ECLI:NL:CRVB:2026:1348

Datum uitspraak
09-10-2026
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
25/1998 TBSH
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

25/1998 TBSH

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 augustus 2025, 25/1720

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)

Datum uitspraak: 9 oktober 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.E.R.M. Verhagen, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

Bij bericht van 30 juni 2026 heeft de gemachtigde van appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de minister te veroordelen in de proceskosten.

De minister heeft geen verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

De gemachtigde van appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat de minister op28 mei 2026 een herziene beslissing op bezwaar heeft genomen. Met deze herziene beslissing op bezwaar heeft de minister het bezwaar van appellante gegrond verklaard en alsnog een eenmalig bedrag van € 5.000,- aan appellante toegekend. Daarmee is volledig aan de bezwaren van appellante tegemoetgekomen.

De minister wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op€ 1.332,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting), € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift). Met toepassing van wegingsfactor 1 (gemiddeld) komt dit neer op een totaalbedrag van € 4.134,-.

Ook dient de minister het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • veroordeelt de minister in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.134,-;

  • bepaalt dat de minister het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 196,- vergoedt (€ 53,- in beroep en € 143,- in hoger beroep).

Deze uitspraak is gedaan door J.H. Ermers in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026.

(getekend) J.H. Ermers

(getekend) A. Giesen

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »