ECLI:NL:GHAMS:2026:2817

Datum uitspraak
01-10-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
23-003161-23
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bewijsoverwegingen mensenhandel (seksuele uitbuiting minderjarige), ontucht en diefstal met geweld. Beoordeling 'eerlijk proces' wegens niet kunnen horen aangeefster. Benadeelde partij: immateriële schade, aantasting in persoon 'op andere wijze'.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003161-23

datum uitspraak: 1 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 november 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-046111-22 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1983,

thans gedetineerd in [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 maart 2025, 1 september 2026 en 1 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaten van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 4 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is – voor zover in hoger beroep aan de orde – aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1. hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2018 tot en met 15 januari 2022 te Amsterdam en/of Middelie en/of Zandvoort en/of Middenbeemster en/of Hoorn en/of [plaats] en/of Purmerend, althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en) (artikel 273f lid 3 sub 1), althans alleen,

een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2004),

(telkens)

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer], terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt (artikel 273f lid 1 sub 2°)

en/of

ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [slachtoffer] (telkens) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt (artikel 273f lid 1 sub 5°)

en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van die/een ander of anderen, te weten die [slachtoffer], met en/of voor een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt (artikel 273f lid 1 sub 8°),

immers heeft hij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en) (artikel 273f lid 3 sub 1), althans alleen,

(ten aanzien van en/of met en/of van en/of voor) die [slachtoffer]

- gemanipuleerd en/of- gezegd dat die [slachtoffer] van hem, verdachte, is en/of- opgezet tegen haar ouders en/of- verdovende middelen (onder meer XTC, speed en/of cocaïne en/of een ander verdovend middel) gegeven en/of- een seksuele relatie aangegaan en/of- onderdak geboden als die [slachtoffer] was weggelopen (uit de instelling(en) waar zij verbleef) en/of- aangegeven werk voor die [slachtoffer] te hebben en/of- voorgesteld om (onder meer tezamen met [slachtoffer 2]) betaalde seks met andere mannen te hebben en/of- één of meerdere advertentie(s) op één of meer website(s) - onder meer 'sexjobs' - waarin die [slachtoffer] (onder de account van [slachtoffer 2]) werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden aangemaakt en/of onderhouden (waaronder begrepen het 'omhoog plaatsen') en/of- foto's van die [slachtoffer] geplaatst op bovengenoemde website(s) onder het profiel van [slachtoffer 2] en/of- seksdates geregeld en/of- (zijnde schaars gekleed) begeleid en/of (per auto) vervoerd bij/naar escortwerkzaamheden en/of- één of meerdere prostitutieafspra(a)k(en) in (een) hotel(s) geregeld, waaronder een prostitutieafspraak in een hotel in [plaats] in de periode van 19 tot en met 20 juni 2021 (met één of meerdere andere(n) (minderjarige) meisje(s)) en/of- (meer dan) de helft van het geld dat die [slachtoffer] verdiende ontvangen en/of- een bericht gestuurd met de tekst "nog 1 jaar en 12 dagen en dan ben je van mij" en/of "nog 1 jaar en 5 maanden vrouw" en/of verteld dat die [slachtoffer] wanneer ze achttien jaren is van hem, verdachte, is, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of- gevraagd of die [slachtoffer] meisjes kon regelen om voor hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), te werken en/of deze in te werken en/of- gezegd dat hij, verdachte, een vuurwapen (een mooie zilveren ladykiller) heeft en/of- na confrontatie door de politie met de 'vermissing' van die [slachtoffer] aangegeven dat die [slachtoffer] niet in zijn, verdachtes, woning was en die [slachtoffer] vervolgens in zijn slaapkamer in bed onder de dekens is aangetroffen;

2. hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2018 tot en met 23 december 2021 te Amsterdam en/of Middenbeemster en/of Middelie, althans in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2004), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,

buiten echt,

(telkens) één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die (telkens) hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

te weten het (zonder voorbehoedsmiddelen) met zijn, verdachtes, penis en/of vinger oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van die [slachtoffer];

3. hij op of omstreeks 24 februari 2022 te Ermelo, althans in Nederland, (op de openbare weg) tussen (ongeveer) 00:30 uur en 02:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,

tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

een telefoon (een zwarte Apple IPhone 11) en/of een bril, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [medeverdachte 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n),

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [medeverdachte 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

(meermalen)

- ( zwaaiend met een glazen wijnfles in de hand) aan te geven die [medeverdachte 2] dood te maken als die [medeverdachte 2] nu niet zou betalen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of- te dreigen die [medeverdachte 2], aan het hek vast te maken en/of met de fles te slaan en/of op die plek levenloos achter te laten, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of- (terwijl die [medeverdachte 2] met zijn moeder aan het telefoneren was) de telefoon van die [medeverdachte 2] af te pakken en het gesprek te beëindigen en/of- die [medeverdachte 2] (vervolgens) met een glazen wijnfles (met kracht) op het achterhoofd te slaan en/of- (vervolgens) die [medeverdachte 2] meerdere malen (met kracht) tegen een (bouw)hek te duwen en/of- in de broekzakken van die [medeverdachte 2] te zoeken naar geld en/of andere goederen,

en dit feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een diepe snee van 4 cm breed en 1 cm diep op het hoofd van die [medeverdachte 2] ten gevolge heeft gehad;

5.hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 5 februari 2018 tot en met 15 maart 2022 te Middelie en/of Amsterdam en/of Haarlem en/of Zandvoort en/of Middenbeemster en/of Hoorn en/of [plaats] en/of Purmerend, althans in Nederland,(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, een ander, te weten [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedag 3] 2000),

(telkens) door dwang, geweld of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [slachtoffer 2] heeft,

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1)

en/of

heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (artikel 273f lid 1 sub 4)

en/of heeft

gedwongen of bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer 2] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9)

en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 2] (artikel 273f lid 1 sub 6)

waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid ten aanzien van die [slachtoffer 2] heeft/hebben bestaan uit:

- het intimideren en/of manipuleren van die [slachtoffer 2] en/of- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer 2] en/of- het zeggen dat die [slachtoffer 2] van hem, verdachte, is en/of zijn, verdachtes, bezit is en/of- het aan die [slachtoffer 2] voorhouden dat zij dood moest als hij, verdachte, haar niet meer kon zien en/of als die [slachtoffer 2] niet meer bij hem zou terugkomen en/of dat hij, verdachte, (dan) de ouders van die [slachtoffer 2] ging vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of- het bedreigen van die [slachtoffer 2] door (onder andere) een mes op/tegen haar keel en/of nek en/of buik te houden en/of te plaatsen en/of- het meermalen mishandelen van die [slachtoffer 2] (onder andere door haar (met kracht) te slaan en/of (met kracht) haar keel dicht te knijpen) en/of het (langdurig) opsluiten van die [slachtoffer 2] in een kast en/of- het geven van verdovende middelen (onder meer XTC en/of cocaïne en/of een ander verdovend middel) aan die [slachtoffer 2] en/of- het dwingen van die [slachtoffer 2] om (wrede) seks met hem, verdachte, te hebben en/of te ondergaan en/of- het naar een woning brengen van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 2] (vervolgens) aanbieden aan acht, in elk geval één of meerdere, man(nen) die (vervolgens) (wrede) seks met die [slachtoffer 2] hebben gehad en/of- het controleren en/of onder druk zetten van die [slachtoffer 2] (onder meer door die [slachtoffer 2] voortdurend te bellen en/of berichten te sturen) waardoor het voor die [slachtoffer 2] werd bemoeilijkt zich aan die controle en/of prostitutiewerkzaamheden te onttrekken en/of

en/of waarbij voornoemde "enige handeling" heeft bestaan uit:

- één of meer advertentie(s) op één of meer website(s)- onder meer 'sexjobs' en/of 'kinky' - waarin die [slachtoffer 2] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden aan te maken en/of- het regelen van seksdates en/of het maken van afspraken met klant(en) over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te betalen bedragen en/of- het regelen van één of meerdere prostitutieafspra(a)k(en) in (een) hotel(s), waaronder een prostitutieafspraak in een hotel in [plaats] in de periode van 19 tot en met 20 juni 2021 (met één of meerdere andere(n) (minderjarige) meisje(s)) en/of- die [slachtoffer 2] (zijnde schaars gekleed) begeleiden en/of het (per auto) vervoeren en/of laten vervoeren bij/naar prostitutiewerkzaamheden en/of- zijn, verdachtes, en/of een woning ter beschikking te stellen als werkplek voor prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 2] (terwijl hij, verdachte, in een andere kamer wachtte) en/of - het bepalen of die [slachtoffer 2] prostitutiewerkzaamheden met of zonder condoom moest verrichten en/of- het ontvangen en/of afpakken van (meer dan) de helft van het geld dat die [slachtoffer 2] heeft verdiend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak feit 5 (mensenhandel [slachtoffer 2])

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit de verdachte vrij te spreken van de mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 2]. Samengevat heeft hij daartoe gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn, er geen sprake is van een oogmerk van uitbuiting en evenmin van dwang(middelen) als gevolg waarvan [slachtoffer 2] in een uitbuitingssituatie zou zijn beland. Ten aanzien van dat laatste heeft de raadsman in het bijzonder naar voren gebracht dat [slachtoffer 2] moet worden beschouwd als een mondige prostituee die zelf de dienst uitmaakt.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de tenlastegelegde mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 2] bewezen wordt verklaard, een en ander zoals onderbouwd in het schriftelijk requisitoir. Voor wat betreft de bij de mensenhandel gebruikte dwangmiddelen heeft de advocaat-generaal zich aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank en geconcludeerd dat gebruik is gemaakt van de dwangmiddelen ‘misbruik van een kwetsbare positie`, ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht` en een `andere feitelijkheid’.

Oordeel van het hof

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 5 is tenlastegelegd ten aanzien van de seksuele uitbuiting van aangeefster [slachtoffer 2]. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Verklaring [slachtoffer 2]

heeft -kort samengevat- verklaard dat zij prostitutiewerkzaamheden voor de verdachte heeft moeten doen. Vanaf haar achttiende moest ze elke dag werken. Ze had altijd een groot deel van haar verdiende geld aan de verdachte af moeten geven. Ze kon niet uit die situatie stappen omdat ze wist dat hij haar nooit met rust ging laten aangezien hij haar vaak genoeg had bedreigd en dat had gezegd.

Onvoldoende steunbewijs

De verdachte en [slachtoffer 2] leerden elkaar jaren voor de (in feit 5) ten laste gelegde periode kennen. Zij gingen in de tenlastegelegde periode, zo blijkt uit het dossier, veel met elkaar om en [slachtoffer 2] heeft in die periode prostitutiewerkzaamheden verricht. De verdachte heeft haar een aantal keren vervoerd en heeft daarvoor geld van [slachtoffer 2] gekregen. De vraag die voorligt is of daarbij enige dwang van de verdachte plaatsvond en [slachtoffer 2] daardoor in een uitbuitingssituatie verkeerde.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het dossier volgt dat [slachtoffer 2] te maken heeft gehad met zeer bewogen tienerjaren, dat er zorgen waren over haar drugsgebruik en het weglopen van huis. In 2015 is zij in een crisisgezin geplaatst. Het is duidelijk dat [slachtoffer 2] zich toen in een kwetsbare positie bevond. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van uitbuiting van [slachtoffer 2] als minderjarige. In hoger beroep is ten aanzien van [slachtoffer 2] alleen feit 5 nog aan de orde.

Het als feit 5 tenlastegelegde gaat over de periode ná de minderjarigheid van [slachtoffer 2]. Uit het dossier valt op te maken dat zij zich in die periode heeft ontwikkeld tot een meer mondige en zelfbepalende vrouw. Zo volgt uit de verklaring van getuige [getuige 1] (zowel bij de politie als bij de raadsheer-commissaris) en de chats tussen hem en [slachtoffer 2] dat zij (in 2021) zelf met hem seksafspraken maakte.

De rechtbank heeft de aanvangsdatum van de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 2] gebaseerd op de politiemutatie van 31 juli 2018, waarin staat beschreven dat [slachtoffer 2] en [medeverdachte 3] samen zijn gecontroleerd op een parkeerplaats van een Van der Valk Hotel waarbij [slachtoffer 2] schaars gekleed was. In dat kader is van belang dat [medeverdachte 3] bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] op haar verzoek heeft vervoerd naar seksafspraken, dat zij niet gedwongen werd dit werk te doen en dit voor zichzelf deed. Hieruit komt een beeld naar voren van een toen zelfstandig handelende [slachtoffer 2], gelijkend aan een mondige prostituee. Betrokkenheid van de verdachte bij die situatie blijkt hier niet uit.

Ook blijkt voornoemde mondigheid uit een tapgesprek tussen de verdachte en [slachtoffer 2] op 7 maart 2022 (pp. 170-171). [slachtoffer 2] zegt daarin tegen de verdachte dat ze iemand zoekt die haar overdag kan brengen omdat de verdachte dan aan het werk is. Als de verdachte dan zegt dat ze afspraken moeten maken over de financiën, reageert [slachtoffer 2] dat ze hem niet meer dan vier “donnies” per uur wil betalen. Nadat de verdachte zegt “daar ben ik het niet mee eens dat zeg ik je gewoon eerlijk. Voor 4 donnies dat ik dan ook nog mijn huis aan jou moet gaan dingesen”, zegt [slachtoffer 2] “anders niet, joh” en houdt ze hem voor dat ze andere mensen heeft gesproken die hun huis voor een hele dag aan haar willen verhuren voor €120 tot €150,-. De verdachte gaat vervolgens akkoord met €40,- per klant.

Het hof heeft geen aanknopingspunten om de verklaringen van [slachtoffer 2] dat ze in die periode is uitgebuit door de verdachte als ongeloofwaardig aan te merken, maar dan nog steeds is er voldoende concreet steunbewijs nodig om met voldoende zekerheid uitbuiting door dwang te bewijzen. Naast het voornoemde beeld dat uit het dossier rijst van een betrekkelijk mondige aangeefster, biedt het dossier onvoldoende (concrete) aanknopingspunten om desondanks vast te kunnen stellen dat sprake is geweest van ‘misbruik van een kwetsbare positie`, ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht` of van een `andere feitelijkheid’. In dat verband overweegt het hof nog dat ook van een voortdurende of indringende controle van de verdachte in de betreffende periode evenmin is gebleken. Ook het forse leeftijdsverschil tussen de verdachte en [slachtoffer 2] is op zichzelf genomen onvoldoende om tot dwang te komen.

Het dossier biedt ook verder geen steunbewijs voor misbruikdwangmiddelen, noch voor de overige tenlastegelegde dwangmiddelen in die periode.

Nu het hof de tenlastegelegde dwangmiddelen niet bewezen acht zal de verdachte van mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 2] worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft overeenkomstig zijn pleitnota ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit en daartoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

Verklaringen [slachtoffer 2]

De belastende verklaringen van [slachtoffer 2] - die niet alleen een rol spelen bij feit 5 (mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 2]) maar ook een rol spelen bij de beoordeling van de tenlastegelegde feiten 1 tot en met 3 (ten aanzien van [slachtoffer] en de diefstal) - zijn onbetrouwbaar en zouden moeten worden uitgesloten van het bewijs. In dat geval is er onvoldoende bewijs ten aanzien van de feiten 1 en 2. De raadsman heeft in dit verband op inconsistenties in haar verklaringen gewezen.

Verklaringen [slachtoffer]

De raadsman heeft primair bepleit dat de verklaringen van [slachtoffer] niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden, omdat de verdediging haar niet als getuige heeft kunnen ondervragen. Dit levert een schending van artikel 6 van het EVRM op, omdat haar verklaring van doorslaggevende betekenis is en er onvoldoende steunbewijs voorhanden is.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat als het gaat om handelingen die aan de verdachte worden toegeschreven, het bewijs vooral uit de verklaringen van [slachtoffer] komt. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Enkel ten aanzien van het eenmalig vervoeren zou dit mogelijk anders liggen, aldus de raadsman.

Feit 3

De verdachte ontkent dat hij met een fles op het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen. Hij moet worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich in haar requisitoir op het standpunt gesteld dat de belastende verklaringen van [slachtoffer] en [slachtoffer 2] betrouwbaar en bruikbaar zijn voor het bewijs. De verklaringen van [slachtoffer] worden ondersteund door objectieve bewijsmiddelen, de verklaringen van [slachtoffer 2] en deels door de eigen verklaring van de verdachte. Het gewicht van de verklaringen van [slachtoffer] is zeker aanzienlijk, maar niet doorslaggevend voor de bewijsconstructie. Naast dat [slachtoffer] zelf verklaringen heeft afgelegd over de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten, hebben meerdere getuigen waaronder [slachtoffer 2], [getuige 2] en [getuige 1] zaken waargenomen en gehoord van [slachtoffer], die haar verklaringen substantieel ondersteunen. Deze getuigen zijn uitgebreid door de politie en door de verdediging ondervraagd. De verdediging is in de gelegenheid geweest om de verklaringen van [slachtoffer] te toetsen door het horen van die getuigen. Ook zijn twee verklaringen van [slachtoffer] audiovisueel geregistreerd. Daarmee zijn er voldoende compenserende factoren, aldus de advocaat-generaal. De advocaat-generaal komt tot een bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3.

Oordeel van het hof

Bruikbaarheid verklaringen voor het bewijs

Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer] en [slachtoffer 2]

Op 10 december 2021 is er door de politie een informatief gesprek met [slachtoffer] gevoerd, waaruit de verdenking van mensenhandel is ontstaan. Ze merkt dan op dat ze wil voorkomen dat andere meisjes slachtoffer worden (van uitbuiting). In het desbetreffende proces-verbaal staat vermeld dat [slachtoffer] in 2020 in een gesprek met team Mensenhandel had verteld dat ze er op dat moment nog niet aan toe was om te praten.

Nadat op 21 december 2021 door [getuige 3] namens [slachtoffer] aangifte is gedaan, heeft [slachtoffer] zelf op 23 december 2021 een getuigenverklaring afgelegd bij de politie. Vervolgens is [slachtoffer] nog een aantal keer door de politie gehoord, waarbij zij heeft aangegeven wat volgens haar heeft plaatsgevonden in het kader van de seksuele uitbuiting en het seksuele misbruik door de verdachte.

De rechter-commissaris heeft op 22 februari 2023 beslist dat [slachtoffer] niet nogmaals zou worden opgeroepen voor een getuigenverhoor. In het kader van een andere strafzaak waarin [slachtoffer] als slachtoffer is aangemerkt, had een psycholoog namelijk geconcludeerd dat het niet mogelijk was om [slachtoffer] opnieuw te horen zonder gevaar voor haar gezondheid en/of welzijn. In hoger beroep heeft de raadsheer-commissaris een onafhankelijke deskundige benoemd die onderzoek moest doen naar de vraag of [slachtoffer], al dan niet middels het treffen van maatregelen, binnen afzienbare termijn als getuige gehoord kon worden. De raadsheer-commissaris heeft vervolgens op basis van het rapport van de deskundige van 24 april 2026 afgezien van het horen van [slachtoffer], omdat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid van de getuige door het afleggen van een verklaring wordt geschaad en het onaannemelijk is dat daarin binnen een aanvaardbare termijn verandering optreedt waardoor de getuige wel zou kunnen worden gehoord.

[slachtoffer 2] is op 15 maart 2022 als verdachte aangehouden in het onderzoek ‘[naam 1]’. Zij heeft in die hoedanigheid in eerste instantie geen inhoudelijke verklaring af willen leggen, waarna zij op 24 maart 2022 tegenover de politie heeft verklaard ook slachtoffer te zijn van seksuele uitbuiting door de verdachte. Op 25 april 2022 heeft zij aangifte tegen de verdachte gedaan, waarna zij nog een aantal keer door de politie is gehoord. Tevens is zij als getuige gehoord door de rechter-commissaris.

Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] en [slachtoffer 2], in het bijzonder ten aanzien van de feiten 1, 2 en (in geval van [slachtoffer 2]) feit 3, afzonderlijk van elkaar gedetailleerd en consistent zijn. Zij hebben over zichzelf en elkaar verklaard dat zij geld verdienden in de prostitutie en dat de verdachte daarbij betrokken was en hen met zijn auto naar seksafspraken heeft gebracht. Voor de relevante overeenkomsten in de verklaringen van [slachtoffer] en [slachtoffer 2] kan overigens deels ook bevestiging worden gevonden in andere objectieve bevindingen. Zo zijn er uitgelezen chat- en tapgesprekken, waarin de verdachte vrijuit sprak. Het hof ziet in de verklaringen van beiden, noch in hetgeen daarover in hoger beroep naar voren is gebracht, aanknopingspunten om te concluderen dat aan hun verklaringen geen geloof moet worden gehecht.

Het hof is daarom van oordeel dat de verklaringen bruikbaar zijn voor het bewijs en dat bewijsuitsluiting niet aan de orde is. Het hof gebruikt de verklaringen alleen ten aanzien van de delen die door andere bewijsmiddelen worden ondersteund.

Een eerlijk proces

Bewijsuitsluiting is in verband met specifiek de feiten 1 (ten aanzien van de onderdelen 2 en 5) en 2 ook niet aan de orde wegens het niet kunnen ondervragen van [slachtoffer] bij de raadsheer-commissaris. Het hof vindt dat aan de bewezenverklaring, zoals hierna verder gemotiveerd, een eerlijk proces ten grondslag ligt ondanks het niet kunnen horen van [slachtoffer]. Het heeft daarbij een afweging gemaakt van de reden voor het niet kunnen horen van [slachtoffer], het gewicht van haar verklaring in verhouding tot het beschikbare steunbewijs en de mate waarin voor het niet kunnen horen van [slachtoffer] compensatie is geboden. Het hof heeft bij deze afweging acht geslagen op HR 12 oktober 2021, NJ 2021/368.

De reden voor het niet kunnen ondervragen

De verdediging heeft [slachtoffer] niet kunnen ondervragen omdat dat haar gezondheid en welzijn in onaanvaardbare mate zou schaden. Om tot die conclusie te kunnen komen is als gezegd tot twee keer toe een psychologisch onderzoek verricht, laatstelijk getoetst door de raadsheer-commissaris. Haar motivering houdt allereerst in dat omwille van de privacygevoeligheid het rapport van de psycholoog niet kan worden verstrekt. Na lezing van het rapport komt zij tot de conclusie dat op basis van de door de deskundige verzamelde informatie, de deskundige niet anders dan gemotiveerd kan concluderen dat het niet mogelijk is [slachtoffer] als getuige te horen zonder groot risico op ernstige negatieve gevolgen voor haar gezondheid en/of welzijn, ook niet met het treffen van maatregelen. De verwachting is niet dat deze situatie binnen afzienbare tijd zal veranderen, aldus de raadsheer-commissaris op basis van dat rapport.

De deskundige benoemt volgens de raadsheer-commissaris dat het bekend is dat voor slachtoffers van seksueel geweld het juridisch proces vaak een extra bron van stress is: slachtoffers hebben geen controle over het proces, er is regelmatig sprake van ervaren victimblaming doordat bijvoorbeeld het gedrag van het slachtoffer ter discussie wordt gesteld, het duurt vaak heel lang waardoor het moeilijk is door te gaan met leven, ook al heeft iemand een succesvolle traumabehandeling gevolgd, elke nieuwe zitting of andere confrontatie met het proces werkt als een trigger waardoor spanning en stress oplopen en het herstelproces negatief beïnvloed wordt. Voor iemand als [slachtoffer], die nog geen traumabehandeling gevolgd heeft en nog steeds kampt met ernstige traumaklachten, geldt dit in sterkere mate, aldus de deskundige.

Het hof kent in dit verband ook gewicht toe aan de namens [slachtoffer] overgelegde brief van behandelinstelling [naam 2] van 28 augustus 2026, waaruit kort samengevat volgt dat psychische klachten voortduren en nog steeds behandeling behoeven. Verder wijst het hof op bijlagen bij een e-mail van 5 maart 2025, waarin namens [getuige 3] een korte weergave is gegeven van de ontwikkeling van [slachtoffer] tot september 2023 en daarna tot maart 2025. Daaruit blijkt van de bijzondere kwetsbaarheid van [slachtoffer] en van de noodzaak van voortdurende behandeling en/of begeleiding. Het dossier bevat voorts een brief van haar begeleidster van 23 maart 2022, waarin ook wordt gesproken over haar ontwikkeling, haar kwetsbaarheid en in het bijzonder ook rondom en tijde van het praten met de politie.

Er kan kortom worden gesproken van een zeer goede reden om de aangeefster niet te horen. Het hof ziet geen ruimte om voorbij te gaan aan het deskundige oordeel en de toetsing daarvan door de raadsheer-commissaris en vindt het gezondheidsbelang van de getuige zwaarder wegen dan het belang van de verdachte om haar te ondervragen.

Compensatie

De verklaringen van [slachtoffer], die audiovisueel zijn vastgelegd, zijn herhaaldelijk en grotendeels in aanwezigheid van diens raadsman aan de verdachte voorgelegd. Ook de chatgesprekken tussen de verdachte en [slachtoffer] zijn herhaaldelijk aan de verdachte voorgelegd, ook nog uitvoerig ter terechtzitting in hoger beroep. De verdachte heeft daarmee de gelegenheid gekregen om de verklaringen en de chatgesprekken te weerspreken en heeft daar in zijn eigen verklaringen weinig tegenover gesteld.

[slachtoffer 2] en [getuige 2] zijn door de rechter-commissaris ondervraagd en konden daarbij door de verdediging ook worden bevraagd over hetgeen zij te weten waren gekomen over seksuele handelingen tussen de verdachte en [slachtoffer] en over de uitbuiting van [slachtoffer]. De raadsman van de verdachte heeft [getuige 2] specifiek op het punt van de ontucht bij de rechter-commissaris ondervraagd en heeft ook [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris kunnen ondervragen over haar wetenschap van de ‘ontmaagding’ van [slachtoffer]. Ook is Sman door de rechter-commissaris ondervraagd en zijn er in hoger beroep nog vijf andere getuigen door de raadsheer-commissaris gehoord op verzoek van de verdediging, ten aanzien van de beschuldiging van mensenhandel door uitbuiting in de prostitutie van [slachtoffer] (en [slachtoffer 2]).

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] zijn mede toetsbaar geweest op basis van hetgeen betrokken hulpverleners over die verklaringen of over de persoon van [slachtoffer] hebben gemeld aan de politie. De verdediging heeft geen verzoeken gedaan om behandelaars of begeleiders van [slachtoffer] te horen of de registraties van haar verhoren te bekijken of te beluisteren.

Conclusie

Nu er een goede reden is om [slachtoffer] niet te horen, haar verklaringen voor zover hierna beschreven op essentiële onderdelen worden ondersteund door ander bewijs en gelet op de mogelijkheden die er voor de verdediging zijn geweest, en die deels ook zijn gebruikt, om relevante getuigen te doen horen, komt het hof tot het oordeel dat het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om [slachtoffer] te (doen) ondervragen voldoende is gecompenseerd en dat is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces en het hof niet meer gehouden is nader onderzoek te verrichten. Het ziet daar ook overigens geen noodzaak toe.

Ten aanzien van feit 1:

Aan de verdachte wordt ten aanzien van [slachtoffer] verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel als bedoeld in artikel 273f eerste lid, sub 2, sub 5 en sub 8 Sr.

Juridisch kader

Artikel 273f, eerste lid, sub 2 en 5 Sr zien op de bescherming van minderjarigen tegen (seksuele) uitbuiting door anderen. Hierbij is niet van belang of een verdachte bekend is met de minderjarigheid van het slachtoffer, aangezien de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel is. Door het tewerkstellen van minderjarigen in de prostitutie is er in het algemeen sprake van een grote inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de minderjarige.

Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr ziet, voor zover in deze zaak van belang, op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van die ander, terwijl die ander nog geen achttien jaren oud is. Het gebruik van dwangmiddelen is niet vereist. De overtuiging van de wetgever is dat aan de exploitatie van minderjarigen ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ inherent is.

Wel moeten de handelingen en het oogmerk van uitbuiting worden bewezen. Aangenomen wordt dat er een oogmerk van uitbuiting bestaat als de verdachte het oogmerk heeft om een minderjarige in de prostitutie te laten werken.

Het in artikel 273f, eerste lid, sub 5 Sr bepaalde ziet op het strafbaar stellen van een minderjarige in de prostitutie brengen. Het gebruik van dwangmiddelen is niet vereist. Uit de wetsgeschiedenis vloeit voort dat de wetgever ten aanzien van de strafbaarstelling van op minderjarigen gericht handelen, van een eis van verdergaande specifieke, een uitbuitingsituatie kenmerkende, omstandigheden niet heeft willen weten. Het brengen van een minderjarige in de prostitutie is door de wetgever aangemerkt als een aan mensenhandel gerelateerde vorm van uitbuiting. Het voorgaande brengt mee dat het begrip ‘uitbuiting’ niet als bestanddeel in voormelde strafbepaling moet worden ingelezen en afzonderlijk worden bewezen, maar dat handelen als in deze strafbepaling neergelegd uitbuiting oplevert en wordt gekwalificeerd als mensenhandel.

Het in artikel 273f, eerste lid, sub 8 Sr gaat over, voor zover hier van belang, het opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen tegen betaling bij minderjarigen. Net zoals bij sub 2 en 5 ontbreekt het vereiste van onvrijwilligheid en hoeft de dader geen wetenschap omtrent de leeftijd te hebben gehad. Net als bij sub 5 moet het begrip ‘uitbuiting’ niet als bestanddeel in voormelde strafbepaling worden ingelezen en afzonderlijk worden bewezen, maar levert handelen als in deze strafbepaling neergelegd uitbuiting op en wordt het gekwalificeerd als mensenhandel.

Feiten en omstandigheden

Uit de (te bezigen) bewijsmiddelen volgt dat de verdachte aangeefster [slachtoffer] eind december 2018 heeft leren kennen. De toen14-jarige [slachtoffer] bevond zich in een kwetsbare situatie in haar leven. In de periode dat zij in een gesloten instelling verbleef, liep zij regelmatig weg en de verdachte bood haar dan onderdak. De verdachte gaf haar aandacht en had seks met haar, zoals het hof hierna (feit 2) nog nader zal motiveren.

Dit alles maakte dat [slachtoffer] verliefd werd op de verdachte en hij gaf haar het gevoel dat ze ‘van hem’ was. De verdachte heeft [slachtoffer] op enig moment in 2020 voorgesteld aan [slachtoffer 2], die al in de prostitutie werkzaam was, wat de verdachte ook wist. Ook heeft de verdachte haar drugs gegeven.

Op 4, 5 en 6 maart (naar het hof begrijpt: 2021) hebben de verdachte en [slachtoffer] chatgesprekken met elkaar. Ze praten daarin over dat ze elkaar missen, van elkaar houden en seks met elkaar willen, weer samen drugs gaan gebruiken (spacen) en heel erg behoefte aan elkaar hebben.

In een chatgesprek tussen de verdachte en [slachtoffer 2] op 15 juni 2021 wordt gesproken over het inwerken van [slachtoffer] voor het verrichten van seksuele diensten. [slachtoffer] is op dat moment 16 jaar. De verdachte zegt dat hij haar net als [slachtoffer 2] wil maken. Vervolgens wordt er een aantal seksuele diensten besproken die [slachtoffer] kan gaan doen.

Op 18 juni 2021 vindt er een chatgesprek plaats tussen [slachtoffer 2] en [getuige 1], die een week eerder een seksafspraak met elkaar hadden gehad. [getuige 1] geeft aan dat het hem leuk lijkt om een trio te doen. [slachtoffer 2] spreekt met [getuige 1] over een meisje en zegt dat zij 200 euro per uur rekent, dat het haar eerste dag is en dat [slachtoffer 2] haar aan het inwerken is omdat zij geen ervaring heeft. Het hof gaat er van uit dat dat meisje [slachtoffer] is, ook gelet op wat hierna is opgenomen omtrent de seksafspraak op 19 juni 2021.

Op 19 juni 2021 heeft de verdachte, nadat hij hen eerst naar de stad had gebracht om lingerie te kopen, [slachtoffer] en [slachtoffer 2] naar een hotel in [plaats] gebracht, zo verklaren [slachtoffer] en [slachtoffer 2]. Op foto’s die in de lobby van het hotel zijn gemaakt is te zien dat [slachtoffer] en [slachtoffer 2] gekleed waren in jurkjes en hoge hakken. Er heeft een seksafspraak met [getuige 1] plaatsgevonden en [slachtoffer 2] en [slachtoffer] zijn die avond samen bij [getuige 1] op de hotelkamer geweest. De verdachte bevestigt dat hij een schaars geklede [slachtoffer] en [slachtoffer 2] naar [plaats] heeft gebracht. [slachtoffer] heeft ook seksuele handelingen verricht bij de klant, [getuige 1]. [slachtoffer 2] heeft gezien dat [slachtoffer] zenuwachtig en angstig was en dat ze het vies vond wat ze moest doen. [slachtoffer] wilde eigenlijk niet en daarom hadden ze samen veel drugs gebruikt, aldus [slachtoffer 2]. De verdachte heeft voor het hotel staan wachten en heeft [slachtoffer] vervolgens na enige tijd weer teruggebracht naar de instelling waar zij verbleef.

Op 22 juni 2021 praten de verdachte en [slachtoffer 2] in een chatgesprek over een date, een trio, in een hotel in Hoorn met een [afkomst] klant, waarbij de naam van [slachtoffer] wordt genoemd. De verdachte zegt dat [slachtoffer 2] haar werk goed doet en dat het beter is als het via haar gaat, want dan kan ze ‘een oogje in het zeil houden’.

Op 7 juli 2021 zijn er berichten tussen [slachtoffer 2] en de verdachte waarin [slachtoffer 2] aangeeft dat dat “kut wijf’ een SOA had en nu haar klanten ziek heeft gemaakt en dat zij daardoor die klanten ook even niet kan zien. [slachtoffer 2] begrijpt niet waarom ‘ze’ ging werken als ze mogelijk wist dat ze een SOA kon hebben, maar dat ze nu klaar met haar is en ver weg uit haar leven moet blijven. De verdachte zegt dat het wel goed is dat “we dat nu weten” en dat ze “kk vies is merk ik meer en meer”. [slachtoffer 2] zegt vervolgens tegen de verdachte dat het niet zijn schuld is, maar die van ‘haar’ zelf. De verdachte zegt dan dat het toch wel een beetje zijn schuld is, omdat hij dacht dat ‘ze’ goed was voor het werk en hij ‘haar’ met [slachtoffer 2] in contact heeft gebracht. Het hof concludeert dat hier over [slachtoffer] wordt gesproken door de verdachte en [slachtoffer 2].

Uit berichten van [slachtoffer] en de verdachte van 29 augustus 2021 komt naar voren dat ze ruzie hebben. [slachtoffer] zegt dat ‘kleine Alaina’ (het hof begrijpt dat dat [slachtoffer] zelf is) weg is en dat zij eerst niet tegen hem in kon gaan, maar nu wel een stem heeft, en dat hij meisjes manipuleert. [slachtoffer] zegt vervolgens dat zij niet van hem is.

Ook uit de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [slachtoffer] en [slachtoffer 2] en de chatberichten tussen de verdachte en [slachtoffer 2] blijkt dat [slachtoffer] meerdere prostitutieafspraken heeft gehad, dat deze afspraken voor [slachtoffer] door de verdachte of [slachtoffer 2] werden gemaakt, dat er gebruik werd gemaakt van de advertentie van [slachtoffer 2] op [website] en dat [slachtoffer] in het bijzijn van [slachtoffer 2] door de verdachte of door [medeverdachte 3] naar de afspraken werd vervoerd. Ze gebruikten veel drugs en de verdachte en [slachtoffer 2] hebben ook drugs aan [slachtoffer] gegeven.

Periode

Het hof komt op basis van het voorgaande tot een bewezenverklaring voor de periode van 1 maart 2021 tot 1 september 2021, waarbij de door de verdachte en/of [slachtoffer 2] gearrangeerde prostitutieafspraken voor [slachtoffer] na 15 juni 2021 hebben plaatsgevonden. Het hof maakt uit de berichten van [slachtoffer] van 29 augustus 2021 op dat zij klaar is met de verdachte en concludeert dat zij nadien in ieder geval niet meer voor de verdachte heeft gewerkt.

Mensenhandel

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte handelingen heeft verricht om [slachtoffer] ertoe te brengen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling. Uit die bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte [slachtoffer] eerst heeft klaargestoomd voor de prostitutie en dat de gebeurtenis in [plaats] het daadwerkelijke startpunt daarvan vormde. Zoals hiervoor is overwogen onder het juridisch kader, is het in de prostitutie brengen van een minderjarige door de wetgever aangemerkt als een aan mensenhandel gerelateerde vorm van uitbuiting, zoals neergelegd in artikel 273f, eerste lid, sub 5 Sr.

Dit brengt met zich dat de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de bepaling in artikel 273f, eerste lid sub 2 Sr. De verdachte heeft [slachtoffer] immers geworven, vervoerd en overgebracht met het oogmerk haar te faciliteren in haar prostitutiewerk. Het oogmerk van de verdachte is dan ook gericht geweest op de hiervoor genoemde uitbuiting.

Het hof spreekt de verdachte evenwel vrij van het voordeel trekken uit de seksuele handelingen van een ander als bedoeld in onderdeel 8. Het hof acht hiervoor, anders dan ten aanzien van de onderdelen 2 en 5, onvoldoende steunbewijs aanwezig. De verklaringen van [slachtoffer] over verdiensten die zij moest afdragen aan de verdachte zijn niet eenduidig (de helft van die verdiensten of alleen de kosten voor vervoer), terwijl die verklaring van [slachtoffer] alleen steun vindt in de verklaring van [slachtoffer 2]. Haar verklaringen zijn in dit verband echter weer in belangrijke mate gebaseerd op wat zij van [slachtoffer] zelf heeft gehoord. Nu er ook geen gelegenheid is geweest [slachtoffer] hierover nader te bevragen, ziet het hof onvoldoende basis voor een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging. De mogelijkheid om [slachtoffer 2] er bij de rechter-commissaris nader over te bevragen, compenseert dat niet.

Medeplegen

Van medeplegen is sprake als is komen vast te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander, in dit geval [slachtoffer 2], bij het plegen van de seksuele uitbuiting van [slachtoffer]. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat kan worden bewezen dat sprake is van het medeplegen met [slachtoffer 2] ten aanzien van het in de prostitutie brengen van [slachtoffer] (sub 5) in de hiervoor genoemde periode. Er was een duidelijke taakverdeling tussen [slachtoffer 2] en de verdachte. De verdachte heeft [slachtoffer 2] gevraagd om [slachtoffer] in te werken en haar ‘te maken’ als zijzelf en haar in de gaten te houden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 2] dat heeft gedaan. De eerste afspraak was een gezamenlijk trio in [plaats]. Verder hebben [slachtoffer 2] en de verdachte seksafspraken geregeld voor [slachtoffer] via de seksadvertentie van [slachtoffer 2] op [website], [slachtoffer 2] vergezelde [slachtoffer] in de auto op weg naar haar afspraken en gebruikte drugs met [slachtoffer] wanneer zij een prostitutieafspraak had. De verdachte heeft de overige bewezenverklaarde handelingen verricht (ten aanzien van de ontuchtige handelingen zal het hof hierna bij feit 2 nog nader overwegen). Bij elkaar genomen is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [slachtoffer 2] om de verdachte klaar te stomen voor de prostitutie en haar ook daadwerkelijk te laten werken in de prostitutie.

Ten aanzien van feit 2:

Het hof komt tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde ontucht van [slachtoffer] in de periode van 25 december 2018 tot en met 14 december 2020. Het hof vindt haar verklaringen als gezegd betrouwbaar en hecht er ook ten aanzien van de ontucht geloof aan, kijkend naar wat [slachtoffer] heeft verklaard, hoe haar verklaring tot stand is gekomen en uiteindelijk ook naar dat die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het hof leidt uit de diverse bewijsmiddelen in onderlinge samenhang ook af dat de ontucht mede heeft bestaan uit seksueel binnendringen.

De inhoud van de verklaringen van [slachtoffer]

In het proces-verbaal informatief gesprek zeden met [slachtoffer] van 10 december 2021 staat vermeld dat [slachtoffer] in een gesprek met de politie Noord-Holland in juli 2019 al heeft verteld seks te hebben gehad met de verdachte.

In aanwezigheid van een begeleidster van [naam 3] heeft zij tijdens het informatief gesprek van 10 december 2021 voor het eerst verder verklaard. Ze vertelt over de eerste keer dat ze seks had met de verdachte, een keer nadat hij haar van school had gehaald en haar mee naar zijn woning nam. Zij herinnert zich dat zij moest huilen en dat ze besefte dat het niet goed was wat ze deden, waarop de verdachte ook ‘zogenaamd’ begon te huilen.

Een veiligheidsfunctionaris van [getuige 3] heeft uiteindelijk op 21 december 2021 namens [slachtoffer] aangifte gedaan. Die verklaart van de begeleidsters van [slachtoffer] bij de instelling [naam 3] te hebben vernomen dat zij gedurende haar verblijf in 2018/2019 bij opvangmoeder [getuige 2] seksueel was misbruikt door de verdachte. Ook hij verklaart dat [slachtoffer] al in 2019 een gesprek heeft gevoerd met de politie Noord-Holland, waarin zij het misbruik ontkende omdat zij verliefd op de verdachte was en hem in bescherming wilde nemen.

[slachtoffer] zelf heeft in de gesprekken met de politie betrekkelijk specifiek verklaard over dat zij meermalen seks met de verdachte heeft gehad. Ze heeft het er ook over dat ze door hem is ontmaagd. Zij verklaart tijdens het verhoor op 23 december 2021 opnieuw over de eerste keer seks, dat zij door de verdachte van school werd opgehaald en dat zij in zijn woning met elkaar stoeiden en seks hadden, waarop zij zei dat het niet zo’n goed idee was en de verdachte stopte. Deze verklaring sluit aan bij hetgeen zij korte tijd ervoor in het informatieve gesprek had verklaard.

[slachtoffer] verklaart ook specifiek dat zij steeds seks met de verdachte had als zij vanuit de gesloten instelling haar toevlucht bij hem thuis zocht. Er was dan ‘automatisch’ seks, zoals zij het noemt.

Steunbewijs

Voor het steunbewijs geeft het hof aanzienlijk gewicht aan de omstandigheid dat de politie in de periode dat [slachtoffer] bij [naam 3] gesloten was geplaatst, haar tot drie keer toe bij de verdachte thuis heeft aangetroffen. Bij een van die drie gelegenheden had de verdachte gezegd dat [slachtoffer] niet bij hem was maar trof de politie [slachtoffer] in het bed van de verdachte aan, slechts gekleed in een onderbroek en T-shirt. Bij het meenemen van [slachtoffer] zag de politie dat de verdachte tegen [slachtoffer] zei dat hij van haar houdt, waarop zij elkaar kusten.

De verdachte heeft erkend dat [slachtoffer] de keren dat zij haar toevlucht bij hem zocht, in zijn bed sliep.

Verder ziet het hof steunbewijs in chatgesprekken die de verdachte en [slachtoffer] met elkaar voerden, een kleine drie maanden nadat [slachtoffer] zestien was geworden. Ze praten daarin over dat ze elkaar missen, van elkaar houden en seks met elkaar willen, weer met elkaar gaan spacen en heel erg behoefte aan elkaar hebben. Het hof ziet de inhoud van dit gesprek en de wijze waarop zij zinspelen op seks als steun voor de vaststelling dat zij al langer, en ook voor de zestiende verjaardag van [slachtoffer] seks met elkaar hebben gehad.

Voor het steunbewijs is verder het volgende van belang. In het najaar van 2021, ongeveer negen maanden nadat zij zestien is geworden, appt [slachtoffer] met de verdachte en laat ze zich woedend over hem uit: “alles wat je met mij hebt gedaan was nep” (p. 128), “ik was jong ik begreep dingen niet ik was makkelijk blablabla” (p. 129), “Kleine meisjes een beetje ompraten verlieft maken en vervolgens naar de kanker brengen” (p. 130), en later: “ben niet alaina van 14 meer” (p. 135). Hoewel deze uitlatingen niet specifiek wijzen op seks met de verdachte zelf voordat zij zestien werd, bieden zij wel enige steun voor de conclusie dat daar sprake van is geweest. Opmerkelijk is in dat verband dat de verdachte zich in het Whats-app gesprek nauwelijks tegen de verwijten van [slachtoffer] keert. Als haar verwijten niet juist zouden zijn geweest, was dit namelijk wel te verwachten. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte voor het uitblijven van een reactie op de (zware) verwijten geen aannemelijke verklaring gegeven.

Zowel getuige [getuige 2] als getuige [slachtoffer 2] hebben van [slachtoffer] over de seks met de verdachte gehoord. [getuige 2], waar [slachtoffer] voor haar zestiende verbleef, en waar de verdachte over de vloer kwam, heeft verklaard dat iemand haar had verteld dat de verdachte [slachtoffer] tegen haar wil had gevingerd en dat zij verliefd op hem was. Zij hoorde ook van [slachtoffer] zelf dat hij aan haar gezeten heeft en heeft de verdachte daarom de toegang tot haar woning ontzegd.

[slachtoffer 2] heeft op de vraag of de verdachte [slachtoffer] wel eens heeft mishandeld geantwoord dat dat niet zo was, maar zij voegt daar uit eigen initiatief direct aan toe dat [slachtoffer] wel door hem is ontmaagd. Dat sluit weer aan op hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard, namelijk dat ze door de verdachte is ontmaagd.

Het hof komt zo, gelet op al het voorgaande, tot de conclusie dat er voor de verklaringen van [slachtoffer] over dat zij seks had met de verdachte voordat zij zestien werd, voldoende steunbewijs is.

Ten aanzien van feit 3:

Het hof komt tot een bewezenverklaring van de onder 3 tenlastegelegde diefstal met geweld. Op de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte weliswaar ontkend dat hij degene is geweest die aangever [medeverdachte 2] met een fles op zijn hoofd heeft geslagen. Het hof ziet echter geen reden om aan de juistheid van de door de verdachte op 23 maart 2022 afgelegde verklaring te twijfelen: “Ik deed een flesje op zijn kop, klap boem. Ik heb hem niet hard geslagen, want als ik hard sla gaat hij slapen en dat deed hij niet.” Deze verklaring behelst een bekentenis die zowel steun vindt in de aangifte, als in het verhoor van de aangever bij de rechter-commissaris, als in de verklaring van [slachtoffer 2].

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij in de periode van 1 maart 2021 tot 1 september 2021 in Nederland,

een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2004),

heeft geworven, vervoerd en overgebracht met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer], terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt

en tezamen en in vereniging met een ander,

ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [slachtoffer] handelingen heeft ondernomen waarvan verdachte, en/of zijn mededader, wist(en) dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt (artikel 273f lid 1 sub 5°)

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

(ten aanzien van) die [slachtoffer]- gemanipuleerd en- gezegd dat die [slachtoffer] van hem, verdachte, is en- verdovende middelen (onder meer XTC en cocaïne) gegeven en- een seksuele relatie aangegaan en- voorgesteld om (onder meer tezamen met [slachtoffer 2]) betaalde seks met andere mannen te hebben en- een advertentie op website 'sexjobs' - waarin die [slachtoffer] (onder de account van [slachtoffer 2]) werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden aangemaakt en onderhouden (waaronder begrepen het 'omhoog plaatsen') en- seksdates geregeld en- (zijnde schaars gekleed) per auto vervoerd naar escortwerkzaamheden en- een prostitutieafspraak in een hotel in [plaats] geregeld in de periode van 19 tot en met 20 juni 2021 (met één andere meisje;

2. hij in de periode van 25 december 2018 tot en met 14 december 2020 in Nederland meermalen met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2004), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer];

3. hij op 24 februari 2022 te Ermelo een telefoon (een zwarte Apple IPhone 11) die [medeverdachte 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [medeverdachte 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- zwaaiend met een glazen wijnfles in de hand aan te geven die [medeverdachte 2] dood te maken als die [medeverdachte 2] nu niet zou betalen, en- te dreigen die [medeverdachte 2], aan het hek vast te maken en met de fles te slaan en op die plek levenloos achter te laten en- terwijl die [medeverdachte 2] met zijn moeder aan het telefoneren was de telefoon van die [medeverdachte 2] af te pakken en het gesprek te beëindigen en- die [medeverdachte 2] vervolgens met een glazen wijnfles op het achterhoofd te slaan en- die [medeverdachte 2] met kracht tegen een hek te duwen en- in de broekzakken van die [medeverdachte 2] te zoeken naar geld en/of andere goederen.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 2° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt

en

mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 5° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt en het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg 1, 2, 3 en 5 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft, rekening houdende met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 102 maanden, met aftrek van voorarrest en daarnaast een dadelijk uitvoerbaar contactverbod ex artikel 38v Sr met de slachtoffers voor de duur van 5 jaren. Hoewel verzocht namens [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal geen locatieverbod ten aanzien van haar gevorderd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De toen veel oudere verdachte heeft meermalen seks gehad met [slachtoffer] vanaf haar veertiende levensjaar. Hij heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van de minderjarige [slachtoffer]. De verdachte heeft de destijds minderjarige [slachtoffer] in een kwetsbare periode van haar leven de aandacht gegeven waar zij naar verlangde en haar zo ertoe gebracht handelingen te ondergaan en verrichten die zeer schadelijk voor haar zijn geweest. Hij had seks met haar, voorzag haar van drugs en bood haar onderdak als zij wegliep uit de instelling waar zij verbleef. Daarnaast maakte ook het aanzienlijke leeftijdsverschil [slachtoffer] afhankelijk en kwetsbaar ten opzichte van de verdachte. Hij heeft haar vervolgens in samenwerking met [slachtoffer 2] ertoe gebracht prostitutiewerkzaamheden te verrichten door seksafspraken voor haar te (laten) maken en haar te vervoeren naar die seksafspraken.

Naar het oordeel van het hof draagt het op deze manier bevorderen van prostitutiewerk door een minderjarige bij aan het in stand houden van een verwerpelijke vorm van seksuele commercie.

De door de verdachte overtreden bepalingen beogen minderjarigen te beschermen, ook tegen zichzelf. Minderjarigen worden geacht op seksueel gebied nog niet volgroeid te zijn en niet zelfstandig de emotionele gevolgen van seksueel contact voldoende te kunnen overzien. Met zijn handelen heeft verdachte [slachtoffer] in ernstige mate geschaad in haar lichamelijke en geestelijke integriteit in een cruciale periode in haar ontwikkeling tot volwassen vrouw. Gebleken is dat [slachtoffer] als gevolg van de seksuele uitbuiting door de verdachte zwaar heeft geleden en nog steeds lijdt. Zij heeft nog een lange weg te gaan en heeft professionele ondersteuning en behandelingen nodig om haar leven weer op de rails te krijgen.

De verdachte heeft geen rekening gehouden met de gevolgen van zijn handelen voor de geestelijke en lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en heeft ook nadien geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. Hij heeft niet getoond enig inzicht te hebben in de kwalijkheid van zijn handelen. Sterker nog, verdachte heeft de hem verweten gedragingen grotendeels en hardnekkig ontkend.

De verdachte heeft zich daarnaast ook nog schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld, waarbij het slachtoffer [medeverdachte 2] een diepe hoofdwond heeft opgelopen en waarbij zijn telefoon is weggenomen. De situatie – die plaatsvond in het kader van een seksdate waarbij de verdachte de prostituees vervoerde –

moet voor het slachtoffer bijzonder bedreigend en beangstigend zijn geweest. Ook dit is een ernstig feit, waarbij de verdachte inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en een gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van het slachtoffer heeft getoond.

De persoon van de verdachte

Uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 augustus 2026 volgt dat hij voorafgaand aan het bewezenverklaarde wegens diefstal met geweld onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf. Het hof weegt dit in strafverzwarende zin mee bij de strafbepaling. De verdachte is momenteel - na ruim vier jaar voorlopige hechtenis - gedetineerd op een beperkt beveiligde afdeling en is aan het re-integreren. Hij werkt overdag en verblijft tijdens verloven bij zijn partner en dochter. Na zijn detentie wil hij doorgaan met zijn huidige werk en zal hij intrekken bij zijn partner.

Strafmaat

Gezien de ernst van de feiten kan daar niet anders op worden gereageerd dan met het opleggen

van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van de mensenhandel en de diefstal met geweld acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en voorts, ook ten aanzien van de ontucht met een minderjarige, op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Het hof komt tot een lagere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd en door de rechtbank opgelegd, omdat het hof de verdachte vrijspreekt van de mensenhandel jegens [slachtoffer 2], van het voordeel trekken uit de uitbuiting van [slachtoffer] en tot de bewezenverklaring komt van een kortere periode waarin de seksuele uitbuiting jegens [slachtoffer] heeft plaatsgevonden. Veel lager is die straf echter niet omdat het hof in dit verband naar verhouding aanzienlijk gewicht geeft aan de ontucht en de mensenhandel jegens de minderjarige [slachtoffer].

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 64 maanden passend.

Redelijke termijn

Het hof constateert dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld op 30 november 2023, terwijl het hof arrest wijst op 1 oktober 2026. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee dus met 18 maanden overschreden.

Het hof zal deze overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafoplegging en de beoogde gevangenisstraf verminderen tot een gevangenisstraf voor de duur van 58 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Maatregel ex artikel 38v Sr

Het hof legt aan de verdachte ook op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid, als bedoeld in artikel 38v Sr. Deze maatregel zal bestaan uit een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer], inhoudende dat de verdachte geen contact met haar, direct noch indirect, mag leggen. De maatregel zal worden opgelegd voor een periode van vijf jaren. Met het oog op de effectiviteit van de maatregel, geldt voor iedere keer dat de verdachte de maatregel overtreedt een vervangende hechtenis van één week, tot een maximum van zes maanden. Het hof zal bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich opnieuw strafbaar, althans belastend zal gedragen jegens zijn slachtoffer. Dit leidt het hof af uit de aard van de strafbare feiten waarbij het slachtoffer betrokken is en de omstandigheid dat die feiten over een langere periode zijn gepleegd, waarbij het hof ook meeweegt dat uit de houding van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een gebrek aan inzicht in zijn daden en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer naar voren is gekomen.

Het hof zal niet overgaan tot de door de advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer] verzochte oplegging van een locatieverbod voor heel Amsterdam, of in ieder geval Amsterdam-Noord. Het is het hof gebleken dat de verdachte juist daar inmiddels een gezin vormt, hij in het kader van verlof daar al meerdere keren is geweest en daar ook verder wil re-integreren. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die maken dat een locatieverbod noodzakelijk is en aan deze persoonlijke omstandigheden van de verdachte voorbij zou moeten worden gegaan.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 68.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 48.000,00 voor vergoeding van materiële schade (afgedragen inkomsten uit prostitutie) en

€ 20.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 16.400,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de vordering geheel kan worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft, nu hij primair vrijspraak heeft bepleit, primair verzocht de

vordering van [slachtoffer] niet ontvankelijk te verklaren. Subsidiair meent de verdediging dat de vordering van [slachtoffer] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, niet in de laatste plaats omdat de verdediging haar niet heeft kunnen horen.

Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsman opgemerkt dat er geen gegevens voorhanden zijn over het aantal gewerkte uren, het aantal klanten per dag en de inkomsten die daarmee zijn verdiend. Daarom dient er hooguit te worden uitgegaan van een paar dagen met verdiensten van € 150,00 per gewerkte dag.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman betoogd dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat niet kan worden vastgesteld welke schade het (rechtstreekse) gevolg is geweest van het ten laste gelegde.

Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de vordering dient te worden gematigd tot dat deel waarvoor verdachte aansprakelijk kan worden gehouden. De ontucht kan niet worden bewezen en enkel kan worden bewezen dat verdachte haar eenmalig naar een seksafspraak heeft gereden.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schade

Omdat het hof de verdachte vrijspreekt van het voordeel trekken uit de seksuele handelingen van een ander als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 8 Sr en ook niet is komen vast te staan dat de gestelde materiële schade het rechtstreekse gevolg is geweest van het overigens bewezenverklaarde, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover het de gevorderde materiële schade betreft.

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is wel voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de medeverdachte rechtstreeks immaterieel schade heeft geleden.

Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW brengt mee dat de benadeelde partij onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen (HR 29 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793). Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

Uit de namens de benadeelde partij ingebrachte brief van psychiater Veen van 28 augustus 2026 blijk dat bij haar sprake is van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een depressieve stoornis, mede als gevolg van de periode van seksuele uitbuiting. Hierbij betrekt het hof overigens ook de overige hierboven vermelde correspondentie (van [getuige 3]) uit 2022, 2023 en 2025 over de geestelijke toestand van [slachtoffer]. Zij heeft veel angstklachten en is continue alert. Er zijn slaapproblemen en er is verstoring van dag/nacht ritme en energieverlies. Ook is er sprake van onvermogen te kunnen genieten, depressie gevoelens, overmatige negatieve gedachten over zichzelf, anderen en de wereld. Het hof is van oordeel dat daarmee voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachten geestelijk letsel heeft opgelopen en dat zij dus op andere wijze in de persoon is aangetast zoals bedoeld in artikel 6:106 BW.

Ten tijde van het schrijven van voornoemde brief van de psychiater was de benodigde psychotherapie en farmacotherapie nog nauwelijks van de grond gekomen, omdat de benadeelde partij gedurende het traject in toenemende mate last heeft van stress en angst. De klachten van angst zijn dusdanig hoog dat het haar niet lukt om fysiek op de afspraken te komen bij de instelling.

Bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schade heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval en met vergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegewezen. Het hof heeft in het bijzonder acht geslagen op de criteria die ten aanzien van mensenhandel worden genoemd in De Rotterdamse Schaal. Relevante factoren die daarin worden genoemd en waar het hof rekening mee heeft gehouden, zijn de duur van de uitbuiting, de mate van vrijheidsbeperking, de mate waarin geweld wordt gebruikt, de ernst en frequentie van de afgedwongen seksuele handelingen, de handelwijze van de dader, de kwetsbaarheid en leeftijd van de benadeelde en de aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde.

Bewezen is dat de benadeelde gedurende een periode van enkele maanden is uitgebuit in de prostitutie en voor haar 16e seksueel is misbruikt door de veel oudere verdachte. Zij was minderjarig en er werd misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid vanwege haar moeizame verleden en haar verliefdheid op de verdachte.

De benadeelde heeft door het handelen van de verdachte ‘ernstig geestelijk letsel’ opgelopen, bestaande onder meer uit PTSS. Meerdere jaren zijn verstreken, maar er is nog geen herstel opgetreden en de beperkingen die daaruit voortvloeien zullen in ieder geval ook in de nabije toekomst nog blijven bestaan.

Gelet op het voorgaande acht het hof het gevorderde bedrag van € 20.000,00 aan immateriële schade billijk en zal het deze post toewijzen.

Conclusie

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 110.732,60. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 60.732,60. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt vrijgesproken ter zake van het onder 5 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 57, 245, 273f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 58 (achtenvijftig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal leggen, zoeken of hebben met [slachtoffer], geboren op [geboortedag 2] 2004.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 125 (honderdvijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 augustus 2021.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. M. Iedema en mr. C.J. van der Wilt en, in tegenwoordigheid van

mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

1 oktober 2026.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003161-23

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 1 oktober 2026.

Tegenwoordig zijn:

mr. M.J.A. Duker, raadsheer,

mr. S.M. Schouten, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De raadsman van de verdachte, mr. D.W.H.M. Wolters, is wel / niet aanwezig.

Het onderzoek ter terechtzitting wordt hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de onderbreking

daarvan op 1 september 2026 bevond en onmiddellijk gesloten.

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de aanwezigen kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.

De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE in deze zaak is gedetineerd)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »