Artikel 257 Faillissementswet
Lid 1
De indiening der schuldvorderingen geschiedt bij de bewindvoerders door de overlegging ener rekening of andere schriftelijke verklaring, aangevende de aard en het bedrag der vordering, vergezeld van de bewijsstukken of een afschrift daarvan.
Lid 2
Vorderingen, ten aanzien waarvan de surseance niet werkt, komen voor indiening niet in aanmerking. Heeft nochtans indiening plaats gehad, dan werkt de surseance ook ten aanzien van die vorderingen en gaat een aan de vordering verbonden voorrecht, retentierecht, pandrecht of hypotheek verloren. Een en ander geldt niet voor zover de vordering vóór de aanvang der stemming wordt teruggenomen.
Lid 3
De schuldeisers zijn bevoegd van de bewindvoerders een ontvangbewijs te vorderen.
Wordt genoemd in:
Recente uitspraken
Art. 257 Fw is sinds 2015 in 3 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Arnhem-Leeuwarden, Rb. Amsterdam en Rb. Den Haag.
- ECLI:NL:GHARL:2015:5413 — 21-07-2015 Hof Arnhem-Leeuwarden
homologatie akkoord in surseance - ECLI:NL:RBDHA:2024:18898 — 13-11-2024 Rb. Den Haag
Homologatie akkoord in surseance. Geen toets aan WHOA. Geen schending paritas creditorum of absolute priority rule. - ECLI:NL:RBAMS:2021:3197 — 28-05-2021 Rb. Amsterdam
Beschikking benoeming commissie van vertegenwoordiging ex artikel 281e Fw
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.