Artikel 257f Wetboek van Strafvordering
Lid 1
De officier van justitie brengt, tenzij hij de strafbeschikking intrekt, het verzet en de processtukken ter kennis van de rechtbank. Hij roept de verdachte voor de terechtzitting op; tussen de dag waarop de oproeping aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moeten ten minste tien dagen verlopen. De artikelen 260, vijfde lid, en 265, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Indien bij het verzet een adres in Nederland is opgegeven dat afwijkt van het adres waar de verdachte als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, wordt een afschrift van de oproeping aan het opgegeven adres toegezonden, tenzij de oproeping inmiddels aan de verdachte in persoon is uitgereikt.
Lid 2
Bij gebreke van een betekening overeenkomstig het eerste lid, wordt door de rechter de oproeping tegen een nieuwe rechtsdag bevolen, tenzij de verdachte is verschenen. In dit laatste geval wordt, indien de verdachte in het belang van zijn verdediging uitstel verzoekt, het onderzoek voor bepaalde tijd geschorst.
Lid 3
De behandeling der zaak vindt plaats overeenkomstig de zesde, zevende of achtste titel van het Tweede Boek. De omschrijving van de gedraging in de oproeping wordt daarbij als tenlastelegging aangemerkt. Deze is gelijk aan de korte omschrijving van de gedraging in de strafbeschikking of betreft een opgave van hetzelfde feit die aan de eisen van artikel 261, eerste en tweede lid, beantwoordt. In afwijking in zoverre van artikel 349, eerste lid, kan de nietigheid van de oproeping worden uitgesproken.
Lid 4
Indien het verzet niet tijdig of onbevoegdelijk is gedaan dan wel niet aan de vereisten van artikel 257e, vierde lid, is voldaan, wordt het niet ontvankelijk verklaard. Indien de rechter de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uitspreekt, dan wel de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt, vernietigt hij de strafbeschikking.
Recente uitspraken
Art. 257f Sv is sinds 2015 in 14 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hoge Raad, Rb. Gelderland en Rb. Overijssel.
- ECLI:NL:HR:2023:1691 — 19-12-2023 Hoge Raad
Mishandeling (art. 300.1 Sr). Verzet tegen strafbeschikking. 1. Heeft hof verdachte terecht ontvankelijk verklaard in zijn verzet en hoger beroep, aangezien verzet tegen strafbeschikking buiten termijn zou zijn ingediend? Art. 257d, 257e en 257f Sv. 2. Heeft hof verdachte… - ECLI:NL:HR:2018:698 — 15-05-2018 Hoge Raad
Overtreding APV Den Haag. Ktr in Rb heeft in stempelvonnis eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf. Vonnis aangetekend op wijze als in wet voorzien? Art. 395.2 en 395a.1 Sv en art. 2 Regeling aantekening… - ECLI:NL:HR:2018:308 — 06-03-2018 Hoge Raad
Economische zaak. Onder zich hebben van (producten van) dieren behorende tot beschermde inheemse diersoort, te weten 2 (dode) konijnen, art. 13.1.a Flora- en faunawet (oud). Grondslagverlating door verbeterde lezing tll.? HR herhaalt relevante overwegingen uit… - ECLI:NL:HR:2017:2256 — 05-09-2017 Hoge Raad
Geen afschrift dagvaarding in e.a. verzonden naar raadsman. Kan rechtsbijstand worden afgeleid uit verzetschrift tegen strafbeschikking van raadsman? Art. 39 (oud) en 51 (oud) Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2000:ZD2182, ECLI:NL:HR:2015:3320 en… - ECLI:NL:HR:2015:3251 — 10-11-2015 Hoge Raad
Vordering wijziging tll. Art. 313 Sv. Art. 257f.3 Sv. Art. 68 Sr. ’s Hofs oordeel geeft – gelet op de relevante bepalingen en wetsgeschiedenis – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat een op de voet van art. 257f.3 Sv…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.