202602265/1/A2
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht (CBE),
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 1 oktober 2026 om 14:30 uur.
Tegenwoordig:
staatsraad: mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzitter
griffier: mr. D.T.J. van de Voort
Verschenen:
[appellant] (via een videoverbinding);
het CBE, vertegenwoordigd door mr. E. Preller (via een videoverbinding).
Het beroep richt zich tegen de beslissing van het CBE van 15 juni 2026, waarbij het beroep van [appellant] tegen de beslissing van 24 februari 2026 van de examinator van de Faculteit der Cultuur- en Maatschappijwetenschappen (de examinator) ongegrond is verklaard. Daarbij is het paper van [appellant] voor het vak Research and Writing II (het vak) beoordeeld met het cijfer 6.
Beslissing
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
De Afdeling stelt vast dat de examinator het paper van [appellant] heeft beoordeeld aan de hand van het in het coursebook kenbaar gemaakte beoordelingsformulier. In het coursebook staan ook de eindtermen van het vak waaraan de student moet voldoen. De eindtermen komen terug als beoordelingscriteria in het beoordelingsformulier. Hieruit volgt dat het voor [appellant] voldoende duidelijk was of kon zijn aan welke beoordelingscriteria het paper moest voldoen.
Niet is gebleken dat de examinator het beoordelingsformulier onjuist heeft gehanteerd. De examinator heeft alle beoordelingscriteria beoordeeld, waarbij gebruik is gemaakt van de symbolen ‘+’ (goed) ‘~’ (ruimte voor verbetering) en ‘-‘ (onvoldoende). Die beoordeling is vervolgens toegelicht in het kader ‘Qualititative feedback, comments and remarks’. Daarin heeft de examinator de positieve punten benoemd, maar ook inhoudelijk feedback gegeven op de verbeterpunten. Dit heeft geleid tot een beoordeling van het paper met het cijfer 6.
De Afdeling volgt niet het betoog van [appellant] dat de optelsom van de symbolen niet kan leiden tot het cijfer 6, omdat maar zeven keer het symbool ‘~’ is gebruikt en geen ‘-‘ symbolen zijn toegepast. Het CBE heeft gemotiveerd gesteld dat de symbolen niet kwantitatief, maar kwalitatief van aard zijn, waarbij voor de beoordeling meer gewicht toekomt aan een criterium dat ziet op de argumentatie of de analyse. De Afdeling acht dit navolgbaar. Gebleken is dat [appellant] met name bij het onderdeel ‘argumentatie’ de meeste ‘~’-symbolen heeft. Overigens is het paper ook door een tweede examinator beoordeeld. Ook die examinator kwam tot het cijfer 6.
Het CBE is dus terecht tot het oordeel gekomen dat de beoordeling van de examinator niet in strijd is met het motiveringsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 10 van de Rules and Regulations van de FASoS 2025-2026.
Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
1062