ECLI:NL:GHAMS:2026:2853

Datum uitspraak
06-10-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
200.354.460/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Artikel 1022 Rv. Bevoegdheidsincident. Beroep op overeenkomst tot arbitrage. Uitleg van het arbitragebeding. Geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer : 200.354.460/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/351568 / HA ZA 24-213

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 oktober 2026

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [plaats 1] ,

appellant,

advocaat: mr. M.A.M. Lem te Breda,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

wonend in [plaats 2] , gemeente [plaats 3] ,

2. [geïntimeerde 2],

wonend in [plaats 1] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. Y. el Harchaoui te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant] , respectievelijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] (samen: [geïntimeerden] ) genoemd.

1 De zaak in het kort

[appellant] was, via een vennootschap, partner bij de Nederlandse (consultancy)tak van EY. Tussen EY en [appellant] is een conflict ontstaan, (mede) naar aanleiding van een integriteitsmelding door [appellant] . EY heeft de partnerschapsovereenkomst met [appellant] opgezegd. [appellant] verwijt [geïntimeerden] , destijds bestuurders van EY, onzorgvuldig handelen en heeft in verband daarmee vorderingen tegen hen ingesteld. [geïntimeerden] hebben een bevoegdheidsincident opgeworpen en betoogd dat de overheidsrechter niet bevoegd is omdat partijen arbitrage zijn overeengekomen. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard. Het hof bekrachtigt het vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaardingen van 24 februari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 27 november 2024 van de rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Haarlem), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser in de hoofdzaak en in het artikel 223 Rv-incident, verweerder in het bevoegdheidsincident en [geïntimeerden] als gedaagden in de hoofdzaak, verweerders in het artikel 223 Rv-incident, eisers in het bevoegdheidsincident.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Op 27 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. [appellant] mede door mr. H. Bais, advocaat te Amersfoort, en [geïntimeerden] mede door mr. A.S. Renshof, advocaat te Amsterdam. Partijen hebben bij die gelegenheid de volgende stukken in het geding gebracht:

- producties 50 tot en met 52 van [appellant] ;

- producties 56 en 57 van [geïntimeerden] ;

- producties 58 tot en met 60 van [geïntimeerden] ;

- akte houdende verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen van [appellant] ;

- akte houdende vermeerdering van eis, met productie 61 van [geïntimeerden]

Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verstrekt.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.30 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellant] klaagt onder grief I over een aantal onderdelen van deze feitenvaststelling. [geïntimeerden] hebben in hun memorie van antwoord ook enkele opmerkingen gemaakt over de feitenvaststelling in het bestreden vonnis. Voor zover juist en voor de beslissing in hoger beroep van belang heeft het hof met dit alles rekening gehouden. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de feiten neer op het volgende.

EYNL

3.1.

[appellant] is met ingang van 1 april 2014 als consultant en partner werkzaam geweest voor (aanvankelijk) Ernst & Young Accountants LLP (hierna: EYA).

3.2.

In december 2013 en in april 2014 hebben de vennootschap van [appellant] , [bedrijf 1]

(hierna: [bedrijf 1] ), en [appellant] met Ernst & Young Nederland LLP (hierna: EYNL) een “NL Admission Agreement” gesloten. In elk van deze overeenkomsten is arbitrage van toepassing verklaard.

3.3.

[geïntimeerde 1] is van 1 juli 2016 tot 1 juli 2021 bestuursvoorzitter geweest van EYNL. [geïntimeerde 2] is vanaf 1 juli 2013 bestuurder geweest van EYNL. Van 1 juli 2021 tot 29 juni 2024 was hij bestuursvoorzitter van EYNL. Beiden zijn inmiddels niet meer aan EYNL verbonden.

Geschil in 2018

3.4.

In november 2017 heeft [appellant] promotie gemaakt, waardoor hij naast zijn inhoudelijke rol als consultant, ook een (internationaal) coördinerende rol kreeg. [appellant] rapporteerde (voornamelijk) aan [naam 1] en ook aan [naam 2] .

3.5.

Omstreeks 24 september 2018 is tussen [appellant] en [naam 1] discussie ontstaan over een propositie van [appellant] omtrent e-invoicing. Volgens [appellant] heeft [naam 1] die propositie ten onrechte besproken met Accenture, een concurrent van EY. [appellant] heeft op 7 oktober 2018 bij [naam 2] gemeld dat mogelijk sprake is geweest van schendingen van mededingingsrechtelijke regelingen door [naam 1] , maar dat hij daarvan (zelf) geen melding wil maken aan “the ethics and compliance office”.

3.6.

[appellant] heeft daarna via WhatsApp met [geïntimeerde 1] gecorrespondeerd. [appellant] heeft hierin onder meer geschreven dat hij een gesprek heeft gehad met [naam 2] en dat [naam 2] aan hem een spreekverbod heeft opgelegd.

3.7.

De beoordeling van het functioneren van [appellant] als partner is door [naam 1] voor het fiscale jaar 2018 (FY2018) vastgesteld op “Need to progress”, de laagst mogelijke beoordeling. Bij brief van 23 oktober 2018 heeft [appellant] een waarschuwing ontvangen van [naam 1] . Vervolgens heeft EYNL per brief van 25 oktober 2018 meegedeeld dat het winstaandeel van [bedrijf 1] met 10% naar beneden werd bijgesteld. Tegen deze korting heeft [appellant] in november 2018 intern bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. [appellant] heeft onder meer betoogd dat zijn beoordeling (FY2018) te laag is vastgesteld en dat sprake is geweest van intimidatiegedrag en overtreding van het mededingingsrecht door [naam 1] .

3.8.

[appellant] is vervolgens werkzaam geweest bij een ander onderdeel van EY (het “EAC”), waar hij niet meer rapporteerde aan [naam 1] . De beoordeling over het jaar 2019 (FY2019) van [appellant] is door [naam 3] vastgesteld op “Progressing” (de een-na-laagste beoordeling). Over het jaar 2020 (FY2020) was de beoordeling van [appellant] wederom “Need to progress”.

Consultancy-tak gaat naar EYAN

3.9.

Begin 2019 is bekend geworden dat de consultancy-activiteiten van EYA, waarvan [appellant] onderdeel uitmaakte, zouden worden ondergebracht in een separate entiteit met de naam EY Advisory Netherlands LLP (hierna: EYAN).

3.10.

Op 30 maart 2019 hebben [appellant] en [bedrijf 1] een power of attorney ondertekend. Hierin staat onder meer dat de bedoeling is dat [appellant] en [bedrijf 1] niet langer lid zullen zijn van EYA en partij worden bij een “agreement of admission to EYAN” en dat zij “(…) hereby give a Power of Attorney to each member of the boards of Ernst & Young Accountants LLP and EY Advisory Netherlands LLP (…)” om onder meer de daartoe benodigde stukken (“Documents”) te tekenen en “To substitute in the admission agreement with [EYNL] the reference that [ [bedrijf 1] en [appellant] ] have signed an admission agreement with EYA, for a reference that [ [bedrijf 1] en [appellant] ] have signed an admission agreement with EYAN.”

De overeenkomst en bijbehorende stukken waren op 21 maart 2019 door (een jurist van) EYNL in concept aan [appellant] toegestuurd.

3.11.

De bestuurders van EYAN waren, met ingang van 31 maart 2019, [naam 1] , [naam 4] en [naam 5] .

3.12.

Op 1 april 2019 heeft [naam 1] namens [bedrijf 1] en namens [appellant] een “AN Admission Agreement” met EYAN ondertekend.

AN Admission Agreement, Fundamental Rules en Members’ Agreement

3.13.

In artikel 3 van de AN Admission Agreement is het volgende vermeld:

“The EYAN Professional and the EYAN Partner both individually confirm that it has been supplied with and has read a copy of the AN Members Agreement, the AN Rules and the AN Regulations, and agrees with EYAN and each of the other EYAN Professionals and EYAN Partners (as defined in the AN Rules) to observe, perform and be bound by all the terms of the AN Members Agreement, the AN Rules and the AN Regulations, as these may be amended from time to time in accordance with the terms thereof, as if named as a party to the AN Members Agreement, the AN Rules and the AN Regulations.”

3.14.

In artikel 7 van de AN Admission Agreement is het volgende vermeld:

“This AN Admission Agreement shall be governed by the laws of the European part of the Netherlands and any dispute which may arise from this AN Admission Agreement shall be settled in accordance with article 25 of the AN Rules.”

3.15.

In de Fundamental Rules of EY Advisory Netherlands LLP (in de AN Admission Agreement in navolging van de in die Rules zelf gebruikte afkorting aangeduid als “AN Rules” (hierna: de Fundamental Rules)), is in artikel 25 het volgende bepaald:

“25.1.1 Scope

All disputes arising pursuant to or in connection with the AN Members Agreement, these AN Rules or the AN Regulations, including subsequent agreements and regulations, shall be referred to an arbitrator, pursuant to the rules of the Netherlands Arbitration Institute. The decision resulting therefrom shall be final and binding on the parties. If one of the parties concerned wishes to have a provisionally enforceable decision for urgent reasons, the claim relating thereto shall, to exclusion of any other court procedure, be heard in summary arbitral proceedings with due observance of the rules of the Netherlands Arbitration Institute.”

3.16.

In de Members’ Agreement EYAN (in de AN Admission Agreement aangeduid als “AN Members Agreement”) is in artikel 8 het volgende bepaald:

“8. Any and all disputes arising pursuant to or in connection with this Members’ Agreement or the Fundamental Rules, including subsequent agreements and regulations, shall be resolved by an arbitrator in Rotterdam, the Netherlands, conducted in Dutch pursuant to the rules of the Netherlands Arbitration Institute (Nederlands Arbitrage Instituut). The award resulting therefrom shall be final and binding on the members. If one of the members concerned wishes to have a provisionally enforceable decision for urgent reasons, the claim in question shall, to exclusion of any other court procedure, be heard in summary arbitral proceedings, with due observance of the rules of the Netherlands Arbitration Institute”.

Geschil in 2020-2021

3.17.

Op 31 maart 2020 en 7 april 2020 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen onder anderen [appellant] en [geïntimeerde 1] , waarvan [appellant] een opname heeft gemaakt. Onder meer is gesproken over het beroep van [appellant] tegen zijn beoordeling FY2018 en zijn stelling dat sprake is geweest van intimidatiegedrag en overtreding van het mededingingsrecht door [naam 1] .

3.18.

[bedrijf 2] heeft in opdracht van EYNL in mei 2020 onderzoek verricht. Daarbij zijn [naam 1] , [appellant] en zes andere partners gehoord. In juni 2020 zijn de bevindingen aan [appellant] meegedeeld, (onder meer) inhoudende dat intimidatiegedrag niet is gebleken en dat het beroep tegen de beoordeling van [appellant] ongegrond is.

3.19.

Per brief van 28 oktober 2020 heeft EYNL, vertegenwoordigd door [geïntimeerde 1] , medegedeeld dat het winstaandeel van [bedrijf 1] met 25% naar beneden is bijgesteld.

3.20.

Bij brief van 24 december 2020 heeft EYAN (vertegenwoordigd door [naam 4] ) aan [appellant] meegedeeld dat zij de AN Admission Agreement op grond van artikel 14.2 van de Fundamental Rules opzegt tegen 1 juli 2021, wat volgens de brief betekent dat [bedrijf 1] per die datum uittreedt uit EYAN en EYNL. Als gronden zijn vermeld dat er geen vertrouwen meer is in [appellant] en dat binnen Nederland voor hem geen andere positie beschikbaar is. Aan [bedrijf 1] is een uittredingsvergoeding betaald.

3.21.

Op 6 april 2021 is een anonieme melding gedaan in het EY/Ethics portal, die afkomstig bleek van [appellant] . Op 30 juni 2021 heeft [appellant] wederom een melding gedaan in het EY/Ethics portal.

Communicatie van [appellant] met de RvC

3.22.

Vanaf 22 juni 2021 heeft [appellant] zich verschillende keren gewend tot de raad van commissarissen (RvC) van EYNL, althans haar toenmalige voorzitter over zijn ervaringen met EYNL. [appellant] heeft onder meer melding gedaan van het feit dat de advocaten van (de RvC van) EYNL in 2014 ook [appellant] hebben geadviseerd, en over de schade die [appellant] lijdt door de handelwijze van het bestuur van EYNL. De toenmalige voorzitter heeft daarop onder meer geantwoord dat zij de melding van [appellant] over de advocaten van (de RvC van) EYNL heeft laten onderzoeken en dat zij geen reden ziet om de advocaten van EY in deze als geconflicteerd te zien, en dat de meldingen van [appellant] verder niet in behandeling kunnen worden genomen, omdat [appellant] een gerechtelijke procedure was gestart tegen (de advocaten van) EY.

3.23.

Op 24 april 2022 en 16 december 2022 heeft [appellant] de toenmalige voorzitter gemaild dat EYNL de EYNL Klokkenluidersregeling niet heeft nageleefd en gevraagd er op toe te zien dat die omissie door het huidige bestuur wordt gecorrigeerd. Op 21 december 2022 heeft de toenmalige voorzitter (onder meer) geantwoord dat zij van mening is dat de diverse regelingen door EY juist zijn toegepast en dat het bestuur van EY een meer dan redelijk aanbod heeft gedaan aan [appellant] .

Procedures van [appellant] tegen EY en [geïntimeerde 1] (2021-2023)

3.24.

Vanaf april 2021 heeft [appellant] verschillende procedures gestart tegen (onder andere) EYNL en EYAN. Daarin heeft de rechter zich meermaals onbevoegd verklaard, met verwijzing naar een overeengekomen arbitragebeding. De absolute onbevoegdheid is in hoger beroep bevestigd, onder meer in een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 20 december 2022, gewezen tussen [appellant] en EYAN. Een daartegen ingesteld cassatieberoep is door de Hoge Raad op 2 februari 2024 verworpen (HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:151).

3.25.

[appellant] is een klachtprocedure gestart bij de Accountantskamer tegen (onder meer) [geïntimeerde 1] . [appellant] heeft [geïntimeerde 1] onder andere verweten dat hij [appellant] niet heeft gewezen op de klokkenluidersregeling van EY en die regeling niet heeft nageleefd. De klacht is op 13 maart 2023 ongegrond verklaard. Het daartegen door [appellant] ingestelde hoger beroep is op 12 mei 2026 ongegrond verklaard door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.

Aansprakelijkstelling [geïntimeerden] (2023)

3.26.

Op 10 oktober 2023 heeft [appellant] [geïntimeerden] aansprakelijk gesteld voor handelen in strijd met artikel 27 Verordening accountantsorganisaties (VAO) in samenhang met artikel 19 lid 2 Wet op het accountantsberoep (Wab), artikel 31 Besluit toezicht accountants organisaties en de EU Richtlijn Jaarrekeningen, en voor het tegen beter weten in een beroep doen op een arbitraal beding.

3.27.

[geïntimeerden] hebben aansprakelijkheid op 13 en 20 oktober 2023 van de hand gewezen.

3.28.

Volgens het jaarverslag 2023/2024 van EYNL zijn (onder meer) de activa en passiva van EYAN op 29 juni 2024 overgedragen aan de (op 3 januari 2024 opgerichte) vennootschap EY Adviseurs B.V.

4 Procedure bij de rechtbank

4.1.

[appellant] heeft bij de rechtbank, samengevat, het volgende uitvoerbaar bij voorraad gevorderd:

1. een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] zodanig onzorgvuldig jegens hem hebben gehandeld dat hen daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en zij om die reden persoonlijk aansprakelijk en schadeplichtig zijn jegens [appellant] ;

2. een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] de schade die [appellant] als gevolg van hun onrechtmatig handelen heeft geleden, op te maken bij staat, moeten vergoeden;

3. hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] om aan [appellant] te betalen de sinds 1 juli 2021 door hem gederfde maandelijkse vergoeding van € 46.537, vermeerderd met 50% wettelijke verhoging en wettelijke rente, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;

4. [geïntimeerden] te veroordelen in de in deze zaak daadwerkelijk door [appellant] gemaakte proceskosten, op te maken bij staat.

[appellant] heeft bij de rechtbank verder een incident ex artikel 223 Rv opgeworpen waarin, voor zover in hoger beroep van belang, hij kort gezegd het hiervoor onder 3. genoemde als voorschot, bij wege van voorlopige voorziening vordert.

4.2.

[appellant] had de zaak aangebracht bij de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Haarlem). Bij vonnis van 10 april 2024 heeft de kantonrechter de zaak op de voet van artikel 71 lid 1 Rv verwezen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken.

4.3.

[geïntimeerden] hebben vervolgens bij de rechtbank in de hoofdzaak en in het artikel 223 Rv-incident een bevoegdheidsincident opgeworpen en, uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, met rente en nakosten. [geïntimeerden] hebben, kort gezegd, aan hun vordering ten grondslag gelegd dat partijen zijn overeengekomen dat geschillen tussen hen door middel van arbitrage zullen worden beslist, waardoor de overheidsrechter niet bevoegd is van de vorderingen van [appellant] kennis te nemen.

4.4.

De rechtbank heeft zich in de hoofdzaak en in het artikel 223 Rv-incident onbevoegd verklaard en [appellant] uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten veroordeeld, met rente en nakosten.

5 Vordering in hoger beroep

5.1.

[appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – toewijzing van zijn vorderingen, inclusief veroordeling in zijn daadwerkelijke proceskosten.

5.2.

Volgens [geïntimeerden] moet het hof de vorderingen van [appellant] afwijzen en het bestreden vonnis bekrachtigen en – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – [appellant] primair veroordelen tot betaling van de kosten van de procedure in hoger beroep ter hoogte van, na vermeerdering van eis, € 59.013,50, althans subsidiair tot betaling van een hogere proceskostenveroordeling dan de gebruikelijke proceskostenveroordeling overeenkomstig het liquidatietarief dan wel een ander door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, met rente en nakosten.

6 Beoordeling

6.1.

[appellant] komt met tien grieven op tegen het bestreden vonnis. Grief I is hiervoor behandeld. Het hof bespreekt de overige grieven hierna. Daarbij komt ook het verzoek van [appellant] tot het stellen van prejudiciële vragen aan de orde. Het hof zal hierna geregeld spreken over ‘het arbitragebeding’. Daarmee bedoelt het hof het bepaalde in de artikelen 7 AN Admission Agreement, 25 Fundamental Rules en 8 Members’ Agreement (zie 3.13, 3.15 en 3.16), althans in een van deze artikelen.

Voor alle weren (grief III)

6.2.

Met grief III klaagt [appellant] over het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerden] het beroep op het arbitragebeding ‘voor alle weren’ in de zin van artikel 1022 Rv hebben gedaan en licht dit als volgt toe. [appellant] heeft de zaak in eerste instantie aangebracht bij de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland. Bij brief van 27 november 2023 heeft de kantonrechter partijen bericht het voornemen te hebben de zaak te verwijzen naar de sectie handel van de rechtbank. Partijen hebben de gelegenheid gekregen zich over dit voornemen uit te laten. [geïntimeerden] hebben dit gedaan in een akte die op 3 januari 2024 is genomen. In die akte hebben zij geen beroep gedaan op een arbitragebeding. Deze akte was het eerste processtuk dat [geïntimeerden] in deze procedure hebben genomen. Omdat daarin geen beroep is gedaan op een arbitragebeding, hebben zij zich niet voor alle weren beroepen op het bestaan van een overeenkomst tot arbitrage.

6.3.

Dit betoog gaat niet op. Het begrip ‘voor alle weren’ wordt ruim uitgelegd. Hiervoor is voldoende (en noodzakelijk) dat het beroep wordt gedaan in de eerste schriftelijke conclusie. De akte waarin [geïntimeerden] zich mochten uitlaten over het voornemen van de kantonrechter kan niet worden gezien als de eerste schriftelijke conclusie. Die akte was uitsluitend bedoeld voor een korte mededeling over het voornemen van de kantonrechter de zaak te verwijzen naar de sectie handel. [geïntimeerden] hebben in hun conclusie van antwoord die zij, na verwijzing door de kantonrechter, bij de rechtbank hebben ingediend een beroep gedaan op het arbitragebeding. Dat was hun eerste schriftelijke conclusie en daarom hebben zij het beroep op het arbitragebeding voor alle weren gedaan.

Totstandkoming arbitragebeding / rechtsgeldigheid volmacht (grief IV)

6.4.

De strekking van grief IV is dat de AN Admission Agreement ten aanzien van [appellant] niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat [appellant] daarom niet is gebonden aan het arbitragebeding. [appellant] draagt hiervoor verschillende redenen aan.

6.5.

[appellant] voert aan dat de power of attorney die hij op 30 maart 2019 heeft getekend (zie 3.10) niet heeft geleid tot een rechtsgeldige volmachtverlening. De reden daarvoor is volgens [appellant] dat EYAN pas op 31 maart 2019 is opgericht, waardoor [appellant] op 30 maart 2019 geen volmacht aan een bestuurder van EYAN kon geven en EYAN (of een bestuurder daarvan) de volmacht ook niet kon aanvaarden. Dit betoog treft geen doel. [appellant] heeft de in de power of attorney genoemde volmacht verleend aan personen die een bepaalde hoedanigheid hebben, te weten die van members of the boards van EYA en EYAN. Voor de rechtsgeldigheid van de volmachtverlening is het voldoende dat de persoon die op basis van de volmacht heeft gehandeld, deze hoedanigheid op het moment van handelen bezat. Dat is hier het geval. De volmacht is op 1 april 2019 uitgeoefend door [naam 1] , die op 31 maart 2019 was benoemd als bestuurder van EYAN. Volmachtverlening is een eenzijdige rechtshandeling en de vraag of (een bestuurder van) EYAN de door [appellant] afgegeven volmacht op enig moment heeft aanvaard (of heeft kunnen aanvaarden) speelt voor de rechtsgeldigheid van de volmacht dus geen rol. Ook de omstandigheid dat het bestuur van EYAN de Fundamental Rules pas na de datum van de power of attorney kon vaststellen, leidt er niet toe dat de volmacht die in de power of attorney was opgenomen, niet rechtsgeldig was, of dat [appellant] bij uitoefening van die volmacht niet aan deze Fundamental Rules kon worden gebonden. De volmacht strekte zich uit tot het tot stand brengen van een admission agreement, dus met inbegrip van de daartoe behorende (op voorhand bekende en in de volmacht genoemde) Fundamental Rules die ervan onderdeel zouden uitmaken.

6.6.

Het argument van [appellant] dat de volmacht niet rechtsgeldig is vanwege Selbsteintritt (artikel 3:68 BW) gaat ook niet op. [appellant] ziet over het hoofd dat in de power of attorney het volgende beding is opgenomen: “The Partner and the Professional furthermore declare that this appointment also applies to situations where one of the Attorneys also acts as the Partner's and the professional’s counterparty or as representative of the Partner’s and the Professional’s counterparty (Selbsteintritt).” Dit is een toelaatbare van artikel 3:68 BW afwijkende bepaling.

6.7.

[appellant] heeft verder opgemerkt dat de inhoud van de volmacht onvoldoende bepaalbaar zou zijn. Ook hierin volgt het hof hem niet. De power of attorney noemt voldoende duidelijk waarvoor de volmacht wordt verleend: voor het namens [appellant] aangaan van in de power of attorney genoemde transacties. [appellant] heeft hierover naar voren gebracht dat de power of attorney in strijd met de waarheid zou vermelden dat het zou gaan om een contractsoverneming door EYAN van EYA. Waarom dit in strijd met de waarheid zou zijn, heeft [appellant] niet toegelicht, zodat hier niet van uit kan worden gegaan. In het verlengde hiervan heeft [appellant] betoogd dat EYAN en EYNL bedrog jegens hem hebben gepleegd. Hij heeft hiervoor alleen verwezen naar het in zijn ogen onterecht vermelden van contractsoverneming en de omstandigheid dat de volmacht onvoldoende bepaalbaar zou zijn, zodat het hof ook dit argument verwerpt.

6.8.

Het hof concludeert dat de bezwaren die [appellant] tegen de rechtsgeldigheid van de in de power of attorney verleende volmacht niet opgaan. Dit betekent dat [naam 1] op basis van die volmacht [appellant] rechtsgeldig kon vertegenwoordigen bij het aangaan van de AN Admission Agreement op 1 april 2019. [appellant] werd daardoor partij bij, en werd gebonden aan, deze overeenkomst en, via de bepaling van artikel 3 daarvan, aan de Fundamental Rules en de Members’ Agreement EYAN. Daarmee werd [appellant] gebonden aan het arbitragebeding. Het betoog van [appellant] dat [geïntimeerden] bedrog jegens hem hebben gepleegd door te verzwijgen dat de overeenkomst tussen hem en EYAN gesloten is op basis van een ongeldige volmacht, stuit af op het hiervoor gegeven oordeel dat de volmacht wel geldig was.

Geldt het arbitragebeding tussen [appellant] in persoon en [geïntimeerden] in hun hoedanigheid van bestuurder? (grief V)

6.9.

Onder grief V voert [appellant] aan dat zijn vorderingen gebaseerd zijn op onrechtmatige daad en zich richten tegen [geïntimeerden] als natuurlijk-persoon bestuurders van EYNL ex artikel 22a Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta). Volgens [appellant] vallen deze vorderingen niet onder de reikwijdte van het arbitragebeding. Hij licht dit als volgt toe. Voor de vraag of [geïntimeerden] met succes een beroep kunnen doen op het arbitragebeding moet een onderscheid worden gemaakt tussen de positie en hoedanigheid van [geïntimeerden] als (zakelijk) partners van EYNL, en hun positie en hoedanigheid als bestuurders van EYNL. [geïntimeerden] waren via hun eigen praktijkvennootschappen (B.V.’s), op basis van een overeenkomst zakelijk partner van EYNL. Zij waren als natuurlijk persoon bestuurder van EYNL. Hun bestuursfunctie was gebaseerd op de wet (artikel 22a Wta) en niet op een overeenkomst. Omdat de vorderingen van [appellant] zich richten tegen [geïntimeerden] in hun hoedanigheid als bestuurders komt hen geen beroep toe op het arbitragebeding, dat gebaseerd is op overeenkomsten en andere stukken die betrekking hebben op de hoedanigheid van [geïntimeerden] als zakelijk partners.

6.10.

Bij de beantwoording van de vraag of de vorderingen van [appellant] onder de reikwijdte van het arbitragebeding vallen, dient als uitgangspunt dat [appellant] evenals in eerste aanleg in hoger beroep niet heeft weersproken dat [geïntimeerden] en hijzelf als natuurlijke personen “EYAN Professionals” zijn in de zin van de Fundamental Rules en – via de in deze documenten opgenomen verwijzingen naar de Fundamental Rules – de AN Admission Agreement en de Members’ Agreement. Uit artikel 3 van de AN Admission Agreement (zie 3.13) volgt dat [appellant] en [geïntimeerden] als natuurlijke personen gebonden zijn aan de Fundamental Rules en de Members’ Agreement. [appellant] en [geïntimeerden] zijn daarmee – en wat de Fundamental Rules betreft: mede gelet op artikel 1020 lid 5 Rv – ook gebonden aan de in deze drie documenten opgenomen arbitragebedingen.

6.11.

Om te beoordelen of de vorderingen van [appellant] onder de reikwijdte van deze arbitragebedingen vallen, moeten deze worden uitgelegd. Dit moet gebeuren aan de hand van de Havitex-maatstaf. Het hof overweegt dat de arbitragebedingen alle taalkundig ruim zijn geformuleerd:

  • “any dispute which may arise from this AN Admission Agreement” (artikel 7 AN Admission Agreement);

  • “all disputes arising pursuant to or in connection with (…) these AN Rules” (artikel 25 Fundamental Rules); en

  • “any and all disputes arising pursuant to or in connection with this Members Agreement or the Fundamental Rules” (artikel 8 Members’ Agreement).

Alle geschillen die ontstaan uit of verband houden met de beide overeenkomsten en de regeling (Fundamental Rules) vallen volgens deze formuleringen derhalve zonder beperking onder de arbitragebedingen. [appellant] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat hij de arbitragebedingen niet in deze ruime zin heeft hoeven begrijpen. Ook overigens heeft hij geen feiten en omstandigheden aangevoerd die een andere dan de hiervoor genoemde (ruime) taalkundige uitleg van de arbitragebedingen ondersteunen. Het hof gaat daarom in het vervolg uit van deze taalkundige uitleg.

6.12.

De vorderingen van [appellant] vloeien voort uit de omstandigheid dat hij consultant en (via [bedrijf 1] ) partner was bij EYAN. De documenten waarin de arbitragebedingen zijn opgenomen regelen onder meer de rechtsverhouding tussen [appellant] (als EYAN Professional) en EYAN, evenals die tussen EYAN Professionals onderling. De vorderingen van [appellant] zijn daarmee aan te merken als vorderingen die zijn ontstaan uit of verband houden met de rechtsverhoudingen waar deze documenten op zien en vallen daarmee onder de reikwijdte van de arbitragebedingen. De omstandigheid dat de vorderingen van [appellant] gericht zijn tegen [geïntimeerden] in hun hoedanigheid van – op basis van de wet – benoemde bestuurders van EYNL en gegrond zijn op een door hen gepleegde onrechtmatige daad, maakt dit niet anders. Ook dergelijke vorderingen tegen bestuurders als natuurlijke personen vallen onder de ruim geformuleerde arbitragebedingen omdat zij voortvloeien uit dan wel verband houden met de genoemde rechtsverhoudingen.

6.13.

De meermaals door [appellant] gemaakte opmerking dat [geïntimeerden] zouden hebben verzwegen dat zij als natuurlijk persoon bestuurder waren van EYBV vindt geen steun in de feiten. [geïntimeerden] hebben hun bestuursfuncties al gemeld in hun eerste inhoudelijke processtuk in deze zaak (conclusie van antwoord van 3 juli 2024, punten 21 en 22). [appellant] heeft verder verwezen op artikel 15 Wta waar kort gezegd in staat dat de betrouwbaarheid van bestuurders en een accountantsorganisatie buiten twijfel moet staan. Zonder toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk waarom deze bepaling van belang is voor de vraag of [geïntimeerden] zich met succes op het arbitragebeding kunnen beroepen. Overigens is ook niet gebleken dat [geïntimeerden] deze bepaling op enig moment zouden hebben geschonden.

Mondelinge overeenkomst zonder arbitragebeding (Grief VI)

6.14.

Met grief VI zegt [appellant] op te komen tegen het oordeel van de rechtbank in rovv. 4.22 en 4.23 van het bestreden vonnis. De rechtbank heeft in die overwegingen de stelling van [appellant] verworpen dat tussen hem en EYAN een mondelinge overeenkomst geldt – een arbeidsovereenkomst althans een overeenkomst van opdracht – waarin geen schriftelijk arbitragebeding is opgenomen, waardoor [geïntimeerden] geen beroep toekomt op het arbitragebeding. Ter toelichting op de grief voert [appellant] aan dat tussen partijen vaststaat dat hij een klokkenluider is op wie artikel 17eb Wet bescherming klokkenluiders (Wbk) van toepassing is. Hij betoogt dat hij een beroep kan doen op het in die bepaling opgenomen vermoeden dat de benadeling van een melder van een misstand het gevolg is van de melding.

6.15.

Het hof kan dit punt buiten beschouwing laten. Ook als dit betoog van [appellant] juist zou zijn – iets wat in de zaak ten gronde aan de orde kan komen – kan daaruit zonder toelichting, die ontbreekt, niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat het oordeel van de rechtbank in rovv. 4.22 en 4.23 niet juist is. In de toelichting op de grief valt ook geen ander argument te lezen waarom het oordeel van de rechtbank niet juist is. Los hiervan acht het hof het oordeel van de rechtbank juist en maakt dat tot het zijne.

Valt het geschil binnen de reikwijdte van het arbitragebeding? (Grief VII)

6.16.

Onder grief VII keert [appellant] zich tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.25 dat het geschil binnen de reikwijdte van het arbitragebeding valt. [appellant] voert aan dat tussen partijen vaststaat dat hij klokkenluider is. Daarvan uitgaand, gaat het geschil niet over de (opzegging van) de AN Admission Agreement of enige andere overeenkomst tussen [appellant] en EYAN of EYNL. Het geschil gaat over de melding die [appellant] heeft gedaan en de rechten die hij als klokkenluider heeft onder de toepasselijke (EU-)regelgeving. Een klokkenluidersmelding kwalificeert, anders dan een overeenkomst, niet als een vermogensrecht in de zin van artikel 3:6 BW, aldus steeds [appellant] .

6.17.

Het hof overweegt dat, anders dan [appellant] betoogt, in deze procedure niet als vaststaand kan worden aangenomen dat hij klokkenluider is. Maar zelfs indien veronderstellenderwijs er met [appellant] vanuit wordt gegaan dat hij klokkenluider is, leidt dat niet tot het door hem gewenste rechtsgevolg, dat zijn vorderingen in deze procedure niet onder de reikwijdte van het arbitragebeding vallen. Het geschil tussen [appellant] en [geïntimeerden] vloeit voort uit de omstandigheid dat [appellant] werkzaam was bij EYAN (en haar rechtsvoorganger). Zijn vorderingen tegen [geïntimeerden] vinden daarmee hun grondslag in zijn contractuele rechtsverhouding met EYAN en EYNL. Die rechtsverhouding is vastgelegd in de AN Admission Agreement, de Members’ Agreement en de Fundamental Rules. De omstandigheid dat [appellant] zijn vorderingen tegen [geïntimeerden] baseert op onrechtmatige daad (wegens schending van het verbod op ongelijke behandeling en discriminatie) en/of de op klokkenluiders toepasselijke (EU-)regelgeving maakt niet dat deze vorderingen niet onder het bereik van het arbitragebeding vallen. Het arbitragebeding is ruim geformuleerd en is – zoals hiervoor in rov. 6.12 al overwogen – niet beperkt tot vorderingen die gebaseerd zijn op een contractuele grondslag. Dat volgt uit de in rov. 6.11 aangehaalde bewoordingen van het arbitragebeding en ligt overigens ook voor de hand. Het zou anders zeer eenvoudig zijn om het arbitragebeding te omzeilen. [appellant] heeft ook op dit punt geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat hij het arbitragebeding niet op deze manier heeft hoeven begrijpen. Daarbij komt dat [geïntimeerden] onweersproken hebben aangevoerd dat de voor EYAN geldende klokkenluidersregeling een "regulation" is in de zin van artikel 25 Fundamental Rules. Voor zover de grondslag van de vorderingen van [appellant] gebaseerd is op de klokkenluidersregeling van EYAN, vallen deze vorderingen daarmee al binnen de reikwijdte van het arbitragebeding, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld.

Vatbaarheid van het geschil voor arbitrage (grieven VIII en IX)

6.18.

[appellant] valt met de grieven VIII en IX het oordeel van de rechtbank in rovv. 4.26 – 4.29 aan, dat het geschil vatbaar is voor arbitrage. Het hof begrijpt de toelichting op grief VIII als volgt. Beoordeling van de vorderingen in deze zaak leidt tot vaststelling van rechtsgevolgen die niet ter vrije bepaling van partijen staan en de zaak is daarom niet vatbaar voor arbitrage (artikel 1020 lid 3 Rv). De vorderingen van [appellant] zijn gebaseerd op de op voor klokkenluiders toepasselijke regelgeving. Deze zijn van openbare orde en de rechter moet daarbij onder meer ambtshalve toetsen of het ontslag van [appellant] in strijd is met het benadelingsverbod.

6.19.

Het hof verwerpt dit standpunt. Het gaat in deze zaak om een kwestie van vermogensrechtelijke aard en het (al dan niet) vaststellen van rechtsgevolgen in dat verband. In deze zaak spelen geen kwesties die van openbare orde zijn, in de zin dat zij werking hebben jegens een ieder. Het hof is het eens met het oordeel van de rechtbank in rov. 4.27 dat het enkele feit dat regels van openbare orde – en, voegt het hof toe: dwingend recht – moeten worden toegepast nog niet maakt dat de zaak van openbare orde is. Dit wordt niet anders indien de zaak de beoordeling van fundamenteel Unie-recht en/of de ambtshalve toepassing van bepaalde regels vergt. Ook als veronderstellenderwijs met [appellant] wordt aangenomen dat hij werkte op basis van een arbeidsovereenkomst, betekent dat niet dat geen succesvol beroep kan worden gedaan op het arbitragebeding. Het hof verwijst in dit verband naar het arrest van het Gerechtshof Den Haag in de zaak tussen [appellant] en EYAN (Gerechtshof Den Haag 20 december 2022, bekrachtigd door de Hoge Raad bij arrest van 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:151). Hetzelfde geldt voor het geval zou komen vast te staan dat [appellant] klokkenluider is. Ook die omstandigheid maakt niet dat het geschil tussen [appellant] en [geïntimeerden] niet aan arbitrage kan worden onderworpen.

6.20.

In dit verband is het arrest van het Hof van Justitie van 1 augustus 2025 (zaak C-600/23, ECLI:EU:C:2025:617, Royal Football Club Seraing) van belang. In dat arrest heeft het Hof van Justitie onder meer geoordeeld dat arbitrage tussen particulieren niet in strijd is met het Unierecht (waaronder artikel 47 van het Handvest, artikel 19 lid 1 van het VEU en het doeltreffendheidsbeginsel), ook indien daarin fundamenteel Unierecht aan de orde is. Wel is vereist dat voor partijen de mogelijkheid bestaat het arbitrale vonnis in een vernietigingsprocedure voor te leggen aan de overheidsrechter van een lidstaat van de Europese Unie, die het vonnis kan toetsen op de verenigbaarheid met het (fundamentele) Unierecht en daarover prejudiciële vragen kan stellen aan het Hof van Justitie. Aan deze voorwaarde is in dit geval voldaan. De plaats van arbitrage die in het arbitrale beding is overeengekomen is Amsterdam (artikel 25.2.2 Fundamental Rules, waarnaar artikel 7 AN Admission Agreement verwijst) respectievelijk Rotterdam (artikel 8 Members’ Agreement), zodat dit hof respectievelijk het Gerechtshof Den Haag bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot vernietiging van een tussen [appellant] en [geïntimeerden] gewezen arbitraal vonnis.

6.21.

De rechtbank heeft ten slotte terecht geoordeeld dat (ook) een geschil over bestuurdersaansprakelijkheid vatbaar is voor arbitrage. [appellant] vermeldt in de memorie van grieven bij grief IX weliswaar dat hij tegen dit oordeel opkomt, maar licht in de memorie van grieven niet toe waarom het oordeel van de rechtbank niet juist is.

Verzoek prejudiciële vragen

6.22.

[appellant] heeft het hof bij akte verzocht zeven door hem geformuleerde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Hij heeft het hof hierbij herinnerd aan de verplichtingen van de nationale rechter die voortvloeien uit het zogeheten Remling-arrest (HvJ 24 maart 2026, C-767/23, ECLI:EU:C:2026:243).

6.23.

Het hof ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. De vragen 1 tot en met 4 die [appellant] heeft voorgesteld zien op (de kwalificatie van) een melding van misstanden door een klokkenluider en op de uitleg van het Unierechtelijke klokkenluiderskader. Vraag 7 betreft de Unierechtelijke bescherming van advocaten van melders. Het hof acht het antwoord op deze vragen niet van (doorslaggevend) belang voor de in deze zaak te nemen beslissing of [geïntimeerden] met succes een beroep kunnen doen op het arbitragebeding.

6.24.

De vragen 5 en 6 stellen, zakelijk weergegeven, aan de orde of Unierechtelijke principes en regelgeving eraan in de weg staan dat een klokkenluider gebonden is aan een contractueel arbitragebeding en geen toegang heeft tot de nationale rechter voor de beoordeling van de door hem gemelde schending. In het in rov. 6.20 genoemde arrest Royal Football Club Seraing heeft het Hof van Justitie hierover duidelijkheid gegeven, zodat er om die reden geen aanleiding bestaat tot het stellen van prejudiciële vragen.

Overige grieven (grieven II en X) en artikel 21 Rv

6.25.

[appellant] stelt met de grieven II en X geen onderwerpen aan de orde die hiervoor niet al zijn besproken. Deze grieven kunnen dus niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. [appellant] verwijt [geïntimeerden] op verschillende punten artikel 21 Rv te hebben geschonden. Het hof gaat daar niet in mee. Van enige (relevante) schending van artikel 21 Rv is niet gebleken.

Werkelijke proceskosten

6.26.

[geïntimeerden] vragen het hof [appellant] te veroordelen in de volledig door [geïntimeerden] gemaakte proceskosten. Daadwerkelijk gemaakte proceskosten kunnen alleen worden toegewezen in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828).

6.27.

Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] in de daadwerkelijke proceskosten van [geïntimeerden] te veroordelen. Hiervoor geldt de hiervoor aangehaalde hoge drempel die naar oordeel van het hof in deze zaak niet is gehaald. Op zich is juist, zoals [geïntimeerden] aanvoeren, dat in diverse eerdere uitspraken geoordeeld is dat [appellant] gebonden is aan het arbitragebeding. In al die zaken ging het echter om procedures tegen entiteiten van EY. De vraag of [geïntimeerden] als bestuurders van EY een beroep toekwamen op het arbitragebeding is niet eerder beslist. Hoewel het hof hiervoor heeft geoordeeld dat die vraag bevestigend beantwoord moet worden, kan niet gezegd worden dat [appellant] op voorhand moest begrijpen dat zijn stellingen op dit punt geen kans van slagen hadden. [appellant] zal daarom, als in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten berekend op basis van het liquidatietarief.

Slotsom, bewijsaanbod en kosten

6.28.

De slotsom is dat geen van de grieven kan leiden tot vernietiging van het besteden vonnis. Het hoger beroep heeft daarmee geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [appellant] wordt, als gezegd, veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt die proceskosten als volgt vast:

- griffierecht € 362

- salaris advocaat € 2.580 (tarief II, 2 punten)

Totaal € 2.942

7 Beslissing

Het hof:

7.1.

bekrachtigt het bestreden vonnis;

7.2.

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 2.942, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;

7.3.

veroordeelt [appellant] tot betaling van € 178 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;

7.4.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

7.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. K.A.J. Bisschop, M.M.M. Tillema en J.G. Sijmons en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »