Artikel 2.3.6 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Lid 1

Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

Lid 2

Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien:

  1. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

  2. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;

  3. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

Lid 3

Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in het tweede lid, onder c, weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

Lid 4

Bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende het tarief, de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Lid 5

Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren:

  1. voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening of;

  2. indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d en e.

Lid 6

Op een persoonsgebonden budget is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Recente uitspraken

Art. 2.3.6 Wmo2015 is sinds 2016 in 5 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door CRvB, Hof Arnhem-Leeuwarden en Rb. Rotterdam.

  • ECLI:NL:CRVB:2022:2569 — 22-11-2022 CRvB
    Geen pgb voor individuele begeleiding, wél de mogelijkheid van individuele begeleiding in de vorm van zorg in natura. Het onderzoek van de gemeente is niet volledig en zorgvuldig geweest. Opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar. Artikel 8:113 Awb.…
  • ECLI:NL:CRVB:2018:3474 — 07-11-2018 CRvB
    Conclusie van advocaat-generaal Widdershoven over de toepassing van het leerstuk van afgeleid belang in algemene zin en in het sociaal domein in het bijzonder. In de conclusie wordt vijf vuistregels geformuleerd die richtinggevend zouden moeten zijn bij toekomstige toepassing…
  • ECLI:NL:GHARL:2021:4410 — 04-05-2021 Hof Arnhem-Leeuwarden
    De gemeente heeft de Wmo beschikkingen van een aantal cliënten van een zorginstelling gewijzigd waardoor deze cliënten geen zorg meer mochten inkopen bij deze instelling. Vooruitlopend daarop heeft de gemeente een tijdelijke alternatieve verblijfplaats voor deze en enkele andere…
  • ECLI:NL:GHARL:2016:3617 — 10-05-2016 Hof Arnhem-Leeuwarden
    Overheidsaanbesteding. Intrekken aanbesteding hangende appel. Ontvankelijkheid. Procesbelang in verband met proceskostenveroordeling. Aanbesteding zorg in natura in het kader van de WMO 2015. Gemeenten stellen voorwaarde dat de aanbieder de gecontracteerde zorg niet ook aan…
  • ECLI:NL:RBROT:2026:3923 — 08-04-2026 Rb. Rotterdam
    De rechtbank doet in deze zaak een tussenuitspraak. Aan de hand van de criteria uit artikel 7:610 BW dient het UWV te beoordelen of sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst tussen eiseres en haar zus, of eiseres daarmee is aan te merken als werknemer in de zin van de WW en…

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.