Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1

Lid 1

Deze wet geldt bij de bepaling, de vaststelling en de verstrekking van de waarde van in Nederland gelegen onroerende zaken ten behoeve van afnemers.

Lid 2

Het college van burgemeester en wethouders is belast met de uitvoering van deze wet, tenzij de gemeenteambtenaar, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, hiermee is belast.

Artikel 2

In deze wet wordt verstaan onder:

  1. afnemer: bestuursorgaan dat op grond van een wettelijk voorschrift bevoegd is tot gebruik van een waardegegeven;

  2. authentiek gegeven: in een basisregistratie opgenomen gegeven dat bij wettelijk voorschrift als authentiek is aangemerkt;

  3. basisregistratie: verzameling gegevens waarvan bij wet is bepaald dat deze authentieke gegevens bevat;

  4. belastingen: belastingen geheven door het Rijk, de gemeenten en de waterschappen;

  5. college: college van burgemeester en wethouders;

  6. Dienst: Dienst voor het kadaster en de openbare registers als genoemd in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster;

  7. landelijke voorziening WOZ: landelijke voorziening als bedoeld in artikel 37aa;

  8. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;

  9. terugmelding: melding als bedoeld in artikel 37f, eerste lid;

  10. waardegegeven: op de voet van hoofdstuk IV van deze wet vastgestelde waarde van een onroerende zaak;

  11. de wet: de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld betreffende de verrekening van de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de wet.