Artikel 82 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)
(oud artikel 31 VEU)
De justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen en omvat de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op de in lid 2 en in artikel 83 genoemde gebieden.
Het Europees Parlement en de Raad stellen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, maatregelen vast die ertoe strekken:
regels en procedures vast te leggen waarmee alle soorten vonnissen en rechterlijke beslissingen overal in de Unie erkend worden;
jurisdictiegeschillen tussen de lidstaten te voorkomen en op te lossen;
de opleiding van magistraten en justitieel personeel te ondersteunen;
in het kader van strafvervolging en tenuitvoerlegging van beslissingen de samenwerking tussen de justitiële of gelijkwaardige autoriteiten van de lidstaten te bevorderen.
Voor zover nodig ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie, kunnen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure bij richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen. In die minimumvoorschriften wordt rekening gehouden met de verschillen tussen de rechtstradities en rechtsstelsels van de lidstaten.
Deze minimumvoorschriften hebben betrekking op:
de wederzijdse toelaatbaarheid van bewijs tussen de lidstaten;
de rechten van personen in de strafvordering;
de rechten van slachtoffers van misdrijven;
andere specifieke elementen van de strafvordering, die door de Raad vooraf bij besluit worden bepaald. Voor de aanneming van dit besluit, besluit de Raad met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.
De vaststelling van de in dit lid bedoelde minimumvoorschriften belet de lidstaten niet een hoger niveau van bescherming voor personen te handhaven of in te voeren.
Wanneer een lid van de Raad van oordeel is dat een in lid 2 bedoelde ontwerp-richtlijn afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van zijn strafrechtstelsel, kan hij verzoeken dat het ontwerp aan de Europese Raad wordt voorgelegd. In dat geval wordt de gewone wetgevingsprocedure geschorst. Na bespreking, en in geval van consensus, verwijst de Europese Raad, binnen vier maanden na die schorsing het ontwerp terug naar de Raad, waardoor de schorsing van de gewone wetgevingsprocedure wordt beëindigd.
Binnen dezelfde termijn, in geval van verschil van mening en indien ten minste negen lidstaten een nauwere samenwerking wensen aan te gaan op grond van de betrokken ontwerp-richtlijn, stellen zij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie daarvan in kennis. In dat geval wordt de in de artikelen 20, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en 329, lid 1, van dit Verdrag bedoelde machtiging tot nauwere samenwerking geacht te zijn verleend en zijn de bepalingen betreffende nauwere samenwerking van toepassing.
Geconsolideerde tekst van 15-03-2025 (bron: EUR-Lex). Juridisch bindend is alleen de tekst in het Publicatieblad van de EU.
Recente uitspraken
Art. 82 VWEU is sinds 2020 in 12 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Noord-Holland, Rb. Amsterdam en Hof 's-Hertogenbosch.
- ECLI:NL:HR:2026:650 — 14-04-2026 Hoge Raad
Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. invoer van harddrugs (art. 10a.1.2 Opiumwet) en medeplegen gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr). 1. Betekenis van EncroChat-uitspraak van HvJ EU voor toetsingskader dat is uiteengezet in HR:2023:913 over… - ECLI:NL:GHSHE:2026:1168 — 06-05-2026 Hof 's-Hertogenbosch
Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat de ANØM-data betreffende de verdachte door Nederlandse opsporingsambtenaren zijn verwerkt en geanalyseerd zonder dat daaraan een rechterlijke toetsing vooraf was gegaan. Voor de verwerking en analyse van deze… - ECLI:NL:RBAMS:2026:1412 — 10-02-2026 Rb. Amsterdam
Bezwaarschrift tegen herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.) ex art. 6:6:8 Sv. Bezwaar gedeeltelijk gegrond. - ECLI:NL:RBAMS:2024:98 — 10-01-2024 Rb. Amsterdam
Bevoegdheidsincident, Nederlandse ankergedaagde, artikel 7 Rv, samenhang vorderingen. Zaak wordt aangehouden wegens prejudiciële vragen aan Hof van Justitie over de uitleg van artikel 8 Brussel I Bis-Verordening. - ECLI:NL:RBAMS:2023:3441 — 31-05-2023 Rb. Amsterdam
Bevoegdheidsincident in mededingingszaak. Misbruik van machtspositie door Google bij bevoordelen van eigen vergelijkingsdienst (Google Shopping). Follow-on periode en stand-alone periode. Vraag of Google Netherlands kan gelden als ankergedaagde. De rechtbank oordeelt dat Google…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.