Art. 2:201a Burgerlijk Wetboek Boek 2
Lid 1
Hij die als aandeelhouder voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van de vennootschap verschaft en ten minste 95% van de stemrechten in de algemene vergadering kan uitoefenen, kan tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders een vordering instellen tot overdracht van hun aandelen aan de eiser. Hetzelfde geldt, indien twee of meer groepsmaatschappijen dit deel van het geplaatste kapitaal samen verschaffen en dit deel van de stemrechten samen kunnen uitoefenen en samen de vordering instellen tot overdracht aan een hunner.
Lid 2
Over de vordering oordeelt in eerste aanleg de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. Van de uitspraak staat uitsluitend beroep in cassatie open.
Lid 3
Indien tegen een of meer verweerders verstek is verleend, moet de rechter ambtshalve onderzoeken of de eiser of eisers de vereisten van lid 1 vervullen.
Lid 4
De rechter wijst de vordering tegen alle verweerders af, indien een verweerder ondanks de vergoeding ernstige stoffelijke schade zou lijden door de overdracht, een verweerder houder is van een aandeel waaraan de statuten een bijzonder recht inzake de zeggenschap in de vennootschap verbinden of een eiser jegens een verweerder afstand heeft gedaan van zijn bevoegdheid de vordering in te stellen.
Lid 5
Indien de rechter oordeelt dat de leden 1 en 4 de toewijzing van de vordering niet beletten, kan hij bevelen dat een of drie deskundigen zullen berichten over de waarde van de over te dragen aandelen. De eerste drie zinnen van artikel 350 lid 3 en de artikelen 351 en 352 zijn van toepassing. De rechter stelt de prijs vast die de over te dragen aandelen op een door hem te bepalen dag hebben. Zo lang en voor zover de prijs niet is betaald, wordt hij verhoogd met rente, gelijk aan de wettelijke rente, van die dag af tot de overdracht; uitkeringen op de aandelen die in dit tijdvak betaalbaar worden gesteld, strekken op de dag van betaalbaarstelling tot gedeeltelijke betaling van de prijs.
Lid 6
De rechter die de vordering toewijst, veroordeelt de overnemer aan degenen aan wie de aandelen toebehoren of zullen toebehoren de vastgestelde prijs met rente te betalen tegen levering van het onbezwaarde recht op de aandelen. De rechter geeft omtrent de kosten van het geding zodanige uitspraak als hij meent dat behoort. Een verweerder die geen verweer heeft gevoerd, wordt niet verwezen in de kosten.
Lid 7
Staat het bevel tot overdracht bij gerechtelijk gewijsde vast, dan deelt de overnemer de dag en plaats van betaalbaarstelling en de prijs schriftelijk mee aan de houders van de over te nemen aandelen van wie hij het adres kent. Hij kondigt deze ook aan in een landelijk verspreid dagblad, tenzij hij van allen het adres kent.
Lid 8
De overnemer kan zich altijd van zijn verplichtingen ingevolge de leden 6 en 7 bevrijden door de vastgestelde prijs met rente voor alle nog niet overgenomen aandelen te consigneren, onder mededeling van hem bekende rechten van pand en vruchtgebruik en de hem bekende beslagen. Door deze mededeling gaat beslag over van de aandelen op het recht op uitkering. Door het consigneren gaat het recht op de aandelen onbezwaard op hem over en gaan rechten van pand of vruchtgebruik over op het recht op uitkering. Aan aandeel- en dividendbewijzen waarop na de overgang uitkeringen betaalbaar zijn gesteld, kan nadien geen recht jegens de vennootschap meer worden ontleend. De overnemer maakt het consigneren en de prijs per aandeel op dat tijdstip bekend op de wijze van lid 7.
Recente uitspraken
Art. 2:201a BW is sinds 2004 in 68 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Amsterdam, Hoge Raad en Hof 's-Hertogenbosch.
- ECLI:NL:HR:2023:1824 — 22-12-2023 Hoge Raad
Ondernemingsrecht. Uitkoopregeling (art. 2:359c BW). Vermoeden van art. 2:359c lid 6 BW dat biedprijs billijke prijs is. Verdraagt uitgangspunt dat ondernemingskamer voor peildatum aansluiting zoekt bij datum van betaalbaarstelling onder openbaar bod zich met art. 1 Eerste… - ECLI:NL:HR:2020:1745 — 06-11-2020 Hoge Raad
Ondernemingsrecht. Uitkoopregeling (art. 2:201a BW). Wijze van prijsvaststelling; abstraheren van handelingen die de uitkopende aandeelhouder in het verleden ten voordele van zichzelf heeft verricht? - ECLI:NL:HR:2007:BA4117 — 14-09-2007 Hoge Raad
Enquêteprocedure; onmiddellijke voorziening. Uitstoting minderheidsaandeelhouders via fusie niet in strijd met art. 2:8, 2:92, 2:92a, 2:201 en 2:201a BW en met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM en art. 14 EVRM. - ECLI:NL:HR:2004:AO1777 — 16-01-2004 Hoge Raad
16 januari 2004 Eerste Kamer Nr. C02/210HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: de rechtspersoon naar Italiaans recht [eiseres], gevestigd te [woonplaats], Italië, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P. van Schilfgaarde, t e g e n [verweerder], wonende te… - ECLI:NL:GHAMS:2026:2761 — 29-09-2026 Hof Amsterdam
Uitkoopprocedure; veroordeling tot overdracht aandelen; art. 2:2021a BW.”
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.