Art. 2:6 Burgerlijk Wetboek Boek 2

Lid 1

Op wijzigingen in statuten en reglementen en op ontbinding van de rechtspersoon, die krachtens dit boek moeten worden openbaar gemaakt, kan voordat deze openbaarmakingen en, in geval van statutenwijziging, de voorgeschreven openbaarmaking van de gewijzigde statuten zijn geschied, geen beroep worden gedaan tegen een wederpartij en derden die daarvan onkundig waren.

Lid 2

Een door de wet toegelaten beroep op statutaire onbevoegdheid van het bestuur of van een bestuurder tot vertegenwoordiging van de rechtspersoon bij een rechtshandeling kan tegen een wederpartij die daarvan onkundig was, niet worden gedaan, indien de beperking of uitsluiting van de bevoegdheid niet ten tijde van het verrichten van die rechtshandeling op de door de wet voorgeschreven wijzen was openbaar gemaakt. Hetzelfde geldt voor een beroep op een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van anderen dan bestuurders, aan wie die bevoegdheid bij de statuten is toegekend.

Lid 3

De rechtspersoon kan tegen een wederpartij die daarvan onkundig was, niet de onjuistheid of onvolledigheid van de in het register opgenomen gegevens inroepen. Juiste en volledige inschrijving elders of openbaarmaking van de statuten is op zichzelf niet voldoende bewijs dat de wederpartij van de onjuistheid of onvolledigheid niet onkundig was.

Lid 4

Voor zover de wet niet anders bepaalt, kan de wederpartij van een rechtspersoon zich niet beroepen op onbekendheid met een feit dat op een door de wet aangegeven wijze is openbaar gemaakt, tenzij die openbaarmaking niet is geschied op elke wijze die de wet vereist of daarvan niet de voorgeschreven mededeling is gedaan.

Lid 5

De beide vorige leden gelden niet voor rechterlijke uitspraken die in het faillissementsregister of het surséanceregister zijn ingeschreven.

Recente uitspraken

Art. 2:6 BW is sinds 2002 in 29 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hoge Raad, Hof Amsterdam en Rb. Amsterdam.

  • ECLI:NL:HR:2017:2655 — 20-10-2017 Hoge Raad
    Art. 5:1, lid 3, Awb; art. 51 Sr. Naheffing loonheffing van een vof mede over periode voorafgaande aan schriftelijke vastlegging van het firmacontract. Vergrijpboete opgelegd na ontbinding vof. HR ambtshalve: vof kan geen inhoudingsplichtige zijn vóór haar totstandkoming.
  • ECLI:NL:HR:2015:1691 — 19-06-2015 Hoge Raad
    Art. 81 lid 1 RO. Aanvang verjaringstermijn vordering tegen moedermaatschappij uit hoofde van afgelegde 403-verklaring. Kenbaarheid fusie, mededelingsplicht? Art. 2:6 lid 4 BW, Eerste Richtlijn EG.
  • ECLI:NL:HR:2010:BM3630 — 16-11-2010 Hoge Raad
    1. Art. 51 Sr. Ontbonden rechtspersoon of daarmee gelijkgestelde entiteit. Ontvankelijkheid OM. 2. Artt. 1.a en 30 Wet op de kansspelen. Internetgokkast. Internetzuil. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 1994/408 en HR LJN NJ 2008/550 m.b.t. de vervolgbaarheid van…
  • ECLI:NL:HR:2007:BA5825 — 02-10-2007 Hoge Raad
    Strafrechtelijke vervolging van ontbonden rechtspersoon. HR herhaalt de relevante overwegingen van HR LJN AE0553 tav het moment waarop het recht tot strafvordering vervalt als een einde is gekomen aan het bestaan van een rechtspersoon of met een rechtspersoon gelijkgestelde…
  • ECLI:NL:HR:2002:AE0553 — 24-09-2002 Hoge Raad
    -

Bekijk alle 29 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.