24/1668 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 juni 2024, 23/9464 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. Lippinkhoff, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 2 januari 2025 heeft mr. P.M. Eijgenhuijsen zich als gemachtigde gesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2025. Appellante is vertegenwoordigd door mr. Eijgenhuijsen, vergezeld door drs. M. de Vries. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om een deskundige te benoemen.
De deskundige bedrijfs- en verzekeringsarts R. Ouwens heeft op 23 december 2025 een rapport uitgebracht. Appellante heeft hierop gereageerd met een rapport van 28 januari 2026 van deskundige verzekeringsarts M. de Vries.
Het Uwv heeft op 23 maart 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij aan de ex-werknemer per 16 februari 2023 alsnog een IVA-uitkering is toegekend.
Bij brief van 7 mei 2026 heeft mr. Eijgenhuijsen namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Het hoger beroep
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Het Uwv heeft verklaard akkoord te gaan met vergoeding van de proceskosten overeenkomstig de criteria van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en het Besluit tarieven in strafzaken (Bts).
Proceskosten
De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, op grond van het Bpb, begroot op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) in beroep en € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, een 0,5 punt voor een schriftelijke zienswijze op het deskundigenrapport en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) voor de in het hoger beroep verleende rechtsbijstand.
Appellante heeft verzocht om vergoeding van de kosten die zij heeft moeten maken in verband met het inschakelen van haar medisch adviseur in beroep en hoger beroep. De door het Uwv te vergoeden proceskosten voor de medisch adviseur bedragen in beroep € 540,75 (3,5 uur á € 154,50) en € 2.326,25,- in hoger beroep (7,5 uur á € 162,63 en zes uur á € 184,42), derhalve in totaal € 2.867. Er is geen aanleiding die bedragen op de voet van artikel 15 van het Bts te vermeerderen met 21% omzetbelasting, zoals door appellante is verzocht. Niet is gebleken dat de verschuldigde omzetbelasting op appellante drukt en dat zij als ondernemer die belasting niet als voorbelasting in mindering kan brengen.1
In totaal bedragen de proceskosten voor het Uwv € 7.070,-. Ook zal de Raad bepalen dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 7.070,-;
-
bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 924,- aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) M.J.D. van Haren