Art. 3:268 Burgerlijk Wetboek Boek 3
Lid 1
Indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt, is de hypotheekhouder bevoegd het verbonden goed in het openbaar ten overstaan van een bevoegde notaris te doen verkopen.
Lid 2
Op verzoek van de hypotheekhouder de hypotheekgever of degene die executoriaal beslag heeft gelegd kan de voorzieningenrechter van de rechtbank bepalen dat de verkoop ondershands zal geschieden bij een overeenkomst die hem bij het verzoek ter goedkeuring wordt voorgelegd. Indien door de hypotheekgever of door een hypotheekhouder, beslaglegger of beperkt gerechtigde, die bij een hogere opbrengst van het goed belang heeft, voor de afloop van de behandeling van het verzoek aan de voorzieningenrechter een gunstiger aanbod wordt voorgelegd, kan deze bepalen dat de verkoop overeenkomstig dit aanbod zal geschieden. Desverzocht veroordeelt de voorzieningenrechter bij de goedkeuring van een verzoek tot onderhandse verkoop tevens de hypotheekgever en de zijnen tot ontruiming van het verhypothekeerde goed tegen een bepaald tijdstip. De ontruiming vindt niet plaats voor het moment van inschrijving, bedoeld in artikel 89 van Boek 3.
Lid 3
Het in lid 2 bedoelde verzoek wordt ingediend door een advocaat of een notaris binnen de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daarvoor bepaalde termijn. Tegen een beschikking krachtens lid 2 is geen hogere voorziening toegelaten.
Lid 4
Een executie als in de vorige leden bedoeld geschiedt met inachtneming van de daarvoor in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven formaliteiten.
Lid 5
De hypotheekhouder kan niet op andere wijze zijn verhaal op het verbonden goed uitoefenen. Een daartoe strekkend beding is nietig.
Wordt genoemd in:
Recente uitspraken
Art. 3:268 BW is sinds 1997 in 307 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Gelderland, Rb. Midden-Nederland en Rb. Rotterdam.
- ECLI:NL:HR:2026:1548 — 25-09-2026 Hoge Raad
Procesrecht. Toestemming onderhandse verkoop (art. 3:268 lid 2 BW). Mededeling aan en oproeping van belanghebbenden (art. 548 lid 3 Rv). Doorbreking rechtsmiddelenverbod van art. 3:268 lid 3 BW wegens schending hoor en wederhoor? Oproeping in hoger beroep (art. 361 lid 1 Rv). - ECLI:NL:HR:2018:1032 — 29-06-2018 Hoge Raad
Omzetbelasting; artikel 12, lid 5, Wet OB; artikel 24ba, aanhef en letter d, Uitvoeringsbesluit OB; artikel 199, lid 1, letter e, BTW-richtlijn 2006. Verleggingsregeling van toepassing? Verwijzing. - ECLI:NL:HR:2017:213 — 10-02-2017 Hoge Raad
Procesrecht. Goederenrecht. Rechtsmiddelenverbod van art. 3:268 lid 3 BW analoog van toepassing op beschikking tot verblijven van verpand goed aan pandhouder (art. 3:251 BW)? Vgl. HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1401, NJ 1995/367. - ECLI:NL:HR:2013:2134 — 20-12-2013 Hoge Raad
Art. 81 lid 1 RO. Kort geding. Executiegeschil. Uitleg hypotheekakte en toepasselijke algemene bepalingen. Misbruik van bevoegdheid tot parate executie? Art. 3:13 en 3:268 lid 1 BW. - ECLI:NL:HR:2013:CA0264 — 12-07-2013 Hoge Raad
Art. 81 lid 1 RO. Was de bank bevoegd tot executoriale verkoop van onroerende goederen na executoriale beslaglegging door schuldeisers? Uitleg algemene voorwaarden bank. Lossingsrecht. Verkoop onder marktwaarde? Art. 3:268, 3:269 BW. Art. 522 Rv.
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.