26/1472 WMO15-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
Datum uitspraak: 8 oktober 2026
SAMENVATTING
In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening te treffen in de vorm van een maatwerkvoorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat er geen spoedeisend belang is.
PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 23 april 2026, 24/5697 (aangevallen uitspraak) en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter van de Raad heeft verzoekster bij brief van 17 september 2026 gevraagd naar het actuele spoedeisend belang en dit te onderbouwen. Verzoekster heeft hierop niet gereageerd.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Verzoekster heeft lichamelijke beperkingen. Zij heeft twee kinderen met autisme en ontwikkelingsstoornissen. Zij heeft het college op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) verzocht om een maatwerkvoorziening in de vorm van een aangepaste auto.
Met een besluit van 4 augustus 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 29 december 2022, heeft het college de aanvraag van verzoekster afgewezen.
Met een uitspraak van 8 mei 20241 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 29 december 2022 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. De rechtbank heeft overwogen dat het onderzoek van het college onvoldoende is geweest gelet op de zorgtaken van verzoekster als alleenstaande ouder. Onderdeel van die zorgtaken is dat verzoekster haar kinderen vervoert naar de benodigde therapieën en medische afspraken. Het college heeft niet weersproken dat haar kinderen niet in staat zijn zichzelf op een veilige manier in het verkeer te bewegen. Het college heeft de vervoersbehoefte en vervoersbewegingen van verzoekster en haar kinderen onvoldoende in kaart gebracht. Om te kunnen beoordelen of een voorziening een passende bijdrage is als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 had het college in dit concrete geval meer onderzoek moeten doen, specifiek naar de vraag of verzoekster als alleenstaande ouder van kinderen met een zorgbehoefte in staat is om bij gebruik van de deeltaxi haar zorgtaken uit te voeren.
Met een besluit van 5 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van verzoekster opnieuw ongegrond verklaard.
De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft op 28 augustus 2024 het door verzoekster ingediende verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat het college aan verzoekster tot aan de uitspraak in beroep een taxivoorziening verstrekt, in een personenauto en zonder medepassagiers, naar door de jeugdbeschermer ten behoeve van de dochter van verzoekster in te zetten activiteiten binnen de regio, te weten één keer per week een sociale activiteit, als ook naar de tandartsafspraak op [datum] 2024.
Aangevallen uitspraak
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om (aanpassing van de) voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoekster geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015, en dat de vervoers- en ondersteuningsbehoefte van verzoekster als gevolg daarvan niet kunnen worden vastgesteld.
Het standpunt van verzoekster
3. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij een auto nodig heeft om voor haar kinderen te kunnen zorgen.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
Als tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.2
In artikel 8:83, derde lid, van de Awb is bepaald dat de voorzieningenrechter zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen uitspraak kan doen, onder meer, als het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is.
De aard van het verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang. Aan verzoekster is een maatwerkvoorziening in de vorm van deeltaxivervoer en een persoonsgebonden budget voor een scootmobiel met joystick verstrekt. Uit de beschikbare gegevens is niet gebleken dat in het geval van verzoekster sprake is van een zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Verzoekster heeft ook niet gereageerd op de vraag om dit te onderbouwen.
Conclusie en gevolgen
Uit het voorgaande volgt dat er wegens het ontbreken van een spoedeisend belang geen noodzaak is voor de gevraagde voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter uitspraak zal doen zonder zitting.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) P.W.J. Hospel