202501277/1/V3.
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 24 februari 2025 in zaak nr. NL24.49507 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 6 december 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 24 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de asielaanvraag afgewezen als ongegrond, bepaald dat betrokkene binnen vier weken na verzending van deze uitspraak moet vertrekken naar Senegal en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. P.A. Blaas, advocaat in ’s-Hertogenbosch, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft nadere stukken ingediend.
De minister en betrokkene hebben op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
1. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
2. De minister heeft in zijn schriftelijke inlichtingen erkend dat de tweede grief, over het uitzonderen van groepen bij het aanwijzen van een veilig land van herkomst, niet slaagt.
3. De minister klaagt in zijn eerste grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij zonder nadere motivering geen toepassing heeft kunnen geven aan artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Volgens de rechtbank heeft de minister een verkeerde beoordeling gemaakt door zowel een inhoudelijke beoordeling te maken en te stellen dat wat betrokkene aanvoert geen asielmotief is omdat de lat daarvoor niet wordt gehaald, als te stellen dat betrokkene geen verklaringen heeft afgelegd die raken aan een asielmotief. De minister voert terecht aan dat de rechtbank hiermee niet heeft onderkend dat betrokkene meermaals heeft verklaard dat hij in Senegal geen gevaar loopt en dat hij alleen naar Nederland is gekomen om te werken. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat van het door betrokkene gestelde risico, dat hij bij terugkeer naar Senegal terechtkomt in een situatie die strijdig is met artikel 3 van het EVRM, niet is gebleken.
3.1. De grief slaagt.
4. De minister betoogt in zijn derde grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de aanvraag van betrokkene niet op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 als kennelijk ongegrond mocht afwijzen. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat betrokkene op geen moment blijk heeft gegeven van een wil om de minister omtrent zijn identiteit te misleiden en dat zijn gemoedstoestand ten tijde van het doorscheuren van het paspoort onduidelijk was. Verder heeft de rechtbank van belang geacht dat het paspoort later is gevonden en dat de pagina waarop de identiteit en nationaliteit van de houder worden vermeld, nog intact was.
4.1. Aan zijn standpunt heeft de minister ten grondslag gelegd dat betrokkene heeft verklaard dat hij zijn paspoort heeft verscheurd tijdens de vlucht van Marokko naar Nederland en dat hij dit vervolgens in de prullenbak van het toilet in het vliegtuig heeft weggegooid. De minister betoogt terecht dat het feit dat het paspoort later is teruggevonden niet afdoet aan de intentie om het paspoort bewust kwijt te maken. Ook de omstandigheid dat betrokkene naar gesteld niet wist wat hem bezielde, is geen verschoonbare reden voor het bewust kwijtmaken van het paspoort. De minister heeft er daarbij terecht op gewezen dat betrokkene hierover heeft verklaard dat hij dit niet onder dwang van anderen heeft gedaan. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de minister hiermee deugdelijk gemotiveerd dat betrokkene zich waarschijnlijk te kwader trouw heeft ontdaan van zijn Senegalese paspoort met als doel daardoor in een gunstiger positie te komen (paragraaf C2/7.4 van de Vc 2000).
4.2. De grief slaagt.
5. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
6. Gelet op wat de Afdeling onder 3 en 4.1 heeft overwogen, heeft de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij de asielaanvraag van betrokkene heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de Vw 2000. Gelet hierop had de rechtbank aanleiding moeten zien de ondeugdelijke motivering in het besluit over het veilig land van herkomst met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren en heeft zij ten onrechte zelf in de zaak voorzien.
7. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing om de minister te veroordelen in de proceskosten in beroep. Gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 6 heeft overwogen over de toepassing van artikel 6:22 van de Awb heeft de rechtbank de minister immers terecht in de proceskosten in beroep veroordeeld. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten in hoger beroep te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 24 februari 2025 in zaak nr. NL24.49507, met uitzondering van de beslissing de minister te veroordelen in de proceskosten in beroep;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026
1017