Artikel 30f Algemene wet inzake rijksbelastingen

Lid 1

Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een voorlopige aanslag met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die aanslag aan de belastingplichtige rente – belastingrente – in rekening gebracht.

Lid 2

De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de voorlopige aanslag invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet 1990 en heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting.

Lid 3

Ingeval de voorlopige aanslag is vastgesteld overeenkomstig een op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend verzoek of overeenkomstig de ingediende aangifte met betrekking tot het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 14 weken na de datum van ontvangst van het verzoek, onderscheidenlijk 19 weken na de datum van ontvangst van deze aangifte.

Lid 4

Geen belastingrente wordt in rekening gebracht ingeval de voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting is vastgesteld overeenkomstig een op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend verzoek dat is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde maand of overeenkomstig een ingediende aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting die is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde, onderscheidenlijk zesde, maand na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven.

Recente uitspraken

Art. 30f AWR is sinds 2001 in 118 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Breda, Hof Amsterdam en Hoge Raad.

  • ECLI:NL:HR:2022:89 — 28-01-2022 Hoge Raad
    Prejudiciële beslissing; procesrecht; belastingrente; artt. 30ha, 30hb en 30j AWR; Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel; passend rentepercentage; rechtsmiddelen tegen rentebeschikkingen.
  • ECLI:NL:HR:2015:2990 — 09-10-2015 Hoge Raad
    Bpm. Procesrecht. art. 30f, lid 5, AWR (oud); art. 8:75 Awb; art. 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht. Vergoeding van rente en proceskosten bij terugbetaling van BPM in (groot aantal) samenhangende zaken. Geen recht op wettelijke rente. Hof mag proceskostenvergoeding…
  • ECLI:NL:HR:2015:2794 — 25-09-2015 Hoge Raad
    Bpm. AWR. Procesrecht. art. 30f, lid 5, AWR (oud); art. 8:75 Awb; art. 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht. Vergoeding van rente en proceskosten bij terugbetaling van BPM in (groot aantal) samenhangende zaken. Geen recht op wettelijke rente. Hof mag…
  • ECLI:NL:HR:2012:BV1420 — 28-09-2012 Hoge Raad
    Dividendbelasting. Heffingsrente. Europees recht. Art. 25a, lid 2, Wet Vpb 1969, art. 15 en 30f AWR. Teruggaaf van dividendbelasting en vergoeding van heffingsrente m.b.t. door een Nederlandse deelneming aan haar Spaanse moedermaatschappij uitgekeerde dividenden. Beschikking…
  • ECLI:NL:HR:2011:BQ8230 — 17-06-2011 Hoge Raad
    Artikel 30f AWR. Heffingsrente. Algemene heffingskorting. Voorlopige teruggaaf te hoog gelet op inkomen echtgenoot. Achterwege blijven (nadere voorlopige) aanslag leidt niet tot schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

Bekijk alle 118 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.