Art. 1:87 Burgerlijk Wetboek Boek 1
Lid 1
Indien een echtgenoot ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een goed dat tot zijn eigen vermogen zal behoren, verkrijgt of indien ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een schuld ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorend goed wordt voldaan of afgelost, ontstaat voor de eerstgenoemde echtgenoot een plicht tot vergoeding.
Lid 2
De vergoeding beloopt een gedeelte van de waarde van het goed op het tijdstip waarop de vergoeding wordt voldaan. Dit gedeelte:
is in het geval van een verkrijging ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot evenredig aan het uit diens vermogen afkomstige aandeel in de tegenprestatie voor het goed;
komt in het geval van een voldoening of aflossing ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot overeen met de verhouding tussen het uit diens vermogen voldane of afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van het goed op het tijdstip van die voldoening of aflossing.
Lid 3
Ten aanzien van de vergoeding gelden voorts de volgende regels:
tenzij de echtgenoot het vermogen van de andere echtgenoot met diens toestemming heeft aangewend op de wijze als bedoeld in het eerste lid, beloopt de vergoeding ten minste het nominale bedrag dat ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot is gekomen;
ter zake van goederen die naar hun aard bestemd zijn om te worden verbruikt, beloopt de vergoeding steeds het nominale bedrag dat ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot is gekomen;
ter zake van goederen die inmiddels zijn vervreemd zonder dat daarvoor andere goederen in de plaats zijn gekomen, wordt in plaats van de waarde, bedoeld in de aanhef van het tweede lid, uitgegaan van de waarde ten tijde van de vervreemding. Met een vervreemding wordt gelijkgesteld het onherroepelijk worden van een begunstiging bij een sommenverzekering of een andere begunstiging bij een beding ten behoeve van een derde.
Lid 4
Echtgenoten kunnen bij overeenkomst afwijken van het eerste lid tot en met het derde lid. Geen vergoeding is verschuldigd voor zover door de verkrijging, voldoening of aflossing ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot wordt voldaan aan een op die echtgenoot rustende verbintenis.
Lid 5
Kan de vergoeding overeenkomstig het eerste tot en met het vierde lid niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.
Wordt genoemd in:
Recente uitspraken
Art. 1:87 BW is sinds 2005 in 208 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Arnhem-Leeuwarden, Rb. Rotterdam en Hof 's-Hertogenbosch.
- ECLI:NL:HR:2026:203 — 06-02-2026 Hoge Raad
Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Huwelijksvermogensrecht. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat schenkingen uit Italië zonder uitsluitingsclausule buiten wettelijke gemeenschap van goederen vallen? Art. 1:94 lid 4 BW; art. 6:2 lid 2 BW.… - ECLI:NL:HR:2025:436 — 21-03-2025 Hoge Raad
Personen- en familierecht. Relatievermogensrecht. Art. 1:94 lid 7 BW. Halvering meerinbreng? Man en vrouw hebben vóór hun huwelijk samen woning verkregen. Man en vrouw hebben over en weer recht op vergoeding wegens meerinbreng i.v.m. betaling door man van koopsom en i.v.m.… - ECLI:NL:HR:2023:1571 — 17-11-2023 Hoge Raad
Verbintenissenrecht. Samenwonen op basis van affectieve relatie ('informeel samenleven'). Vergoedingsrechten. Onjuiste uitleg van HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8938 en HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707? Verjaring. Onbegrijpelijke uitleg grief over oordeel van rechtbank… - ECLI:NL:HR:2023:773 — 26-05-2023 Hoge Raad
Relatievermogensrecht. Caribische zaak. Partijen hebben samengewoond en zijn nadien gehuwd geweest. Man vordert vergoeding van vrouw i.v.m. betalingen op lening waarvoor hypotheek op woning van vrouw rust. Hebben betalingen geleid tot vermogensverschuiving ten gunste van vrouw?… - ECLI:NL:HR:2022:1936 — 23-12-2022 Hoge Raad
Verjaring. Huwelijksvermogensrecht. Vergoedingsrecht uit hoofde van huwelijkse voorwaarden in verband met vermogensverschuiving tussen echtgenoten. HR 12 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC2558. Art. 1:87 BW. Had hof i.p.v. aan verjaringstermijn van twintig jaar (art. 3:306 BW)…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.