RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71-057820-26 (P)
Datum vonnis: 30 september 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1994 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 september 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat in Amsterdam-Duivendrecht, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: in de periode van 24 maart 2025 tot en met 24 maart 2026 samen met anderen opzettelijk 45,7 gram cocaïne, 2,7 gram heroïne en 0,7 gram methadon heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, dan wel aanwezig gehad;
feit 2: op 24 maart 2026 samen met anderen opzettelijk zonder registratie 83,4 gram ketamine heeft bereid, ingevoerd, in voorraad gehad, te koop heeft aangeboden, heeft afgeleverd en/of ingevoerd/uitgevoerd, dan wel een groothandel heeft gedreven in ketamine;
feit 3: op 21 februari 2025 samen met anderen 25,3 gram cocaïne en 6,2 gram MDMA heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, dan wel aanwezig gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
zij op of omstreeks 24 maart 2026 te [plaats], althans in Nederland, tezamen
en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid
en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of
vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 45,7 gram, in elk
geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine en/of ongeveer 2,7
gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroine en/of
ongeveer 0,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
methadon, zijnde cocaine en/of heroine en/of methadon, (telkens) een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het
vijfde lid van artikel 3a van die wet; (Artikel art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van
Strafrecht, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 10 lid 4 Opiumwet)
2
zij, op of omstreeks 24 maart 2026 te [plaats], althans in Nederland, tezamen
en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk
zonder registratie een of meer werkzame stoffen, te weten 83,4 gram ketamine heeft
bereid, heeft ingevoerd, in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft
afgeleverd, heeft uitgevoerd en/of anderszins binnen en/of buiten Nederlands
grondgebied heeft gebracht dan wel in die werkzame stoffen een groothandel heeft
gedreven; (Artikel art 38 lid 1 Geneesmiddelenwet)
3
Onder herroeping van het sepot onder parketnummer 10-058794-25
zij op of omstreeks 21 februari 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of
verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 25,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaine en/of
ongeveer 6,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende MDMA en/of
zijnde cocaine en/of MDMA,
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3 De bewijsmotivering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, omdat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 3
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 3 is ten laste gelegd, omdat op grond van het procesdossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van drugs in de woning aan de [adres] op 21 februari 2025. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde feit.
Overweging feiten 1 en 2
Op 24 maart 2026 om 14.28 uur is medeverdachte [medeverdachte] met een zwarte rugtas zijn woning aan de [adres] in [plaats] binnengegaan. Om 19.25 uur heeft zijn partner, verdachte, de tas verplaatst van de woning naar de bijbehorende kelderbox. In de rugtas zat in plastic zakken (sealbags) in totaal 45,7 gram cocaïne en 80,2 gram ketamine.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de middelen in de rugtas en of deze zich in haar machtssfeer bevonden, met andere woorden dat zij daar daadwerkelijk over kon beschikken.
Verdachte belde [verdachte] op het moment dat hij vermoedde dat hij door de politie zou worden aangehouden na een mogelijke drugsdeal. Direct daarop heeft [verdachte] de rugtas uit de woning gehaald en in de kelderbox achter een houten plaat in de kelderbox neergezet. Op de plastic zakken in de rugtas, waarin de cocaïne en ketamine waren verpakt, is een DNAmengprofiel aangetroffen van minimaal twee personen. Het DNAprofiel van [medeverdachte] komt met dit mengprofiel overeen. Uit de resultaten en berekeningen van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) volgt dat het meer dan 15 miljoen keer waarschijnlijker is dat net DNA-mengprofiel van [medeverdachte] en een onbekende persoon afkomstig is dan van twee willekeurige onbekende personen.
Verdachte heeft tijdens de doorzoeking op 24 maart 2026 op vragen van politieambtenaren gezegd dat er geen kelderbox bij de woning hoorde, terwijl zij wist van het bestaan van de kelderbox en zij ook beschikte over een sleutel van die kelderbox. In het politieverhoor van 25 maart 2026 heeft verdachte verklaard dat er geen kelderbox is opgeleverd bij de woning en dat zij niks kon zeggen over de in de kelderbox aangetroffen tas. Na het aanvankelijke verzwijgen van het bestaan van de kelderbox en het verplaatsen van de rugtas, heeft verdachte ter zitting verklaard dat dat zij wel een rugtas verplaatst heeft vanuit de woning naar de kelderbox, maar dat zij dacht dat er kleding in de tas zat. De rechtbank concludeert uit het bovenstaande dat verdachte de rugtas waarin later de drugs zijn aangetroffen voorhanden heeft gehad en heeft verplaatst naar de garagebox.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat een persoon geacht wordt met de inhoud van een in zijn of haar ter beschikking liggende rugtas bekend te zijn, behoudens bijzondere omstandigheden. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in deze zaak niet aannemelijk geworden. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.
Verdachte verplaatst, vrijwel direct nadat zij door haar partner -die achtervolgd werd door de politie op verdenking van drugshandel- gebeld werd een rugtas vanuit haar woning naar de kelderbox. In die kelderbox verbergt zij die rugtas achter een houten plaat. Als de politie haar woning doorzoekt ontkent zij het bestaan van die kelderbox. Eerst op de terechtzitting bij de rechtbank erkent zij de rugtas voorhanden te hebben gehad en in de kelderbox te hebben gezet en zegt zij -ook voor het eerst- dat zij dacht dat er kleding in zat. De rechtbank acht die verklaring echter niet aannemelijk, door de geschetste gang van zaken.
Het voorgaande in onderling verband beschouwd brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte (minimaal) het voorwaardelijk opzet heeft gehad dat zich drugs, in dit geval cocaïne en ketamine, in de tas bevonden. Gesteld noch gebleken is verder dat verdachte of haar mededader over een registratie beschikten op grond waarvan zij ketamine in voorraad mochten hebben. De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander opzettelijk cocaïne voorhanden en ketamine in voorraad heeft gehad.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte heroïne en methadon voorhanden heeft gehad, nu er zich naast de indicatieve testen geen rapporten van het NFI in het dossier bevinden waaruit volgt dat de stoffen inderdaad heroïne en methadon bevatten, zodat de rechtbank verdachte van dat deel van de tenlastelegging onder feit 2 zal vrijspreken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
zij op 24 maart 2026 te [plaats],
tezamen en in vereniging met een ander,
opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 45,7 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
zij, op 24 maart 2026 te [plaats],
tezamen en in vereniging met een ander,
opzettelijk zonder registratie een werkzame stof, te weten 80,2 gram ketamine in voorraad heeft gehad.
Enkele taal- en/of spelfouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, artikel 38 van de Geneesmiddelenwet, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op de strafbare feiten zoals gekwalificeerd in het dictum van dit vonnis.
5 De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
6 De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft in het kader van de strafmaat gewezen op het feit dat verdachte moeder is van een jong kind en dat haar werk, waarvoor ze nu op non-actief is gesteld, belangrijk voor haar is.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het bezit van 80,2 gram ketamine, ongeveer 2673 gebruikersdoseringen, en 45,7 gram cocaïne. Deze middelen hebben een ontwrichtend en ondermijnend effect op de samenleving. Ook is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en dat dit niet zelden leidt tot verslavingsproblematiek en bijkomende problemen. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de gebruikers zelf, maar ook voor hun eigen omgeving, alsook de maatschappij in het algemeen.
Om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank een deels voorwaardelijke straf opleggen.
Alles afwegende, acht de rechtbank een taakstraf van 150 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren passend en geboden.
7 De toegepaste wettelijke voorschriften
8 De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2, het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen;
- bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte van 50 (vijftig) uren niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.B. Bruins, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. S.M.M. Bordenga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Lautenbag, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Feiten 1 en 2
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Politie Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies met nummer LOKCD26004-0153 (onderzoeksnaam Rugzak). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van bevindingen van 24 maart 2026, pagina’s 160-163, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op dinsdag 24 maart 2026 vond er middels een technisch hulpmiddel een observatie plaats op de woning [adres] in [plaats]. Uit onderzoek is gebleken dat op dit adres [verdachte] en haar partner [medeverdachte] verblijven.
Middels dit technische hulpmiddel werd het volgende waargenomen op dinsdag 24 maart 2026:
Om 14:28 uur verschijnt [medeverdachte] op de galerij waarna hij richting de woning loopt. Over zijn rechter schouder draagt [medeverdachte] een rugtas. De rugtas kan als volgt omschreven worden: Zwart van kleur; Sportief model; Circa 50 centimeter lang; Opvallend bolstaand model.
Om 19:23 uur ontving ik het bericht dat de Ondersteuningsgroep van de eenheid [plaats] overging tot aanhouding van verdachte [medeverdachte], waarbij een kortstondige achtervolging ontstond. Van de digitaal expert ontving ik het bericht dat er op de data-tap in onderzoek 26Sedbergh een zogeheten 'Stun Call' gesprek zichtbaar was tussen de tijdstippen 19:23 uur en 51 seconden tot en met 19:24 en 21 seconden. Later tijdens het onderzoek bleek dat er een telefoongesprek via internet tussen [medeverdachte] en [verdachte] had plaatsgevonden.
Om 19:25 uur verlaat [verdachte] met de kinderwagen de woning. Op de kinderwagen staat een zwartkleurige rugtas. Deze rugtas vertoond meerdere gelijkenissen met de rugtas die [medeverdachte] om 12:48 uur meenam de woning in.
Om 19:26 uur loopt [verdachte] met de kinderwagen, waarop de zwarte rugtas staat richting de lift.
Om 19:30 uur komt [verdachte] bij de voordeur van de woning met de kinderwagen. De rugtas die door [verdachte] was meegenomen in de lift, was niet meer zichtbaar; zowel niet op de rug als niet in de kinderwagen.
2.
Het procesverbaal van bevindingen van 25 maart 2026, pagina 75, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op dinsdag 24 maart 2026 waren wij belast met de doorzoeking van het appartement met adres [adres] te [plaats]. Dit betreft de woning van [medeverdachte], geboren op [geboortedatum 2]. Tijdens de doorzoeking kregen wij een sleutelbos overhandigd met het verzoek om een kelderbox te vinden en te doorzoeken. Op de eerste etage van het pand troffen wij een dichte deur die opengemaakt moest worden met een sleutel. Ik probeerde de sleutel van de sleutelbos en zag dat deze sleutel paste en de deur openging. Wij, verbalisanten, zagen dat deze deur toegang gaf tot meerdere boxen. Wij zagen dat bij één deur het huisnummer ontbrak. Ik probeerde dezelfde sleutel van de sleutelbos op deze deur zonder huisnummer en zag dat de deur openging.
Vervolgens zag ik, verbalisant Platteel, achter de deur een houten plaat tegen de muur aan staan. Achter deze houten plaat zag ik een zwarte rugzak op de grond liggen. Deze rugzak kwam qua omschrijving overeen met de rugzak die ik eerder op de camerabeelden had gezien. In de rugzak zagen wij diverse soorten witte poeders, verpakkingsmaterialen en ponypacks.
3.
Het rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van een overtreding van de Opiumwet van 18 augustus 2026, pagina 303-304, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[Afbeelding]
[Afbeelding]
4.
Het procesverbaal van relaas van 25 maart 2026, pagina’s 9-10, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op dinsdag 24 maart 2026 werden de vermoedelijk verdovende middelen die in de rugtas waren aangetroffen indicatief getest en gewogen. Hieruit kwam het volgende naar voren:
- Zwarte sok met gele ziploc zakken met daarin ponypacks met opdruk 'snow seals', dit had een gewicht van 29,5 gram en testte positief op crack/cocaine
- Rond plastic bakje met witte poederige residu, dit had een gewicht van 10 gram en testte positief op crack/cocaïne
- Drie ponypacks met de opdruk 'pablo', dit had een gewicht van 6,2 gram en testte positief op crack/cocaïne
- Ziploc zakje met wit poederige substantie, dit had een gewicht van 83,4 gram en testte positief op barbiturates/ketamine
5.
Het procesverbaal onderzoek verdovende middelen van 9 april 2026, pagina’s 207-208, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
SIN/UVN [code 1]
Object omschrijving Eén toegevouwen papiertje groot model met opdruk van het hoofd van 'Pablo Escobar' en 'Pablo' met hierin wit poeder en brokjes
6.
Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 16 april 2026, pagina’s 210-211, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
SIN/UVN [code 2]
Object omschrijving Een rond transparant plastic bakje met deksel met hierin wit poeder en brokjes
SIN/UVN [code 3]
Object omschrijving Vijf toegevouwen papiertjes, groot model, met opdruk van een afbeelding van Pablo Escobar en de tekst 'PABLO' met hierin wit poeder en brokjes en daarnaast achttien toegevouwen papiertjes zonder inhoud
SIN/UVN [code 4]
Object omschrijving Een gripzakje met hierin wit kristalachtig poeder
SIN/UVN [code 5]
Object omschrijving Een gripzakje met daarin vijftien toegevouwen papiertjes, klein model met opdruk 'SNOW SEALS' met hierin wit poeder
7.
Geschriften, te weten NFiDENT rapporten van 7 april 2026 en 15 april 2026, pagina’s 209, 219, 220 en 222, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
|
Kenmerk |
Omschrijving FO |
Conclusie |
|
[code 1] |
poeder en brokvormig, wit |
bevat cocaïne |
|
Kenmerk |
Omschrijving FO |
Conclusie |
|
[code 2] |
poeder en brokvormig, wit |
bevat cocaïne |
|
Kenmerk |
Omschrijving FO |
Conclusie |
|
[code 3] |
poeder en brokvormig, wit |
bevat cocaïne |
|
Kenmerk |
Omschrijving FO |
Conclusie |
|
[code 5] |
poeder, wit |
bevat cocaïne |
8.
Het rapport Drugs- en Geneesmiddelenonderzoek van Eurofins van 14 september 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Resultaten identificatieonderzoek
|
Kenmerk |
Omschrijving materiaal |
Resultaat |
|
[code 4] waarvan ontvangen en onderzocht: |
Goed, volgens opgave 80,2 gram wit kristalachtig poeder in één gripzakje |
|
|
[code 6] |
monster witte kristallen |
bevat ketamine (als zout) |
Resultaten kwantitatief onderzoek
|
Kenmerk |
Gecombineerde resultaten van de twee technieken |
|
[code 6] |
de resultaten passen bij het (vrijwel) zuivere zoutzure zout van ketamine |
Het materiaal in goed [[code 4]] bevat (vrijwel) zuivere ketamine•HCl en voldoet aan de definitie van een werkzame stof als gedefinieerd in de Geneesmiddelenwet.
Voor de woonadressen van de verdachten gelden géén registraties voor activiteiten met werkzame stoffen.