afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000591-26
datum uitspraak: 20 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 maart 2026 in de strafzaak onder parketnummer 15-338304-25 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
adres: [adres 1] ,
gedetineerd in [detentieadres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. primairhij op of omstreeks 4 oktober 2025 te Schiphol en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
1. subsidiairhij op of omstreeks 4 oktober 2025 te Schiphol en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk zonder registratie een of meer werkzame stoffen, te weten ketamine, heeft bereid, heeft ingevoerd, in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft afgeleverd, heeft uitgevoerd en/of anderszins binnen en/of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht dan wel in die werkzame stoffen een groothandel heeft gedreven;
2.hij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Schiphol en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waartegen beroep
Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.
Bewijsoverwegingen
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte vrij moet worden gesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde feit en heeft zich ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat het medeplegen met de medeverdachte [medeverdachte 1] niet kan worden bewezen.
Feit 1
Het hof is, met de advocaat-generaal en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden wat de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit is het hof van oordeel dat, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte en de inhoud van de stukken in het dossier, bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich op 4 oktober 2025 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen met [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) van de uitvoer uit Nederland van een hoeveelheid ketamine zonder registratie.
Feit 2
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit is het hof van oordeel dat, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte en de inhoud van de stukken in het dossier, bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich op 27 oktober 2025 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen met [medeverdachte 2] van de uitvoer uit Nederland van een hoeveelheid MDMA.
Daarnaast is het hof – in tegenstelling tot de raadsman – van oordeel dat ook het medeplegen met de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) bewezen kan worden.
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking die gericht is op het voltooien van het delict.
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting (onder meer) het navolgende af over de samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 1] .
Op 24 oktober 2025 heeft de verdachte zijn buurman [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 2] geïntroduceerd om verdovende middelen uit te voeren door middel van het slikken van bollen. In de berichten tussen de verdachte en [medeverdachte 2] is onder meer besproken hoeveel bollen [medeverdachte 1] kan slikken en is een foto van het paspoort van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] gestuurd. Ter terechtzitting heeft de verdachte hierover verklaard dat hij deze berichten zelf heeft verstuurd in opdracht van [medeverdachte 1] . Vervolgens zijn de verdachte en [medeverdachte 1] op 26 oktober 2025 samen door een auto afgezet bij het [hotel] , waar zij beiden hebben overnacht. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij en [medeverdachte 1] samen hebben opgetrokken in het hotel en dat zij om beurten de bolletjes hebben geslikt op dezelfde hotelkamer. In de ochtend van 27 oktober 2025 hebben zij [medeverdachte 2] ontmoet in het hotel, waarna de verdachte en [medeverdachte 1] samen in een taxi zijn gestapt, zijn afgereisd naar Parijs en daar in hetzelfde vliegtuig zijn gestapt naar Seoul (Zuid-Korea). Eenmaal geland in Seoul is [medeverdachte 1] aangehouden door de douane, waarna hij berichten heeft uitgewisseld met [medeverdachte 2] . In deze berichten meldt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] dat hij is aangehouden en dat [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) zei dat je zo door kon lopen. Ook stuurt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] een bericht dat hij moet zeggen dat hij alleen was.
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 1] die was gericht op het uitvoeren van verdovende middelen naar Zuid-Korea.
Dat de verdachte en [medeverdachte 1] na de landing in Zuid-Korea beiden naar een andere locatie zouden gaan en zij van elkaar niet wisten welke vergoeding zij zouden krijgen voor de uitvoer, maakt dit voor het hof niet anders.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. subsidiairhij op 4 oktober 2025 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk zonder registratie een werkzame stof, te weten ketamine, heeft uitgevoerd;
2.hij op 27 oktober 2025 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA.
Anders dan de advocaat-generaal ter terechtzitting heeft bepleit, is het hof van oordeel dat de zinssnede “zijnde MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet” niet in de bewezenverklaring thuishoort aangezien dit onderdeel van de tenlastelegging kwalificatief van aard is.
Hetgeen onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de rechtbank bijzondere voorwaarden opgelegd.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal is bij de bepaling van deze straf uitgegaan van een hoeveelheid van 700 gram voor feit 1 subsidiair en een hoeveelheid van in totaal 2.100 gram (1.200 gram van de verdachte en 900 gram van de medeverdachte [medeverdachte 1] ) voor feit 2. Daarnaast heeft de advocaat-generaal de oplegging van bijzondere voorwaarden gevorderd conform de rechtbank in eerste aanleg.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op de datum van de uitspraak, te weten 314 dagen, op te leggen. Subsidiair heeft hij verzocht eenzelfde gevangenisstraf op te leggen met daarbij nog een voorwaardelijk deel. Op deze manier zou rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden en de beperkte rol van de verdachte. Ten aanzien van de aan te nemen hoeveelheid voor het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er uit moet worden gegaan van een hoeveelheid van ongeveer 750 gram netto (in ieder geval niet meer dan 1000 gram netto) die de verdachte zelf bij zich had. Daarnaast heeft de raadsman – in het geval het hof tot een bewezenverklaring van medeplegen met [medeverdachte 1] komt – zich op het standpunt gesteld dat de hoeveelheid van de medeverdachte [medeverdachte 1] niet bij de hoeveelheid van de verdachte moet worden gerekend, nu niet bekend is welk verdovend middel en/of welke hoeveelheid [medeverdachte 1] , die in Zuid-Korea is veroordeeld, bij zich had.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met (een) ander(en) schuldig gemaakt aan de uitvoer van MDMA en aan de uitvoer (zonder registratie) van ketamine. Verdovende middelen zijn schadelijk voor de gezondheid van de gebruikers. Daarnaast gaat de handel in verdovende middelen gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, overlast voor de maatschappij en geweld tegen onschuldige personen – zowel in Nederland als in andere bij deze handel betrokken landen. Door zijn handelwijze heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het internationale netwerk van handel in verdovende middelen.
Met betrekking tot de hoeveelheden verdovende middelen overweegt het hof het volgende. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde gaat het hof – net als de rechtbank en de advocaat-generaal – uit van 700 gram ketamine. Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde gaat het hof ervan uit dat de verdachte zelf een nettogewicht van ongeveer 1000 gram MDMA (150 bollen van elk 8 gram bruto, min het gewicht van de verpakkingen) bij zich had. Verder is naar het oordeel van het hof niet vast komen te staan welke stof en welke hoeveelheid [medeverdachte 1] heeft uitgevoerd, zodat dit niet aan de verdachte kan worden toegerekend.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft het hof acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor de uitvoer van harddrugs. Daarin wordt voor de uitvoer van ongeveer 1000 gram MDMA in georganiseerd verband een gevangenisstraf van 8 tot 12 maanden genoemd. In deze zaak is ook nog sprake van uitvoer van ketamine.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 september 2026, waaruit blijkt dat hij eerder – zowel in Nederland als in het buitenland – onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Het hof vindt, net als de rechtbank, het bij de strafoplegging van belang dat de door de reclassering
geadviseerde bijzondere voorwaarden aan de verdachte worden opgelegd, zodat hij de juiste
hulp en begeleiding krijgt.
Het hof acht – alles afwegende – een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waartegen beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- de verdachte zich na zijn detentie binnen een week meldt op afspraak bij Reclassering [plaats] (Leger des Heils) op het adres [adres 2] . Daarna meldt hij zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
- de verdachte meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik
te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I en lijst II en/of middelen
die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles
kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt
hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- de verdachte zich ambulant laat begeleiden door een zorgverlener, te bepalen door de
reclassering. De zorgverlener/begeleider kan hem ondersteunen bij het aanvragen van
een WMO-indicatie, indien blijkt dat hij hier niet (meer) over beschikt. De begeleiding
duurt de gehele toezichtperiode of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De
verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor
de begeleiding.
- Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde
lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden
en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn van rechtswege dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen
van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid,
van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Radder, mr. E. de Greeve en mr. K.J. Veenstra, in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. van Wieren, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 oktober 2026.
Mr. K.J. Veenstra is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]