RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.47376 (beroep)
NL26.47377 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag] 1970, van Turkse nationaliteit, verzoeker/eiser (hierna: eiser),
(gemachtigde: mr. S.L. Sarin),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrecht (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Het beroep van eiser richt zich ook tegen het door de minister opgelegde inreisverbod.
De minister heeft met het besluit van 11 augustus 2026 de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld omdat eiser niet naar het gehoor is gekomen zonder hiervoor een goede uitleg te geven. De minister heeft daarbij het eerder opgelegde terugkeerbesluit bevestigd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt eiser niet uit Nederland te verwijderen totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Samat als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Wat aan deze procedure voorafging
2. Eiser heeft eerder via reguliere procedures (voor het verrichten van arbeid als zelfstandige en tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER) een verblijfsvergunning in Nederland aangevraagd. Deze aanvragen zijn met een meeromvattende beschikking afgewezen. Dat betekent dat tegen eiser op 12 september 2024 ook een terugkeerbesluit is genomen, met een vertrektermijn van vier weken.
De huidige procedure
3. Op 16 juli 2026 heeft eiser een asielaanvraag gedaan. Eiser is op 28 juli 2026 per brief uitgenodigd voor een gehoor op 4 augustus 2026. Tussen partijen staat vast dat eiser niet naar het gehoor is gekomen, terwijl eiser wist dat dit op die dag en tijd gepland was. Ook heeft eiser niet gereageerd op de brief van de minister met de vraag waarom hij niet bij het gehoor aanwezig was. In beroep heeft hij toegelicht dat hij de taxi had gemist.
De minister heeft de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld omdat eiser zonder gegronde reden niet naar zijn gehoor gekomen is. De minister heeft eiser er in het bestreden besluit op gewezen dat het terugkeerbesluit van 12 september 2024 nog steeds geldt en dat de vertrektermijn inmiddels is verlopen. Eiser moet daarom vertrekken uit Nederland en de EU+ landen1. Ook heeft de minister in het bestreden besluit een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Het besluit is zorgvuldig tot stand gekomen
4. Eiser stelt dat het besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen omdat de minister hem nog een keer had moeten vragen om uit te leggen waarom hij niet naar het gehoor gekomen is.
De rechtbank stelt vast dat het vierde lid van artikel 41 van de Procedureverordening bepaalt dat de minister de procedure kan schorsen om eiser de mogelijkheid te bieden redenen aan te geven die rechtvaardigen of recht zetten waarom hij niet naar het gehoor is gekomen. Dit is uitgewerkt in het beleid van de minister waarin is opgenomen dat de minister aan eiser een hersteltermijn mag bieden van maximaal drie dagen om gegronde redenen aan te geven waarom hij het gehoor gemist heeft.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het besluit zorgvuldig voorbereid. Hoewel de minister op grond van artikel 41 van de Procedureverordening niet verplicht is om de procedure te schorsen om eiser de gelegenheid te bieden om redenen aan te voeren voor het missen van zijn gehoor, heeft de minister van deze mogelijkheid wel gebruik gemaakt. Dat eiser van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, kan de minister niet worden tegengeworpen. Het standpunt van eiser dat hij nog een nieuwe kans had moeten krijgen, is niet gebaseerd op een wet of regel.
De rechtbank oordeelt dan ook dat deze beroepsgrond niet slaagt, het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen.
Het besluit van de minister is niet in strijd met artikel 41 van de Procedureverordening
5. Verder stelt eiser dat de minister zijn aanvraag als ‘impliciet ingetrokken’ had moeten verklaren en niet ‘buiten behandeling’ had moeten stellen.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 41, eerste lid, onder d, van de Procedureverordening bepaalt dat een asielaanvraag als impliciet ingetrokken geldt als de verzoeker zonder geldige reden niet verschijnt bij het persoonlijk onderhoud, terwijl hij daartoe wel verplicht was op grond van artikel 13 van die Verordening. Op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan de minister een aanvraag buiten behandeling stellen “als impliciet ingetrokken overeenkomstig artikel 41 van de Procedureverordening”. Het rechtsgevolg is in beide gevallen dus hetzelfde. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Het terugkeerbesluit is niet in strijd met het non-refoulementbeginsel
6. De rechtbank moet op grond van het arrest Ararat3 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 september 20254 ambtshalve nagaan of een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement aan de orde is die noopt tot een geactualiseerde refoulementbeoordeling.
Het Hof heeft in het arrest Ararat onder meer verduidelijkt dat de minister een actuele beoordeling van het refoulementrisico moet maken vóór de uitvoering van het terugkeerbesluit.5 In het geval van eiser moest de minister hem daarom de gelegenheid bieden om zich te beroepen op wijzigingen in zijn omstandigheden na het terugkeerbesluit van 12 september 2024, voor zover die van invloed kunnen zijn op de beoordeling in het licht van het non-refoulementbeginsel.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eiser voldoende gelegenheid geboden om zich uit te laten over eventuele wijzigingen in zijn omstandigheden sinds het eerdere terugkeerbesluit. Eiser is immers op 4 augustus 2026 uitgenodigd om in het kader van zijn asielaanvraag gronden aan te voeren waarom hij niet terug zou kunnen naar Turkije. Eiser heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt door niet te verschijnen op zijn gehoor. De minister had dan ook geen mogelijkheid om een geactualiseerde refoulementsbeoordeling te maken.
Het Hof heeft in het arrest Ararat ook uitgelegd dat een nationale rechter die de rechtmatigheid van een besluit moet toetsen, verplicht is na een in het kader van een eerdere procedure genomen terugkeerbesluit, ambtshalve een eventuele schendig van het beginsel van non-refoulement vast te stellen die voortvloeit uit de uitvoering van dit besluit. De nationale rechter moet dit doen op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van het dossier zoals aangevuld of toegelicht in een procedure op tegenspraak.6
In de stukken of eerdere procedures heeft eiser niets aangevoerd waaruit volgt dat uitvoering van het terugkeerbesluit in strijd is met het non-refoulementbeginsel. Eiser heeft ter zitting voor het eerst verklaard dat hij bang is om terug te keren naar Turkije, omdat zijn broer en de kinderen van zijn broer in 2020 zijn vermoord en hijzelf in 2021 telefonisch is bedreigd.
De rechtbank heeft oog voor de ernst van wat eiser naar voren heeft gebracht. De rechtbank stelt echter vast dat eiser over deze gebeurtenissen weinig concrete informatie heeft verstrekt, zoals over de personen die zijn broer hebben vermoord en de personen die hem hebben bedreigd. Daarnaast zijn de door eiser genoemde gebeurtenissen van meer dan vijf jaar geleden, woont zijn gezin nog steeds in Turkije en is door eiser niet gesteld noch onderbouwd dat er nu een actuele en reële dreiging voor hem bestaat. De rechtbank ziet op dit moment dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat terugkeer naar Turkije in strijd is met het non-refoulementbeginsel.
De minister had eiser om zijn zienswijze moeten vragen maar eiser is niet in zijn belangen geschaad bij de oplegging van het inreisverbod
7. Eiser heeft een inreisverbod van twee jaar opgelegd gekregen omdat hij op grond van artikel 66a van de Vw 2000 direct uit Nederland moet vertrekken.
Eiser voert aan dat hij in zijn belangen is geschaad omdat hij geen zienswijze heeft kunnen geven tegen het opgelegde inreisverbod. Het feit dat eiser tijdens zijn gehoor over zijn asielaanvraag ook zijn zienswijze had kunnen geven ten aanzien van het inreisverbod, ontslaat de minister er niet van om ten aanzien van het inreisverbod een zienswijze te verzoeken, er is ten slotte sprake van twee verschillende besluiten, stelt eiser.
De minister voert daartegen aan dat eiser tijdens het gehoor had kunnen vertellen of er redenen waren om geen inreisverbod op te leggen. Omdat eiser niet op het gehoor verschenen is, gaat de minister ervan uit dat er geen redenen zijn om geen inreisverbod op te leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank ontslaat de omstandigheid dat eiser een
asielaanvraag heeft ingediend en in dat kader is uitgenodigd voor een gehoor, de minister niet van de verplichting om eiser afzonderlijk in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze over het inreisverbod naar voren te brengen. Het asielgehoor heeft immers betrekking op de vraag of eiser voor bescherming in aanmerking komt en op de redenen die daaraan ten grondslag liggen. Dat gehoor kan leiden tot een inwilliging of een afwijzing van de aanvraag. Pas wanneer de minister van oordeel is dat de aanvraag niet kan worden ingewilligd, kan er aanleiding zijn om een inreisverbod op te leggen. In dat geval moet de minister eiser op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de gelegenheid stellen zijn zienswijze daarover naar voren te brengen. Omdat sinds 12 juni 2026 de voornemenprocedure in asielzaken is afgeschaft, heeft eiser voorafgaand aan het besluit ook geen voornemen ontvangen. Eiser heeft dan ook geen gelegenheid gehad om voorafgaand aan het opleggen van het inreisverbod zijn zienswijze daarover naar voren te brengen, zodat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft.
Hoewel de minister eiser de kans had moeten geven zijn zienswijze over dit besluit naar voren te brengen, stelt de rechtbank vast dat eiser door de schending van dit voorschrift niet is benadeeld. De rechtbank passeert om die reden het geconstateerde gebrek.7 In beroep heeft eiser zijn gronden tegen het inreisverbod alsnog naar voren kunnen brengen en de rechtbank toetst het besluit op dit punt volledig.
De enkele stelling van eiser dat hij in Nederland werkt, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een onevenredig besluit. Van omstandigheden als bedoeld in artikel 8 van het EVRM8 is evenmin gebleken. Daarbij weegt mee dat eisers gezin in Turkije woont. Van een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn recht op privéleven en gezinsleven is daarom geen sprake. Het inreisverbod is niet onevenredig.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit van de minister in stand blijft.
Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
Omdat de rechtbank wel een gebrek in het besluit heeft geconstateerd, wordt de minister veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een verzoekschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan hem te vergoeden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.802,-.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL26.47376;
- verklaart het beroep ongegrond;
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.47377;
- wijst het verzoek af.
De rechtbank, in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Jansen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.