ECLI:NL:RVS:2026:5941

Datum uitspraak
02-10-2026
Instantie
Raad van State
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
202505983/1/A2
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 3 november 2025 van de rechtbank Oost­-Brabant waarbij het beroep van [appellant] tegen het besluit van 3 september 2020 ongegrond is verklaard. De Dienst Toeslagen heeft bij voorschotbeschikking de zorgtoeslag voor 2020 voorlopig berekend op € 751. Daarna heeft [appellant] op 10 februari 2020 de toeslag gestopt. Vervolgens heeft de Dienst Toeslagen bij nieuwe voorschotbeschikking de zorgtoeslag voor 2020 berekend op € 0 en het bedrag van € 751 bij beschikking van 19 maart 2020 teruggevorderd.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

202505983/1/A2.

Datum uitspraak: 2 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 3 november 2025 in zaak nr. 20/3243 in het geding tussen:

[appellant]

en

Dienst Toeslagen.

Openbare zitting gehouden op 2 oktober 2026 om 10:00 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer

griffier: mr. C. Kouidar

Verschenen:

Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden].

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 3 november 2025 van de rechtbank Oost-­Brabant waarbij het beroep van [appellant] tegen het besluit van 3 september 2020 ongegrond is verklaard.

Beslissing:

De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.

Motivering:

1.       De Dienst Toeslagen heeft bij voorschotbeschikking de zorgtoeslag voor 2020 voorlopig berekend op € 751. Daarna heeft [appellant] op 10 februari 2020 de toeslag gestopt. Vervolgens heeft de Dienst Toeslagen bij nieuwe voorschotbeschikking de zorgtoeslag voor 2020 berekend op € 0 en het bedrag van € 751 bij beschikking van 19 maart 2020 teruggevorderd.

2.       Uit wat [appellant] in hoger beroep naar voren heeft gebracht, is niet gebleken dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. Weliswaar heeft [appellant] het voorschot van € 751 niet (volledig) op zijn rekening gestort gekregen, maar daar staat tegenover dat het toegekende voorschot (grotendeels) is gebruikt om openstaande terugvorderingen van de Dienst Toeslagen over een eerder jaar te verrekenen. Het wegstrepen van de eerdere schuld tegen het voorschot heeft tot gevolg dat [appellant] dit voorschot moet terugbetalen. [appellant] had immers geen recht op het bedrag waarmee de eerdere schuld is verrekend. Dat [appellant] rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de vaststelling van het inkomen door de inspecteur van de Belastingdienst, betekent niet dat de Dienst Toeslagen niet van dat inkomen mocht uitgaan. Daarbij is van belang dat, indien het rechtsmiddel slaagt en het inkomen wordt gewijzigd, de Dienst Toeslagen op grond van artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, verplicht is om de zorgtoeslag met inachtneming van die wijziging te herzien. Tot slot is er geen grond voor het oordeel dat de rechtbank fundamentele beginselen van effectieve rechtsbescherming heeft geschonden. De betogen slagen niet.

3.       Het hoger beroep is ongegrond.

4.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kouidar

griffier

1120

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »