ECLI:NL:GHAMS:2026:2761

Datum uitspraak
29-09-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
200.369.909/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Uitkoopprocedure; veroordeling tot overdracht aandelen; art. 2:2021a BW.”

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.369.909/01 OK

arrest van de Ondernemingskamer van 29 september 2026

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KODIAK BIDCO B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

EISERES,

advocaten: mr. E.E.U. Vroom, mr. J.M. Schepel en mr. F.C.A. van der Wegen, allen kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf] ,

gevestigd te [plaats] ,

GEDAAGDE,

advocaat: mr. R.G.J. de Haan, kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

2. DE GEZAMENLIJKE, NIET BIJ NAAM BEKENDE, HOUDERS VAN AANDELEN IN HET GEPLAATSTE KAPITAAL VAN DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP [bedrijf],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland,

GEDAAGDEN,

niet verschenen.

Hierna zullen partijen als volgt worden aangeduid:

Eiseres als: Kodiak

Gedaagde sub 1 als: [bedrijf]

Gedaagden sub 2 als de gezamenlijke andere aandeelhouders

1 Het verloop van het geding

1.1

Kodiak heeft bij exploot van 1 mei 2026 gedaagden gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de Ondernemingskamer van 29 mei 2026, waarna zij bij herstelexploot van 8 mei 2026 de zittingsdatum waartegen is opgeroepen heeft gewijzigd in 9 juni 2026, en voor het overige de dagvaarding in stand latend – zakelijk weergegeven – heeft gevorderd om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. gedaagden te veroordelen om het onbezwaarde recht op de aandelen in het geplaatst kapitaal van [bedrijf] waarvan zij houder zijn aan Kodiak over te dragen op grond van primair artikel 2:359c BW, dan wel subsidiair artikel 2:201a BW;

  2. de prijs van de over te dragen aandelen in het kapitaal van [bedrijf] vast te stellen op € 31,85 per aandeel, althans de prijs van de over te dragen aandelen vast te stellen in euro op een door de Ondernemingskamer in goede justitie te bepalen bedrag per een door de Ondernemingskamer in goede justitie te bepalen datum, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de peildatum tot aan de datum van onbezwaarde overdracht dan wel overgang van die aandelen;

  3. Kodiak te veroordelen de prijs per aandeel vermeerderd met de rente als voormeld, te betalen aan degenen aan wie de aandelen toebehoren of zullen toebehoren op de dag waarop het te wijzen arrest ten uitvoer zal worden gelegd, tegen levering door laatstbedoelde van het onbezwaarde recht op de aandelen;

  4. gedaagden, voor zover zij verweer voeren, te veroordelen in de kosten van dit geding.

1.2

Op de rol van 2 juni 2026 heeft Kodiak de in de dagvaarding genoemde producties overgelegd. Op de rol van 9 juni 2026 heeft mr. De Haan zich voor [bedrijf] gesteld, heeft [bedrijf] tot referte geconcludeerd en is tegen de onder sub 2 genoemde niet verschenen gezamenlijke andere aandeelhouders verstek verleend. Ten slotte is arrest gevraagd.

2 De feiten

2.1

[bedrijf] drijft een internationaal opererend koffie- en theebedrijf dat zich richt op de ontwikkeling, productie, marketing en distributie van een portfolio aan consumenten- en professionele merken en is actief in meer dan 100 landen.

2.2

Kodiak is indirect een 100% dochtervennootschap van Keurig Dr. Pepper Inc. (hierna: KDP), een rechtspersoon naar het recht van de staat Delaware, Verenigde Staten. KDP drijft een internationaal drankenbedrijf met een portfolio van meer dan 125 merken en een groot distributienetwerk.

2.3

De aandelen in het geplaatste kapitaal van [bedrijf] (hierna ook: de Aandelen of een Aandeel) waren tot 30 april 2026 genoteerd aan de effectenbeurs Euronext Amsterdam N.V. (hierna: Euronext Amsterdam).

2.4

Op 24 augustus 2025 hebben Acorn Holdings B.V. (hierna: Acorn), op dat moment houder van circa 68% van de aandelen in [bedrijf] , en KDP een overeenkomst gesloten met betrekking tot een voorgenomen openbaar bod op de Aandelen. Deze overeenkomst strekte er onder meer toe dat Acorn zich ertoe verplichtte alle door haar gehouden Aandelen aan te melden onder het door Kodiak uit te brengen bod tegen een biedprijs van € 31,85 per Aandeel (hierna: de Biedprijs).

2.5

Op 15 januari 2026 heeft Kodiak een door de Autoriteit Financiële Markten goedgekeurd biedingsbericht algemeen verkrijgbaar gesteld en een openbaar bod (hierna: het Bod) uitgebracht op alle uitgegeven en uitstaande Aandelen tegen de Biedprijs van € 31,85 per Aandeel.

2.6

Ten tijde van het uitbrengen van het Bod bestond het maatschappelijk kapitaal van [bedrijf] uit 2.000.000.000 Aandelen op naam verdeeld in 1.000.000.000 gewone Aandelen met een nominale waarde van € 0,01 per Aandeel en 1.000.000.000 preferente Aandelen met een nominale waarde van elk € 0,01. Het geplaatste kapitaal van [bedrijf] bestond op dat moment uit 488.178.642 gewone Aandelen met een nominale waarde van € 0,01 per Aandeel. [bedrijf] hield op dat moment 3.157.912 Aandelen in haar eigen kapitaal.

2.7

De aanmeldingstermijn onder het Bod liep van 16 januari 2026 om 09:00 uur CET tot 27 maart 2026 om 17:40 uur CET. Bij persbericht van 27 maart 2026 heeft Kodiak meegedeeld dat zij het Bod gestand zou doen met aankondiging van een na-aanmeldingstermijn welke liep van 30 maart 2026 om 09:00 uur CET tot 13 april 2026 om 17:40 uur CET.

2.8

Tijdens de aanmeldingsperiode zijn 466.712.270 Aandelen aangemeld. Vervolgens zijn tijdens de na-aanmeldingsperiode nog 7.821.867 Aandelen aangemeld. Bij gezamenlijk persbericht van 13 april 2026 hebben KDP, Kodiak en [bedrijf] deze resultaten bekend gemaakt.

2.9

Op 1 april 2026 zijn alle Aandelen die tijdens de aanmeldingsperiode zijn aangemeld geleverd door bijschrijving op de effectenrekening die Kodiak houdt bij ABN Amro Bank N.V. (hierna: ABN Amro Bank) tegen betaling van de Biedprijs. Op 15 april 2026 zijn alle Aandelen die na de aanmeldingsperiode zijn aangemeld aan Kodiak geleverd door bijschrijving op de effectenrekening die Kodiak houdt bij ABN Amro Bank tegen betaling van de Biedprijs.

2.10

Op 1 april 2026 heeft [bedrijf] een verzoek ingediend tot het beëindigen van de beursnotering, welk verzoek door Euronext Amsterdam is goedgekeurd. Op 29 april 2026 zijn de Aandelen voor het laatst verhandeld op de beurs van Euronext Amsterdam en op 30 april 2026 is de beursnotering van [bedrijf] beëindigd.

2.11

Op 30 april 2026 is [bedrijf] omgezet van een naamloze vennootschap in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarbij de door Kodiak gehouden Aandelen zijn omgezet in Aandelen met de aanduiding “aandeel B” en de niet door Kodiak gehouden Aandelen gewone Aandelen zijn gebleven.

3 De gronden van de beslissing

Vordering op grond van artikel 2:359c BW

3.1

Kodiak heeft haar vordering primair gegrond op artikel 2:359c BW en subsidiair op artikel 2:201a BW. [bedrijf] was ten tijde van het uitbrengen van het Bod een vennootschap waarvan de aandelen waren toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt zoals bedoeld in artikel 5:74 lid 1 Wft, zodat de vordering in beginsel op artikel 2:359c BW kan worden gebaseerd.

3.2

Nu tegen de gedaagden sub 2 verstek is verleend, dient de Ondernemingskamer op grond van artikel 2:359c lid 5 BW ambtshalve te onderzoeken of (i) Kodiak een openbaar bod heeft uitgebracht, (ii) Kodiak op de dag van dagvaarding (1 mei 2026) als aandeelhouder voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van [bedrijf] verschaft en ten minste 95% van de stemrechten van [bedrijf] vertegenwoordigt en (iii) of de vordering is ingesteld tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders. In deze toets ligt tevens een ambtshalve onderzoek besloten naar de vraag of sprake is van verschillende soorten aandelen en, zo ja, of Kodiak als eiser haar vordering instelt ten aanzien van de soort aandelen waarvan zij als aandeelhouder ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van [bedrijf] verschaft en ten minste 95% van de stemrechten vertegenwoordigt, zoals bedoeld in artikel 2:359c lid 2 BW.

3.3

De Ondernemingskamer stelt op grond van wat blijkt uit de in het geding gebrachte stukken, in het bijzonder het biedingsbericht van 15 januari 2026 en de gezamenlijke persberichten van 27 maart 2026, 1 april 2026 en 13 april 2026 vast dat Kodiak een openbaar bod als bedoeld in artikel 5:74 Wft heeft uitgebracht. De vordering is in zoverre deugdelijk.

3.4

Zijn er verschillende soorten aandelen dan kan de vordering ingevolge het bepaalde in artikel 2:359c lid 2 BW slechts worden ingesteld ten aanzien van de soort waarvan de eiseres ten minste 95% van het geplaatste kapitaal verschaft en 95% van de stemrechten vertegenwoordigt. Kodiak vordert overdracht van de gewone Aandelen, maar Kodiak houdt sinds 30 april 2026 uitsluitend nog Aandelen B. Kodiak stelt zich op het standpunt dat de Aandelen B geen aandelen van een andere soort zijn dan de gewone Aandelen in de zin van artikel 2:359c lid 2 BW, en voert in dat verband aan dat de aandelen zijn ontstaan vanwege de omzetting, er geen uitgifte van nieuwe Aandelen heeft plaatsgevonden en dat de Aandelen B in alle materiële opzichten gelijk zijn aan de gewone Aandelen.

3.5

De Ondernemingskamer overweegt als volgt. De Aandelen B zijn ontstaan bij de statutenwijziging van 30 april 2026, waarbij [bedrijf] van een naamloze vennootschap in een besloten vennootschap is omgezet. Kodiak houdt sindsdien alleen Aandelen B. De vordering van Kodiak betreft gewone Aandelen. Op grond van artikel 4 van de op 30 april 2026 gewijzigde statuten van [bedrijf] worden voor de gewone Aandelen en de Aandelen B afzonderlijke agio- en winstreserves aangehouden. Op grond van artikel 27 lid 3 van de statuten beslist de vergadering van houders van gewone Aandelen, respectievelijk Aandelen B over de uitkeringen ten laste van die respectieve reserves. Bij die stand van zaken kan niet worden aangenomen dat aan de gewone Aandelen en de Aandelen B (steeds) dezelfde rechten en plichten zijn verbonden, maar is sprake van een bijzondere gerechtigdheid tot een vermogensbestanddeel of een reserve van de vennootschap en dus van verschillende soorten aandelen als bedoeld in artikel 2:359c lid 2 BW (vgl. ECLI:NL:HR:2007:BB3523 (DSM) en ECLI:NL:HR:2011:BN7252 (Staatssecretaris/X), rov. 3.3.4 en 3.3.5). Kodiak kan als houder van uitsluitend Aandelen B niet op de voet van artikel 2:359c BW een vordering instellen tot overdracht van de gewone Aandelen, omdat zij op de dag van de dagvaarding geen gewone Aandelen houdt. De vordering tot overdracht van de gewone Aandelen kan dus niet op grond van artikel 2:359c BW worden toegewezen.

De vordering op grond van artikel 2:201a BW; het kapitaalbelang van Kodiak in [bedrijf]

3.6

Kodiak heeft haar vordering subsidiair gegrond op artikel 2:201a BW. Nu tegen de gedaagden sub 2 verstek is verleend, dient de Ondernemingskamer ambtshalve te onderzoeken of Kodiak als aandeelhouder voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van [bedrijf] verschaft en ten minste 95% van de stemrechten in de algemene vergadering kan uitoefenen en of de vordering is ingesteld tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders.

3.7

Kodiak heeft gesteld dat zij op de dag van dagvaarding – 1 mei 2026 – 474.534.137 van de Aandelen in het geplaatste kapitaal van [bedrijf] hield. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij daarmee per datum van het uitbrengen van de dagvaarding ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van [bedrijf] verschaft en 95% van de stemrechten vertegenwoordigt, heeft Kodiak overgelegd (kopieën van):

  1. de akte van omzetting en statutenwijziging en de statuten van [bedrijf] van 30 april 2026 waaruit blijkt dat de Aandelen een nominale waarde hebben van € 0,01 per Aandeel (artikel 4.1) en dat elk Aandeel recht geeft op het uitbrengen van één stem in de algemene vergadering van [bedrijf] (artikel 35.1);

  2. een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel betreffende [bedrijf] van 3 juni 2026 waaruit volgt dat op die datum het geplaatste kapitaal € 4.881.786,42 bedroeg;

  3. een afschrift van het aandeelhoudersregister van [bedrijf] van 30 april 2026;

  4. een verklaring van het bestuur van [bedrijf] van 5 juni 2026 waaruit kan worden afgeleid hoeveel Aandelen door de vennootschap zelf worden gehouden op 15 januari 2026, 1 april 2026, 15 april 2026 en 1 mei 2026;

  5. en verklaring van het bestuur van Kodiak van 5 juni 2026 waarin dat bestuur verklaart dat Kodiak per die datum 474.534.137 Aandelen in het kapitaal van [bedrijf] houdt;

  6. een schriftelijke verklaring van ABN Amro Bank van 5 juni 2026 waarin wordt verklaard dat Kodiak in de aanmeldingstermijn en de na-aanmeldingstermijn in totaal 474.534.137 Aandelen heeft verworven.

  7. een verklaring van mr. IJ. C. van Straten, notaris te Amsterdam, van 8 juni 2026 (hierna: de Notariële verklaring) waarin hij op basis van de door hem onderzochte documenten onder meer verklaart dat:

i. het aandelenkapitaal van [bedrijf] overeenkomstig artikel 4 van de statuten is verdeeld in één klasse van (gewone) Aandelen, met de benamingen gewone Aandelen en Aandelen B en dat deze Aandelen B in wezen gelijk zijn aan de gewone Aandelen met als enig verschil met betrekking tot de Aandelen B dat voor deze Aandelen afzonderlijke reserves worden aangehouden;

ii. het geplaatste aandelenkapitaal van [bedrijf] op 1 mei 2026 € 4.881.786,42 bedraagt en is verdeeld in 488.178.642 aandelen (gewone Aandelen en Aandelen B), elk met een nominale waarde van € 0,01;

iii. [bedrijf] op 1 mei 2026 2.713.719 (gewone) Aandelen in haar eigen kapitaal houdt;

iv. Kodiak op 1 mei 2026 in totaal 474.534.137 Aandelen B van het totale geplaatste

aandelenkapitaal van 488.178.642 (gewone en B) Aandelen in het kapitaal van [bedrijf] houdt;

v. Kodiak ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van [bedrijf] houdt;

vi. Kodiak ten minste 95% van de stemrechten in de algemene vergadering van [bedrijf] vertegenwoordigt.

3.8

Bij de toets of Kodiak voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal in [bedrijf] verschaft en 95% van de stemrechten vertegenwoordigt, tellen de Aandelen die [bedrijf] in haar eigen kapitaal houdt ingevolge het bepaalde in artikel 2:201a BW in verbinding met artikel 2:24d BW, niet mee. Op grond van voornoemde stukken, mede in onderling verband gezien, staat naar het oordeel van de Ondernemingskamer genoegzaam vast dat Kodiak op de dag van de dagvaarding voor eigen rekening in ieder geval 474.534.137 Aandelen hield van de in totaal bij deze toets mee te tellen 485.464.923 (488.178.642 Aandelen in het geplaatste kapitaal van [bedrijf] minus 2.713.719 door [bedrijf] zelf gehouden Aandelen), welk aantal gelijk staat aan 97,75% van het geplaatste kapitaal. In artikel 35.1. van de ten tijde van de dagvaarding geldende statuten van [bedrijf] is bepaald dat één Aandeel recht geeft op het uitbrengen van één stem in de algemene vergadering. Aldus verschaft Kodiak op de dag van dagvaarding tenminste 95% van het geplaatste kapitaal van [bedrijf] en vertegenwoordigt zij tenminste 95% van de stemrechten in [bedrijf] . De vordering is in zoverre deugdelijk.

Het dagvaarden van de gezamenlijke andere aandeelhouders

3.9

Nu de gerechtigden tot de gewone Aandelen niet bij naam bekend zijn heeft Kodiak deze gezamenlijke aandeelhouders terecht en blijkens de in het geding gebrachte stukken conform artikel 54 lid 2 Rv opgeroepen als niet bij naam bekende aandeelhouders. De vordering is ook in zoverre deugdelijk.

3.10

Aan de door gedaagden sub 2 gehouden gewone Aandelen zijn geen bijzondere statutaire rechten inzake de zeggenschap in [bedrijf] verbonden. Gesteld noch gebleken is dat een gedaagde ondanks de geboden vergoeding ernstige stoffelijke schade zou lijden door de overdracht van de aandelen. Kodiak heeft jegens geen van gedaagden afstand gedaan van haar bevoegdheid de onderhavige vordering in te stellen. Een afwijzingsgrond op de voet van artikel 2:201a lid 4 BW doet zich dus niet voor.

3.11

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen kan de vordering van Kodiak in beginsel worden toegewezen en spitst de beoordeling zich toe op de door Kodiak te betalen prijs voor de over te dragen aandelen en de peildatum.

Prijsbepaling

3.12

Volgens Kodiak is de Biedprijs een billijke prijs en kan de uitkoopprijs worden vastgesteld op dit bedrag per Aandeel. Ter onderbouwing van dit standpunt stelt Kodiak dat (i) de Biedprijs wordt ondersteund door twee fairness opinions, (ii) het openbaar bod massaal aanvaard is door de aandeelhouders, (iii) de Biedprijs een substantiële premie van 33% ten opzichte van de 90-daags volume-gewogen gemiddelde beurskoers van de Aandelen vertegenwoordigt en (iv) alle overige omstandigheden van het geval de billijkheid van Biedprijs ondersteunen.

3.13

Op grond van vaste jurisprudentie van de Ondernemingskamer kan ook in geval een vordering is gegrond op artikel 2:201a BW aansluiting worden gezocht bij het prijsvermoeden van artikel 2:359c lid 6 BW. Zodoende kan aan de hand van de acceptatiegraad van het bod en de overige omstandigheden van het geval een uitkoopprijs worden vastgesteld zonder een deskundigenbericht te gelasten (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2017:1203, Royal Reesink). Nu Kodiak zich onder meer op deze mogelijkheid en het daarmee verband houdende 90%-criterium beroept, zal de Ondernemingskamer de desbetreffende stellingen eerst beoordelen.

3.14

De Ondernemingskamer stelt op grond van wat blijkt uit de in het geding gebrachte stukken, in het bijzonder het biedingsbericht van 15 januari 2026 en de gezamenlijke persberichten van 27 maart 2026, 1 april 2026 en 13 april 2026 vast dat Kodiak een openbaar bod als bedoeld in artikel 5:74 Wft heeft uitgebracht. De Ondernemingskamer dient bij de vaststelling van de acceptatiegraad van het bod – dat wil zeggen bij de vaststelling of aan het 90%-criterium is voldaan – in het licht van deze ratio: i) te bepalen welke aandelen, behorende tot de aandelen waarop het bod betrekking had, in de berekening betrokken dienen te worden (de noemer van de breuk); en ii) te bepalen welke door de uitkoper verworven aandelen in de berekening dienen te worden betrokken (de teller van de breuk).

3.15

Met het oog op de ratio van het 90%-criterium tellen in de berekening van de acceptatiegraad van het bod niet mee de (certificaten van) aandelen die worden gehouden door (rechts)personen die in een wezenlijk andere positie verkeren dan houders van (certificaten van) aandelen die door acceptatie van het bod slechts hun belang in de doelvennootschap verkopen tegen de onder het bod geboden tegenprestatie (ECLI:NL:GHAMS:2017:1203, Royal Reesink). Als aandeelhouders die in een wezenlijk andere positie verkeren als hiervoor bedoeld worden in ieder geval aangemerkt:

  1. de uitkoper en met haar in een groep verbonden rechtspersonen;

  2. (rechts)personen die kunnen worden aangemerkt als een bieder in de zin van artikel 1:1 Wft;

  3. de doelvennootschap en met haar in een groep verbonden rechtspersonen;

  4. bestuurders en commissarissen van de doelvennootschap, behoudens bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen; en

  5. degenen op wie een door de bieder getroffen regeling of een met de bieder gesloten overeenkomst van toepassing is die hen in een wezenlijk andere positie brengt.

3.16

Ter staving van de stelling dat aan de 90%-drempel is voldaan, heeft Kodiak onder meer de Notariële verklaring (met bijlagen) overgelegd, waarin de notaris op basis van de onderzochte documenten onder andere verklaart dat:

- ten tijde van het uitbrengen van het Bod het totaal geplaatste kapitaal van [bedrijf] bestond uit 488.178.642 Aandelen van elk nominaal € 0,01;

- Kodiak ten tijde van het uitbrengen van het Bod geen Aandelen hield in [bedrijf] ;

- [bedrijf] ten tijde van het uitbrengen van het Bod 3.157.912 Aandelen in haar eigen kapitaal hield;

- ten tijde van het uitbrengen van het Bod 2.377.447 Aandelen in het kapitaal van [bedrijf] werden gehouden door bestuurders van [bedrijf] ;

- Kodiak op 1 april 2026 466.712.270 aandelen in het kapitaal van [bedrijf] verkreeg en op 15 april 2026 Kodiak 7.821.867 aandelen in het kapitaal van [bedrijf] verkreeg;

- Kodiak daarmee zowel na de aanmeldingstermijn als na de na-aanmeldingstermijn ten minste 90% van de aandelen in het kapitaal van [bedrijf] hield.

3.17

Kodiak heeft gesteld dat op het moment van het uitbrengen van het Bod geen met Kodiak in een groep verbonden rechtspersonen Aandelen hielden. Ook heeft Kodiak gesteld dat – en dit volgt ook uit het biedingsbericht van 15 januari 2026 – zij is aangemerkt als bieder in de zin van artikel 1:1 Wft.

3.18

Acorn hield voorafgaand aan het bod circa 69% van de aandelen. Acorn sloot op 24 augustus 2025 een overeenkomst met Kodiak op grond waarvan zij zich er onder meer toe verplichtte het bod te steunen en accepteren. Zij ontving geen informatie die niet is opgenomen in het biedingsbericht van 15 januari 2026 en verkocht haar Aandelen onder dezelfde voorwaarden als de andere houders van aandelen. Als zodanig is geen sprake van een getroffen regeling of gesloten overeenkomst die haar in een wezenlijk andere positie brengt, zoals bedoeld in het arrest van 4 april 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:1203 (Royal Reesink).

3.19

Dat is anders voor de bestuurders van [bedrijf] , die zich uit hoofde van hun hoedanigheid als bestuurder in een wezenlijk andere positie bevinden dan niet aan de doelvennootschap verbonden houders van aandelen, omdat het Bod, zowel indien het slaagt als indien het niet slaagt, voor bestuurders consequenties heeft die het Bod niet heeft voor aandeelhouders die niet als bestuurder aan de doelvennootschap zijn verbonden en er door Kodiak geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die een uitzondering rechtvaardigen.

3.20

Het geplaatste aantal gewone aandelen ten tijde van het Bod bedroeg 488.178.642. In de noemer van de acceptatiegraad dienen de 3.157.912 Aandelen die op de datum van het Bod gehouden werden door [bedrijf] in haar eigen kapitaal niet te worden betrokken. De Ondernemingskamer is verder van oordeel dat Kodiak terecht de 2.377.447 Aandelen die werden gehouden door de bestuurders van [bedrijf] buiten de berekening van de acceptatiegraad van het Bod heeft gehouden. Zij verkeren immers als gezegd in een wezenlijk andere positie dan de houders van aandelen die door acceptatie van het Bod slechts hun belang in de doelvennootschap verkopen tegen de onder het Bod geboden tegenprestatie. Uitgangspunt is dus dat het Bod betrekking had op 482.643.283 uitstaande Aandelen (488.178.642 – 3.157.912 – 2.377.447).

3.21

Het overwogene in 3.16-3.20 brengt mee dat de Ondernemingskamer het aantal in aanmerking te nemen Aandelen (de noemer) als volgt berekent:

Geplaatste aantal gewone aandelen ten tijde van het Bod

488.178.642

Aandelen gehouden door [bedrijf] t.t.v. Bod

Aandelen gehouden door bestuurders t.t.v. Bod

3.157.912

2.377.447

5.535.359

-/-

5.535.359

-/-

Totaal in aanmerking te nemen Aandelen (noemer)

482.643.283

3.22

Tussen de dag van het Bod en 15 april 2026 is een gedeelte van de door [bedrijf] gehouden Aandelen (444.193) op grond van aandelenplannen aan een statutair bestuurder en andere participanten in de aandelenplannen toegewezen. Daarmee komt het aantal Aandelen dat voorafgaand aan de gestanddoening van het Bod werden gehouden door bestuurders en andere participanten in de aandelenplannen van [bedrijf] op (2.377.447 + 444.193 =) 2.821.640.

3.23

Kodiak heeft, voor zover voor de berekening van de acceptatiegraad relevant de volgende Aandelen verkregen (de teller):

Onder de aanmeldingstermijn

466.712.270

Onder de na-aanmeldingstermijn

7.821.867

+/+

474.534.137

Eigen aandelen gehouden/verworven door bestuurders/andere participanten in wezenlijk andere positie

2.821.640

-/-

Totaal relevante onder het Bod verworven Aandelen (teller)

471.712.497

3.24

Gelet op het voorgaande is het de Ondernemingskamer genoegzaam gebleken dat de acceptatiegraad van de Biedprijs 97,74% (471.712.497 / 482.643.283 x 100%) bedraagt en dat Kodiak derhalve ten minste 90% van de aandelen heeft verworven waarop het Bod betrekking had. De Biedprijs van € 31,85 per Aandeel wordt dan ook vermoed een billijke prijs te zijn. Er zijn de Ondernemingskamer geen redenen gebleken om van dit vermoeden af te wijken.

Overige omstandigheden van het geval

3.25

Voorts kan op grond van de volgende feiten en omstandigheden worden aangenomen dat de Biedprijs ten minste gelijk was aan de waarde van de aandelen op de datum van betaalbaarstelling van het openbaar bod:

a. de Biedprijs vertegenwoordigt een premie van 33% ten opzichte van de 90-daags volume gewogen prijs per Aandeel [bedrijf] voorafgaand aan de eerste openbare mededeling van Kodiak en [bedrijf] over het op handen zijnde bod op 25 augustus 2025;

b. twee fairness opinions van (i) Bank of America Europe DAC aan het bestuur van JDE [bedrijf] 's en (ii) van Lazard Frères & Co LLC aan KDP, die beide concluderen dat de Biedprijs fair is; en

c. er zijn geen gedaagden in het geding verschenen die bezwaren kenbaar hebben gemaakt tegen de gevorderde uitkoopprijs.

Peildatum

3.26

Kodiak stelt zich op het standpunt dat als peildatum de datum van betaalbaarstelling onder het openbaar bod kan worden gehanteerd, te weten 1 april 2026. Het is vaste rechtspraak van de Ondernemingskamer om bij deze datum aan te sluiten op voorwaarde dat de periode tussen de betaalbaarstelling en dagvaarding niet te lang is (ECLI:NL:GHAMS:2015:2775, Unit4 en ECLI:NL:HR:2023:1824, Flora Acquisition). In dit geval zat er tussen de datum van betaalbaarstelling onder het openbaar bod (1 april 2026) en de datum van de dagvaarding (1 mei 2026) dertig dagen. De Ondernemingskamer zal de peildatum daarom vaststellen op 1 april 2026.

Slotsom

3.27

De uitkoopvordering, die ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, wordt toegewezen op de wijze zoals hierna te vermelden. Nu gedaagden geen verweer hebben gevoerd, bestaat geen grond voor een kostenveroordeling.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

a) veroordeelt alle niet bij naam bekende houders van aandelen in het kapitaal van de besloten vennootschap [bedrijf] het onbezwaarde recht op de door ieder van hen gehouden aandelen in het geplaatste kapitaal van [bedrijf] over te dragen aan Kodiak BidCo B.V.;

b) stelt de prijs vast per 1 april 2026 en wel op € 31,85 per aandeel;

c) bepaalt dat die prijs, zolang en voor zover deze niet is betaald, wordt verhoogd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2026 tot de dag van de overdracht of consignatie van de prijs met rente overeenkomstig artikel 2:201a lid 8 BW;

d) bepaalt dat uitkeringen, in laatstbedoeld tijdvak op de aandelen betaalbaar gesteld, tot gedeeltelijke betaling van de prijs op de dag van betaalbaarstelling strekken;

e) veroordeelt Kodiak BidCo B.V. de vastgestelde prijs, met rente zoals vermeld, te betalen aan degenen aan wie de aandelen toebehoren of zullen toebehoren tegen levering van het onbezwaarde recht op de aandelen;

f) verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

g) wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. de Jongh, voorzitter, mr. A.W.H. Vink en mr. E. Loesberg, raadsheren en prof. dr. M.N. Hoogendoorn RA en mr. drs. F. Marring RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. S. IJntema, griffier, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »