Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1219 WW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 april 2025, 24/4354 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 9 september 2026
SAMENVATTING
De Raad oordeelt in deze zaak dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een toeslag toe te kennen op verstrekte WIA-voorschotten over de periode van 7 augustus 2023 tot en met 30 september 2023.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 april 2026. Voor appellante is mr. Kramer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Appellante heeft op 2 maart 2022 bij het Uwv een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het Uwv met een besluit van 16 mei 2022 aan appellante een voorschot op een WIA-uitkering toegekend.
Met een besluit van 28 september 2023 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. In het besluit heeft het Uwv daarnaast beslist dat het toegekende voorschot op de WIA-uitkering per 23 mei 2022 wordt beëindigd en dat, als aan appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) wordt toegekend, het teveel ontvangen voorschot daarmee zal worden verrekend.
Op 10 oktober 2023 heeft appellante een WW-uitkering aangevraagd en een toeslag op de WW-uitkering op grond van de Toeslagenwet (TW) naar de norm van een alleenstaande. Met een besluit van 18 oktober 2023 (besluit 1) heeft het Uwv met ingang van 23 mei 2022 tot en met 6 augustus 2023 een WW-uitkering en een toeslag op de WWuitkering op grond van de TW toegekend.
Met een besluit van 24 oktober 2023 (besluit 2) heeft het Uwv beslist dat het recht op WW-uitkering en het recht op toeslag per 7 augustus 2023 worden beëindigd.
Het Uwv heeft met een besluit van gelijke datum (besluit 3) beslist dat de toegekende WW-uitkering wordt verrekend met de verstrekte voorschotten aan WIAuitkering over de periode 23 mei 2022 tot en met 30 september 2023.
Met een besluit van 3 november 2023 (besluit 4) heeft het Uwv beslist dat de te veel betaalde WIA-voorschotten worden teruggevorderd en dat het te veel betaalde bedrag wordt verrekend met het bedrag aan WW-uitkering dat appellante over dezelfde periode heeft ontvangen. Hierbij wordt, voor de volledigheid opgemerkt dat het Uwv in het verweerschrift van 6 augustus 2025 heeft toegelicht dat de over de periode van 7 augustus 2023 tot en met 30 september 2023 onverschuldigd betaalde voorschotten op de WIA-uitkering niet van appellante worden teruggevorderd maar dat het teveel betaalde wordt kwijtgescholden, omdat de oorzaak van de vertraagde beoordeling van de WIA-aanvraag niet bij appellante ligt.
Met een beslissing op bezwaar van 5 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen de besluiten 1, 2, 3 en 4 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, geoordeeld dat het Uwv de toeslag terecht heeft geweigerd over de periode van 7 augustus 2023 tot en met 30 september 2023. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante in de periode van 23 mei 2022 tot en met 6 augustus 2023 een voorschot op een WIA-uitkering heeft ontvangen en dat op een later moment aan haar een WW-uitkering en een toeslag op de WW-uitkering zijn toegekend. Niet in geschil is dat daarmee sprake was van een samenloop van uitkeringen en dat de uitkeringen met elkaar konden worden verrekend.
De rechtbank heeft de beroepsgrond dat appellante achteraf bezien recht had op een toeslag over de periode van 7 augustus 2023 tot en met 30 september 2023, omdat zij in die periode voorschotten op een WIA-uitkering heeft ontvangen en zij een inkomen onder het sociaal minimum had, verworpen. In het bestreden besluit heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat er alleen recht op toeslag bestaat in aanvulling op een loondervingsuitkering en niet op een verstrekt voorschot op een loondervingsuitkering. Ter zitting is namens het Uwv dat standpunt gewijzigd in die zin dat er in principe wel recht kan bestaan op een toeslag op een verstrekt voorschot aan een WIA-uitkering, maar dat dit recht niet meer bestaat op het moment dat het verstrekte voorschot is ingetrokken. Dat laatste doet zich hier voor, omdat het Uwv met een besluit van 28 september 2023 de aanvraag van appellante voor een WIA-uitkering heeft afgewezen. Achteraf is vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering, zodat over de periode van 7 augustus 2023 tot en met 30 september 2023 ten onrechte voorschotten op een WIA-uitkering zijn toegekend. Nu alleen recht op toeslag kan bestaan in aanvulling op een loondervingsuitkering, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht beslist dat appellante geen recht had op een toeslag op de WW-uitkering over de periode van 7 augustus 2023 tot en met 30 september 2023.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover deze betrekking heeft op haar recht op toeslag. Appellante heeft aangevoerd dat zij over de periode van 7 augustus 2023 tot en met 30 september 2023 recht heeft op een toeslag op de verstrekte voorschotten aan WIA-uitkering. Volgens appellante doet daar niet aan af dat achteraf is vastgesteld dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering, waarbij zij erop heeft gewezen dat een toeslag met terugwerkende kracht kan worden aangevraagd dan wel toegekend. Verder acht appellante het, gelet op de omstandigheden van het geval (maatwerk), waaronder de omstandigheid dat het Uwv pas na anderhalf jaar op de aanvraag om een WIA-uitkering heeft beslist, niet redelijk dat zij over voormelde periode geen recht heeft op een toeslag. Appellante heeft erop gewezen dat haar inkomen over voornoemde periode zonder de toeslag onder het bestaansminimum ligt.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de TW heeft recht op toeslag een gehuwde die recht heeft op loondervingsuitkering. Op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de TW hebben voorts recht op toeslag een ongehuwde die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt, een ongehuwde die uitsluitend met een of meer personen als bedoeld in het negende lid in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en een ongehuwde, die niet met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en die recht heeft op loondervingsuitkering.
Desgevraagd is ter zitting namens appellante bevestigd dat het hoger beroep zich beperkt tot de vraag of het Uwv terecht een toeslag op de verstrekte voorschotten aan WIAuitkering over de periode van 7 augustus 2023 tot en met 30 september 2023 heeft geweigerd, omdat met de afwijzing van de WIA-aanvraag bij besluit van 28 september 2023 de grondslag aan het recht op toeslag, te weten het bestaan van het recht op een loondervingsuitkering in vorenbedoelde zin, is komen te vervallen. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.
Appellante heeft ten aanzien van de weigering van de toeslag in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven zodat daarnaar wordt verwezen. Daaraan wordt nog toegevoegd dat in wat namens appellante ter zitting is aangevoerd over het ongewenste gevolg van de weigering van de toeslag met ingang van 7 augustus 2023, te weten een inkomen onder het bestaansminimum over de periode van 7 augustus 2023 tot en met 30 september 2023, geen aanleiding wordt gezien voor een andersluidend oordeel. Er is geen juridische grondslag om te oordelen dat het Uwv in deze situatie de toeslag over voornoemde periode ten onrechte heeft geweigerd.
Het Uwv heeft hangende beroep (ter zitting bij de rechtbank) zijn standpunt gewijzigd in die zin dat een toeslag op een verstrekt voorschot aan WIA-uitkering mogelijk is, maar dat dit niet kan, als het recht op voorschot aan WIA-uitkering is ingetrokken. Dat laatste is hier gebeurd, omdat het Uwv met een besluit van 28 september 2023 de aanvraag van appellante voor een WIA-uitkering heeft afgewezen. Achteraf is vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering, zodat de voorschotten ten onrechte zijn toegekend. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat pas met de toelichting van het Uwv in beroep het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd. De Raad ziet aanleiding dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Ook als dit gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt, voor zover aangevochten, met verbetering van de gronden, bevestigd. Dit betekent dat de weigering van een toeslag op de verstrekte voorschotten aan WIA-uitkering over de periode van 7 augustus 2023 tot en met 30 september 2023 in stand blijft.
6. In verband met de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.868,- in beroep (2 punten, met een waarde per punt van € 934,-) en € 1.868,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (2 punten, met een waarde per punt van € 934,-).
7. Het Uwv moet ook het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
-
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 3.736,-;
-
bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en W.A. Timmer als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.
(getekend) H.G. Rottier
De griffier is verhinderd te ondertekenen.