RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3048
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2026
in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de weigering om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 19 augustus 2024 (de datum in geding). Eiser is het niet eens met deze weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de WIA-uitkering.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV een juiste beslissing heeft genomen en eisers aanvraag om een WIA-uitkering op juiste gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 30 oktober 2024 heeft het UWV besloten om eisers aanvraag om een WIA-uitkering af te wijzen. Met het bestreden besluit van 3 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de vader van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser was werkzaam als productiemedewerker voor gemiddeld 39,77 uur per week. Per 22 augustus 2022 heeft hij zich ziekgemeld voor dit werk vanwege belemmerende gezondheidsklachten. Op 6 mei 2024 heeft eiser bij het UWV een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering.
In het kader van de WIA-beoordeling heeft een onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en door een arbeidsdeskundige van het UWV. De verzekeringsarts heeft eisers belastbaarheid per de datum in geding vastgelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis van deze FML heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per de datum in geding vastgesteld op 15,47%. Vervolgens is het UWV overgegaan tot de bestreden besluitvorming, zoals weergegeven onder 2.
De resterende verdiencapaciteit
4. Eiser voert aan dat in het rapport van de arbeidsdeskundige (van 25 oktober 2024) ten onrechte wordt uitgegaan van een belastbaarheid van 39,77 uur per week, terwijl zijn daadwerkelijke belastbaarheid veel lager ligt. Hij verwijst daarbij naar het eindverslag van Medinello1 van 20 juni 2024, waarin staat dat eiser slechts één activiteit per dag aankan en dat het gestelde re-integratiedoel richting werk (nog) niet behaald is. Het is daarom onrealistisch om bij het berekenen van de verdiencapaciteit een belastbaarheid van 39,77 uur per week aan te houden.
Het UWV heeft in het verweerschrift toegelicht dat bij de berekening van de verdiencapaciteit (die door de arbeidsdeskundige is vastgesteld op € 2.596,86) is uitgegaan van het aantal uren dat eiser werkte in zijn maatgevende arbeid als productiemedewerker voor 39,77 uur. Vervolgens is een vergelijking gemaakt met wat hij in theorie zou kunnen verdienen. Dit zegt niets over eisers belastbaarheid op dit moment. Voor zover eiser met deze beroepsgrond bedoelt dat een aanvullende urenbeperking aangenomen zou moeten worden, heeft het UWV dit voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b). Deze ziet echter geen aanleiding om een urenbeperking aan te nemen, omdat eiser geen aandoening heeft die een stoornis in de energiehuishouding geeft. Er zijn ook geen indicaties om preventief een urenbeperking aan te nemen of om verminderde beschikbaarheid aan te nemen. Het dagverhaal en eisers hobby’s geven daartoe geen aanknopingspunten, aldus de verzekeringsarts b&b.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij gemiddeld 39,77 uur per week werkte voordat hij zich ziekmeldde. Uit hetgeen tijdens de zitting is besproken, begrijpt de rechtbank dat eiser betoogt dat hij, per de datum in geding, niet in staat is om 39,77 uur per week te werken en dat daarom een urenbeperking aangenomen moet worden. De rechtbank verwijst in dat kader naar hetgeen hierboven (onder 4.1) is vermeld. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts b&b voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is om een urenbeperking aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
De vastgestelde beperkingen
5. Eiser voert aan dat het lijkt alsof de diagnosen ADHD en SSS2 – zoals benoemd in de brief van Youz3 van 16 januari 2024 – niet zijn meegenomen in de medische beoordeling. Het UWV heeft daarnaast onvoldoende rekening gehouden met de aard en ernst van eisers klachten die voortkomen uit SOLK4. Zijn beperkingen zijn consistent en onderbouwd door de behandelend arts(en), ook al is er geen eenduidige diagnose. Volgens de richtlijnen hadden de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige van het UWV moeten kijken naar eisers functionele mogelijkheden in het dagelijks leven, niet alleen naar de objectieve medische afwijkingen. Tot slot voert eiser aan dat een urenbeperking aangenomen had moeten worden. Hij verwijst daarbij naar het eindverslag van Medinello van 20 juni 2024, waaruit volgt dat eiser slechts één activiteit per dag aankan en dat het toen gestelde doel van re-integratie richting werk (nog) niet behaald was.
De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts b&b bekend is met de psychische en lichamelijke klachten van eiser. De verzekeringsarts b&b heeft toegelicht dat de belastbaarheid, zoals deze werd opgesteld door de (primaire) verzekeringsarts in stand kan blijven. De verzekeringsarts is ten tijde van de datum in geding uitgegaan van de juiste medische grondslag, namelijk SSS, ADHD, depressieve klachten en water-huidallergie. Het medisch feitencomplex ten tijde van de datum in geding is juist weergegeven en is gebaseerd op ruim voldoende onderzoek mede op basis van gegevens van de huisarts, aldus de verzekeringsarts b&b.
In beroep heeft de verzekeringsarts b&b aanvullend gerapporteerd, omdat eiser sinds 2024 toenemende migraineklachten zou hebben. De verzekeringsarts b&b heeft hierover toegelicht dat eiser ten tijde van de WIA-beoordeling (op 27 augustus 2024) minder migraineklachten ervaarde door het gebruik van medicatie (citalopram en sumatripan). Tijdens het spreekuur bij de verzekeringsarts b&b (op 2 juni 2025) heeft eiser aangegeven in mei 2025 een intake te hebben gehad bij The Migraine Clinic in Amsterdam en vervolgens is gestart met het medicijn candesatran. Ook gaf eiser tijdens dit spreekuur aan dat hij die dag minder last van hoofdpijn had, terwijl zijn claim is 24 uur per dag en zeven dagen per week invaliderende migraine te hebben. Het geheel past beter bij SSS, waarbij – vanwege een ontbrekend medisch-anatomisch substraat – de ernst van de klachten geen maat is voor de ernst van de beperkingen, aldus de verzekeringsarts b&b. Er wordt daarom geen aanleiding gezien om de FML aan te passen naar aanleiding van de hoofdpijn-/migraineklachten.
De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de conclusies van de verzekeringsarts b&b te twijfelen. In de FML is rekening gehouden met zowel de psychische als de lichamelijke klachten van eiser. Door zowel de primaire verzekeringsarts als de verzekeringsarts b&b zijn de diagnosen ADHD en SSS meegenomen. Ook hebben de verzekeringsartsen naar het oordeel van de rechtbank navolgbaar gemotiveerd waarom een urenbeperking niet aan de orde is. De rechtbank verwijst daarbij naar hetgeen onder 4.1 is overwogen. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verzekeringsartsen niet volledig op de hoogte waren van de medische problematiek van eiser op de datum in geding. Eiser moet op de datum in geding in staat worden geacht arbeid te verrichten die past bij de voor hem vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de FML. De beroepsgrond slaagt niet.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b pas in de beroepsfase, met het aanvullend rapport van 3 september 2025, toereikend gemotiveerd dat er geen extra beperkingen aangenomen hoeven te worden ten aanzien van eisers migraineklachten. Dit betekent dat het bestreden besluit een gebrek bevat. Dit gebrek zal de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) passeren, omdat aannemelijk is dat eiser door deze schending niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou het UWV een besluit met gelijke uitkomst hebben genomen.
De arbeidsdeskundige beoordeling
6. Eiser voert aan dat bij de hoorzitting op 2 juni 2025 geen arbeidsdeskundige (b&b) aanwezig was. Hierdoor is tijdens de hoorzitting alleen ingegaan op de medische aspecten en niet op alle aspecten van eisers bezwaar, zoals zijn (duur)belastbaarheid.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen arbeidskundige gronden naar voren heeft gebracht in bezwaar. Eisers (duur)belastbaarheid is namelijk vastgesteld door een verzekeringsarts (b&b) en ziet dus op de medische beoordeling. Een heroverweging in bezwaar door een arbeidsdeskundige b&b was niet vereist.5 De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te oordelen dat een arbeidsdeskundige b&b aanwezig had moeten zijn bij de hoorzitting op 2 juni 2025.
Eiser heeft ook in beroep geen specifieke arbeidskundige gronden naar voren gebracht. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de geselecteerde voorbeeldfuncties niet passend zijn voor eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het UWV moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Dit gelet op wat de rechtbank onder 5.3 (toepassing van artikel 6:22 van de Awb) heeft overwogen. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.