ECLI:NL:GHAMS:2026:2865

Datum uitspraak
06-10-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
200.367.535/01 en 200.367.536/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

“Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.”

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.367.535/01 (nevenvoorzieningen) en 200.367.536/01 (verdeling)

zaaknummer rechtbank: C/15/372283/FA RK 25-6118

beschikking van de meervoudige kamer van 6 oktober 2026 in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. K. Yasar te Rotterdam,

en

[de man] ,

wonende te [plaats A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. P. Wieringa te Zaandam.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige 1] , en

- de minderjarige [minderjarige 2] .

1 De zaak in het kort

De zaak gaat over de vraag of de vrouw op tijd het hoger beroep heeft ingesteld en of het hof het hoger beroep in behandeling kan nemen dat de vrouw heeft ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank waarbij de echtscheiding is uitgesproken en waarin de regelingen uit het convenant en het ouderschapsplan zijn opgenomen.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Op de griffie van het hof is op 7 april 2026 per e-mail een bericht ingekomen, waarmee de vrouw in hoger beroep wenst te komen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) van 8 januari 2026 (hierna: de bestreden beschikking). Dit beroepschrift is niet, zoals de wet voorschrijft, door een advocaat ondertekend en ingediend.

2.2

Op 29 april 2026 is door de advocaat van de vrouw een door haar ondertekend beroepschrift ingediend. De inhoud van dit beroepschrift is niet gelijk aan het bericht van de vrouw van 7 april 2026.

2.3

De man heeft op 14 augustus 2026 een verweerschrift, zijnde een akte uitlating ontvankelijkheid, ingediend.

2.4

Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de zijde van de vrouw van 14 april 2026 met bijlage, en

- een bericht van de zijde van de vrouw van 25 augustus 2026 met bijlagen.

2.5

De zitting heeft op 26 augustus 2026 plaatsgevonden waarbij, zoals het hof van tevoren aan partijen had laten weten, uitsluitend de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde is geweest. Daarbij waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat; en

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

3 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1

Op grond van het bepaalde in artikel 359 in verbinding met artikel 278 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een beroepschrift worden ondertekend en ingediend door een advocaat. Indien een verzoekschrift ten onrechte niet door een advocaat is ondertekend en ingediend, biedt de rechter de verzoeker de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn dit verzuim te herstellen. Maakt de verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik, dan wordt hij krachtens het in artikel 281 lid 1 Rv bepaalde in het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Deze bepalingen zijn op grond van artikel 362 Rv van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.

3.2

Het hof stelt vast dat de vrouw met het bericht van 7 april 2026 beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van 8 januari 2026. Dit beroepschrift is zonder tussenkomst van een advocaat ingediend en voldoet daarmee niet aan de eisen van artikel 359 in verbinding met artikel 278 lid 3 Rv. Bij e-mailbericht van 8 april 2026 heeft het hof de vrouw bericht dat het beroepschrift niet voldoet aan de wettelijke vereisten en is zij in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen. Bij e-mailbericht van 14 april 2026 heeft het hof een bericht ter herinnering gestuurd. Bij e-mailbericht van 15 april 2026 en bij brief van 15 april 2026 heeft het hof de vrouw tot 29 april 2026 de gelegenheid gegeven om het verzuim te herstellen, met daarbij de mededeling dat dit enkel kan plaatsvinden door ondertekening van het oorspronkelijke beroepschrift door een advocaat.

Het hof stelt vast dat de advocaat van de vrouw op 29 april 2026 een ander beroepschrift heeft ingediend dan het oorspronkelijke beroepschrift dat de vrouw op 7 april 2026 heeft ingediend. Daarmee heeft de vrouw het verzuim niet op de juiste manier hersteld en kan het hof haar beroepschrift van 7 april 2026 niet in behandeling nemen.

3.3

Het hof overweegt dat het door de advocaat ingediende beroepschrift van 29 april 2026 te laat is ingediend. Op grond van artikel 806 lid 1 sub a Rv dient het hoger beroep immers te worden ingesteld binnen drie maanden na de bestreden beschikking van 8 januari 2026, zijnde uiterlijk op 8 april 2026. Het beroepschrift dat op 29 april 2026 ter griffie van het hof is ontvangen, is buiten deze termijn ingesteld, waardoor er sprake is van een termijnoverschrijding.

De vrouw heeft een beroep gedaan op verschoonbare termijnoverschrijding. Zij stelt zich op het standpunt dat haar redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld. Zij verkeerde ten tijde van en na de echtscheiding in een emotioneel en psychisch kwetsbare positie. Zij was psychisch overbelast, had moeite met het nemen van beslissingen, en kon haar eigen belangen onvoldoende overzien en behartigen. Op een later moment is zij zich bewust geworden van de juridische mogelijkheden en de nadelige gevolgen van het convenant. Na dit inzicht heeft zij onverwijld zelfstandig hoger beroep ingesteld, en nadien een advocaat ingeschakeld voor het opstellen van een beroepschrift.

De man voert gemotiveerd verweer.

Het hof overweegt dat volgens vaste rechtspraak in het belang van een goede rechtspleging omtrent het tijdstip waarop een termijn van hoger beroep eindigt duidelijkheid dient te bestaan en dat daarom aan beroepstermijnen strikt de hand wordt gehouden. Onder bijzondere omstandigheden is een uitzondering daarop gerechtvaardigd. Het hof is echter van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is. Nog daargelaten de vraag of een psychische gesteldheid als uitzondering kan worden aanvaard, is uit de inhoud van de medische verklaring van de GZ-psycholoog onvoldoende gebleken dat bij de vrouw sprake was van een zodanige psychische gesteldheid dat zij niet in staat was haar vermogensrechtelijke en procesrechtelijke belangen te behartigen. Ook is zij vanaf maart 2026 op zoek gegaan naar een advocaat en is zij zelfstandig op 7 april 2026 in hoger beroep gekomen. Hieruit blijkt niet dat zij in die periode niet in staat was om haar vermogensrechtelijke en procesrechtelijke belangen te behartigen. Er is dus geen sprake van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken en een uitzondering op de strikte regels inzake rechtsmiddeltermijnen rechtvaardigen. Het hof zal de vrouw dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep.

3.4

Dit leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. J.M. van Baardewijk en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. N.L. Lusink als griffier en is op 6 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »