft van de handrug tot ongeveer halverwege de pink, ring- en middelvinger een lichtroze huidverkleuring zichtbaar. De huid is hier niet egaal, maar wat ‘rimpelig’ en glanzend. Aan de onderzijde is een streepvormige witte huidverkleuring zichtbaar van ongeveer 7 cm lengte en 0,3 cm breedte.
5. Op de handrug van de rechterhand is in het verlengde van de pink en de ringvinger een ovale bruine huidverkleuring zichtbaar met centraal daarin een witte huidverkleuring. De afmetingen zijn 1,5 x l cm.
6. Aan de binnenzijde van de rechterhand is aan het middelste kootje van de middelvinger een streepvormige witte huidverkleuring zichtbaar van ongeveer 2 cm lengte en 0,1 cm breedte.
Soort verwonding:
De letsels betreffen littekens.
Verwachte genezingsduur:
Littekenweefsel herstelt nooit volledig.
Conclusie:
Er worden meerdere littekens gezien aan de handen.
Het aspect van het litteken aan de linkerhand past bij een brandverwonding.
Een verkort overzicht van het uittreksel van het huisarts dossier, opgesteld door [deskundige 4] , huisarts, op 6 juni 2016, digitale pagina 14 van het aanvullend procesdossier.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Betreffende: Mevr. [slachtoffer] , [geboortedag 2] -1978.
4/16
SEH/RKZ.
Ernstige brandwond beide handruggen, 3de graads.
Een overzicht journaalregels, opgesteld door [deskundige 4] , huisarts, op 16 maart 2022, digitale pagina 15 t/m 19 van het aanvullend procesdossier.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Mevr. [slachtoffer] , [geboortedag 2] -1978.
02-03-2015
Pijn rond de borst, geslagen door partner;
Drukpijn thorax en sternum;
Mishandeling/seksueel misbruik door partner;
X-ray.
Een brief van het Rode Kruis Ziekenhuis, afdeling Plastische- Reconstructieve- en Handchirurgie, opgesteld door dhr. [deskundige 6] , plastisch chirurg, op 26 mei 2016, digitale pagina 20 van het aanvullend procesdossier.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Betreft: Mw. [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] -1978.
Op 23 mei 2016 zag ik bovengenoemde patiënte opnieuw ter controle na een operatieve correctie van de diepe dorsale handverbrandingen die onder onduidelijke omstandigheden in de huiselijke sfeer zijn ontstaan. In het kader van de blootliggende extensorpezen bestond er geen mogelijkheid voor huidtransplantatie en werd gekozen voor een reconstructie middels een transpositie waarbij grote mobilisaties van dorsale huid over de handrug noodzakelijk bleek. De gipsnabehandeling is succesvol verlopen. De hechtingen werden partieel verwijderd en een verdere controle met opnieuw gipswissel over één week werd afgesproken. De verwachting is dan dat de rest van de hechtingen worden verwijderd en dat er vanaf dat moment geleidelijk aan met handtherapie kan worden gerevalideerd.
Een brief van het Rode Kruis Ziekenhuis, afdeling Plastische- Reconstructieve en Handchirurgie, opgesteld door dhr. [deskundige 6] , plastisch chirurg, op 9 mei 2016, digitale pagina 22 van het aanvullend procesdossier.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Betreft: Mw. [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] -1978.
Reden van verwijzing:
Diepe dorsale handverbranding Links.
Lichamelijk onderzoek:
Operatie indicatie.
Conclusie:
Heden operatief herstel.
Beleid:
Narcose, bloedleegte voor de Li arm.resectie eschar, haemostasis. Transpositie reconstructie met sparen van de takjes van de N radialis en ramus dorsalis N ulnaris. Nylon 3-0 voor sluiting, deels volgens Donati. Fucidine verband en gips immobilisatie. Poli 5 dagen voor wondinspectie en gips wissel.
Een brief van het Rode Kruis Ziekenhuis, afdeling Brandwondenzorg, opgesteld door dhr. [deskundige 7] , medisch manager Brandwondencentrum op 26 april 2016, digitale pagina 23 van het aanvullend procesdossier.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Betreft: Mw. [slachtoffer] , geboren [geboortedag 2] -1978.
Bovengenoemde patiënte bezocht op 22-04-2016 de polikliniek chirurgie.
Lichamelijk onderzoek:
Handruggen: centraal derdegraads, randen diep tweede.
Een email van de advocaat-generaal mr. S.H.S. Kurniawan-Ayre van 27 mei 2026.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Mr. Rotgans heeft mij einde van de middag gemaild. Daarbij was een PDF bestand gevoegd, zijnde kort gezegd een patiëntdossier van mevr. [slachtoffer] , dat mr. Rotgans van haar cliënte per mail heeft ontvangen. Dit bestand bevat 20 pagina’s. Dit bestand bevat onder meer informatie dat zich al in het dossier bevindt (…),
Ik heb (…) daaruit in aanvulling op hetgeen al in het dossier zit een aantal stukken geplakt omdat die mogelijk relevant kunnen worden geacht voor de zaak.
Brandwonden beide handen 26-05-2016 blootliggende extensorpezen bestond geen
mogelijkheid voor huidtransplantatie, werd gekozen voor een reconstructie middels een transpositie waarbij grote mobilidaties van dorsale huid over de handrug noodzakelijk bleek.
*Pectus excavatum 09-03-2015 Volgende week start de relatietherapie, ze hebben er weinig overgepraat, hij kan zich
moeilijk inhouden en wacht op therapie om
hem te helpen.
Mishandeling/seksueel 02-03-2015 Pijn rond de borst, geslagen door partner.
misbruik door partner drukpin thorax en sternum
Mishandeling/seksueel misbruik door partner
Brief: Verw X-thorax
X-ray
Er komt nog relatietherapie. Partner wil ook
in therapie
Advies aangifte te doen
De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
zware mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht bij strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij verwijst in het kader van de persoonlijke omstandigheden naar het reclasseringsadvies van 9 juli 2025. Ten aanzien van de voorlopige hechtenis heeft de raadsman verzocht om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere geweldsdelicten tegen zijn toenmalige levensgezel over een lange periode. Hij heeft haar zwaar mishandeld door haar handen in het vuur van het gasfornuis te houden. Daarnaast heeft hij haar mishandeld door haar te slaan tegen het lichaam, door haar te duwen met een open handpalm tegen het lichaam en door haar haren af te knippen. De aangeefster heeft door dit geweld pijn en ernstig letsel opgelopen, waaronder tweede- en derdegraads brandwonden aan haar handen, een klaplong en gebroken ribben. Hiermee heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster. Algemeen bekend is dat met name mishandelingen in de relationele sfeer een grote impact hebben op slachtoffers en nog lange tijd gevoelens van onveiligheid kunnen veroorzaken. De aangeefster had erop mogen vertrouwen dat zij veilig was, juist bij haar levensgezel, en dit vertrouwen heeft de verdachte geschaad. Het hof neemt dit de verdachte zeer kwalijk.
Uit het dossier is op te maken dat jarenlang sprake is geweest van een uiterst onveilige thuissituatie. Het hof beschouwt het handelen van de verdachte als intieme terreur. Uit onder meer de aanvullende slachtofferverklaring, die namens het slachtoffer ter terechtzitting is voorgedragen, blijkt dat de feiten een grote impact hebben op haar leven, dat zij last heeft van chronische pijn en ernstige stress, dat zij zich angstig en onveilig voelt en dat zij het moeilijk vindt om stabiele en veilige relaties aan te gaan en te onderhouden. Het geweld heeft permanente littekens op haar lichaam achtergelaten, hetgeen een voortdurende psychologische en sociale belasting vormt.
De verdachte heeft dit alles ter terechtzitting in hoger beroep terzijde geschoven en vooral de aangeefster beschuldigd. Daarmee heeft de verdachte te kennen gegeven geen enkel inzicht in zijn eigen handelen te hebben en geen enkele verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daden.
Gelet op de aard en ernst van de feiten, het letsel en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, acht het hof een gevangenisstraf van aanzienlijke duur, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, passend en geboden, ter vergelding van het leed dat de verdachte het slachtoffer heeft aangedaan.
Het hof stelt met de rechtbank vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van een strafzaak als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. De verdachte is op 13 juli 2022 in verzekering gesteld. Het vonnis in eerste aanleg is op 14 augustus 2025 gewezen. De redelijke termijn is daarmee met dertien maanden overschreden. In deze overschrijding ziet het hof net als de rechtbank aanleiding om de door de advocaat-generaal gevorderde straf te matigen met tien procent.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. De voorwaardelijke gevangenisstraf en langere proeftijd dienen als stok achter de deur, zodat de verdachte zich niet nogmaals schuldig zal maken aan dergelijke feiten. Zoals al naar voren komt uit het hiervoor overwogene blijkt dat de verdachte het kwalijke van zijn handelen niet inziet. Het feit dat de verdachte, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft uitgesproken, de sterke wens heeft zijn kind weer te zien, zou hem ertoe kunnen verleiden in de toekomst pogingen te doen (ongewenst) contact met het slachtoffer, tevens de moeder van zijn kind, op te nemen. Uit het feit dat het slachtoffer, zoals haar advocaat ter zitting in hoger beroep heeft aangegeven, verblijft op een geheim adres en een alarmknop draagt, blijkt wel dat zij nog steeds bang is voor de verdachte. Het hof legt gelet daarop ook – net als de rechtbank – als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer op.
Voorlopige hechtenis
Het hof ziet geen aanleiding het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen en wijst het verzoek van de raadsman hiertoe af.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.354,70, bestaande uit € 354,70 materiële schade en € 20.000,00 immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.354,70, te weten € 354,70 materiële schade en € 10.000,00 immateriële schade. De benadeelde partij is voor het méér gevorderde niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft de volledige toewijzing van de vordering benadeelde partij gevorderd.
De verdediging heeft ter terechtzitting primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair is verzocht de vordering te matigen voor zover vrijspraak volgt van onderdelen van de tenlastelegging. Meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering wordt toegekend tot maximaal het door de rechtbank toegewezen bedrag.
De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het hof de vordering in zijn geheel toewijst.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, zowel materieel als immaterieel. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft het gevorderde schadebedrag onderbouwd door middel van een schriftelijke schadeonderbouwing van 31 juli 2025 en een nadere toelichting ter terechtzitting in hoger beroep.
Materiële schade
De vordering ten aanzien van de materiële schade bedraagt € 354,70 en bestaat uit verhuis- en opslagkosten.
De gemaakte kosten zijn voldoende onderbouwd en niet (voldoende) inhoudelijk betwist door de verdediging. Nu deze kosten het hof voorts niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, liggen deze als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde voor toewijzing gereed.
Het hof overweegt dat het volledige gevorderde bedrag van materiële schade van € 354,70, te vermeerderen met de wettelijke rente, toewijsbaar is.
Immateriële schade
Aanspraak
Het hof is van oordeel dat genoegzaam is onderbouwd dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Er is sprake van objectief vastgesteld letsel in de zin van art. 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). De verdachte heeft de handen van de benadeelde partij in het vuur van het gasfornuis gehouden, waardoor zij ernstige tweede- en derdegraads brandwonden opgelopen heeft. Het letsel was van dien aard dat een operatie noodzakelijk was. De benadeelde partij heeft blijvende littekens aan haar handen overgehouden aan het geweld. Daarnaast heeft de verdachte de benadeelde partij geslagen en geduwd, als gevolg waarvan haar ribben zijn gebroken en zij een klaplong had. Ook is de benadeelde partij blijkens de verklaring van de psycholoog getraumatiseerd, mogelijk met een complexe posttraumatische stressstoornis (PTSS), waarvoor een langdurige jarenlange behandeling noodzakelijk is, zodat ook sprake is van geestelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 subsidiair b BW. Een traumagerichte aanpak zoals EMDR is volgens de psycholoog nodig om de benadeelde partij te stabiliseren en de trauma’s te verwerken.
Begroting
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Verder dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Concreet heeft het hof acht geslagen op de Rotterdamse Schaal (RS) in samenhang met de ‘Aanbevelingen rechtspraak voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW’ (rechtspraak.nl).
Voor de begroting van de immateriële schade sluit het hof wat betreft het geestelijk letsel aan bij de Rotterdamse Schaal, paragraaf 14.2, categorie c), zijnde Posttraumatische Stressstoornis (PTSS), middelzwaar (€ 5.500,00 tot € 16.000,00).
Ten aanzien van het lichamelijke letsel, zijnde de verbrande handen met blijvende littekens, neemt het hof als uitgangspunt de Rotterdamse Schaal, paragraaf 5.11, categorie c): minder ernstig handletsel (€ 4.000,00 tot € 10.000,00) en hoofdstuk 10 categorie c): minder ernstige littekenvorming (€ 1.500,00 tot € 5.500,00).
Het hof gaat ten aanzien van de klaplong uit van de Rotterdamse Schaal, paragraaf 4.1 categorie f), minst ernstige borstletsel, met een bandbreedte van € 2.675,00 tot € 3.500,00.
Ten slotte sluit het hof ten aanzien van de gebroken ribben aan bij de Rotterdamse Schaal, hoofdstuk 13, categorie b) en gaat uit van een herstelperiode van ongeveer twee tot vier maanden (€ 725,00 tot € 2.175,00).
Het hof stelt alles afwegend en in onderlinge samenhang bezien de totale omvang van de vergoedbare immateriële schade van deze benadeelde partij naar billijkheid vast op € 15.000 euro, vermeerderd met de wettelijke rente.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan die vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente
Ten aanzien van de materiële en immateriële schade heeft de rechtbank de ingangsdatum bepaald op 18 april 2016, omdat dit de pleegdatum is van het onder feit 1 bewezenverklaarde feit en de datum bovendien ongeveer in het midden van de pleegperiode valt van het onder 2 bewezenverklaarde feit. Het hof zal daar ook vanuit gaan nu daar geen concreet verweer op is gevoerd.
Schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3, en onder 2, gedachtestreepjes 6, 7 en 8, tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2, gedachtestreepjes 1, 2 en 3, tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2, gedachtestreepjes 1, 2 en 3, bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat:
de verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1978 in de [geboorteland 2] . De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.354,70 (vijftienduizend driehonderdvierenvijftig euro en zeventig cent) bestaande uit € 354,70 (driehonderdvierenvijftig euro en zeventig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.354,70 (vijftienduizend driehonderdvierenvijftig euro en zeventig cent) bestaande uit € 354,70 (driehonderdvierenvijftig euro en zeventig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 101 (honderdéén) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Wijst af het verzoek tot opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. W.F. Groos en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van
mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 juni 2026.
Mr. W.F. Groos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
De griffier is tevens buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.