ECLI:NL:CRVB:2026:1328

Datum uitspraak
08-10-2026
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Zaaknummer
23/3255 WAD
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

23/3255 WAD

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van18 oktober 2023, 23/2073

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 8 oktober 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.A. van Helvoort, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

Bij e-mailbericht van 3 juni 2026 heeft de gemachtigde van appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de minister te veroordelen in de proceskosten.

De minister heeft per e-mailbericht van 28 juli 2026 laten weten zich ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de proceskosten aan het oordeel van de Raad te refereren..

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

De gemachtigde van appellant heeft het hoger beroep ingetrokken nadat de minister bij brief van 11 mei 2026 heeft besloten het bestreden besluit van 2 februari 2023 in te trekken. Met deze herziene beslissing op bezwaar heeft de minister tevens bepaald dat aan appellant alsnog de Vrijwilligersmedaille wordt toegekend. Daarmee is geheel aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen.

De minister heeft met het besluit van 11 mei 2026 aan appellant al een proceskostenvergoeding toegekend van € 666,- voor de in bezwaar gemaakte kosten. De Raad veroordeelt de minister verder nog in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op€ 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de (digitale) zitting) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift). Met toepassing van wegingsfactor 1 (gemiddeld) komt dit neer op een totaalbedrag van € 2.802,-.

Ook dient de minister het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.802,-;

  • bepaalt dat de minister het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 458,- vergoedt (€ 184,- in beroep en € 274,- in hoger beroep).

Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.

(getekend) Y. Sneevliet

(getekend) A. Giesen

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »