Artikel 30a Wet loonbelasting 1964

Indien op enig tijdstip wordt geconstateerd dat een werknemer tot een inhoudingsplichtige in dienstbetrekking staat, maar de werknemer niet in de loonadministratie van de inhoudingsplichtige is opgenomen of met betrekking tot de werknemer niet is voldaan aan de verplichting een eerstedagsmelding te doen, wordt de werknemer voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen geacht van de inhoudingsplichtige gedurende ten minste zes maanden voorafgaande aan het tijdstip van de constatering loon uit dienstbetrekking te hebben genoten tot per loontijdvak ten minste het bedrag van het loon dat de werknemer geniet in het loontijdvak van het tijdstip van de constatering, behoudens voorzover blijkt dat de werknemer niet gedurende die periode tot de inhoudingsplichtige in dienstbetrekking heeft gestaan of dat een lager loon is genoten.

Wordt genoemd in:

Recente uitspraken

Art. 30a LB1964 is sinds 2014 in 2 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Amsterdam en Hoge Raad.

  • ECLI:NL:HR:2014:3117 — 07-11-2014 Hoge Raad
    Art. 6, lid 2, EVRM. Fictie van art. 30a Wet LB 1964 vormt geen toereikende basis om beboetbaar feit aan te nemen. Matiging boete in verband met overschrijding redelijke termijn. Invloed uitstel voor motivering van het hoger beroep.
  • ECLI:NL:GHAMS:2016:138 — 19-01-2016 Hof Amsterdam
    Verwijzingszaak; zesmaandsfictie van artikel 30a Wet LB 1964; inspecteur slaagt slechts voor een deel in de van hem verlangde nadere bewijsvoering op grond waarvan kan worden aangenomen dat de inhoudingsplichtige het beboetbare feit van artikel 67f AWR heeft begaan met…

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.