Artikel 495 Wetboek van Strafvordering

Lid 1

De zaak wordt bij de rechtbank in eerste aanleg voor de kinderrechter vervolgd.

Lid 2

Niettemin geschiedt de behandeling van de zaak door de meervoudige kamer, indien naar het aanvankelijk oordeel van de officier van justitie

  1. in de zaak een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen dan wel een zwaardere hoofdstraf dan vrijheidsstraf van zes maanden dient te worden opgelegd;

  2. wegens de ingewikkeldheid van de zaak behandeling door de meervoudige kamer de voorkeur verdient;

  3. de zaak, indien deze tevens één of meer verdachten betreft die de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt, niet voor splitsing vatbaar is.

Lid 3

In zaken welke voor een meervoudige kamer der rechtbank worden vervolgd neemt de kinderrechter aan het onderzoek der terechtzitting deel.

Lid 4

De kinderrechter is bevoegd kennis te nemen van een strafbaar feit of strafbare feiten die zijn begaan nadat de verdachte de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt indien de vervolging van dat feit of deze feiten gelijktijdig plaatsvindt met de vervolging van verdachte ter zake van een strafbaar feit bedoeld in artikel 488, tweede lid. Het tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing.

Lid 5

Bij toepassing van het vierde lid kan de rechter recht doen volgens de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Lid 6

Het bepaalde in het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing wanneer het afzonderlijke strafbare feiten betreft die op grond van artikel 259 of artikel 285 gevoegd zijn behandeld.

Recente uitspraken

Art. 495 Sv is sinds 2004 in 36 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Rotterdam, Hof Arnhem-Leeuwarden en Hoge Raad.

  • ECLI:NL:HR:2025:289 — 18-02-2025 Hoge Raad
    Zedenzaak. Ontucht (art. 245 (oud) Sr) met en verkrachting (art. 242 (oud) Sr) van 4 jaar jongere zusje gedurende periode van 10 jaar. Strafmotivering (gevangenisstraf van 3 jaar). Kon hof gevangenisstraf opleggen voor feiten die (gedeeltelijk) zijn begaan voordat verdachte…
  • ECLI:NL:HR:2014:288 — 11-02-2014 Hoge Raad
    Kinderrechter. Art. 495.3 Sv. Leeftijd verdachte niet exact vast te stellen. Blijkens de p-v’s van de tz. in e.a. is aldaar noch door verdachte noch door diens raadsman aangevoerd dat ex art. 495.3 Sv de kinderrechter diende deel te nemen aan het ottz. Gelet hierop en in…
  • ECLI:NL:HR:2012:BU8726 — 27-03-2012 Hoge Raad
    Vordering TUL jeugddetentie en art. 495 Sv. Gelet op de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep moet het ervoor worden gehouden dat het Hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie in strijd met art.…
  • ECLI:NL:HR:2011:BO9872 — 26-04-2011 Hoge Raad
    Art. 6 en 495 Sv. Bevoegdheid Kinderrechter. Met het voorschrift van art. 6.2 Sv heeft de wetgever beoogd in geval van gelijktijdige vervolging te bewerkstelligen dat de zaken tegen medeverdachten door dezelfde rechter worden behandeld (vgl. HR LJN ZD1575). De met art. 6.2 Sv…
  • ECLI:NL:HR:2004:AO8370 — 08-06-2004 Hoge Raad
    Jeugdstrafprocesrecht. 1. Openbare behandeling in strijd met art. 495b.1 Sv leidt i.c. niet tot cassatie. 2. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke jeugddetentie en omzetting in gevangenisstraf. Ad 1. Verdachte was ten tijde van het begaan van een deel van de tenlastegelegde feiten…

Bekijk alle 36 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.