ECLI:NL:RVS:2026:5943

Datum uitspraak
02-10-2026
Instantie
Raad van State
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Zaaknummer
202506221/1/A2
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 3 november 2025 van de rechtbank Oost­-Brabant waarbij het beroep van [appellant] tegen het besluit van 18 november 2020 ongegrond is verklaard. Het Landelijk Incasso Centrum heeft op 12 oktober 2020 verschillende betalingsbrieven aan [appellant] verzonden. De betalingsbrieven hebben betrekking op de terugvordering van huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget over verschillende jaren. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar van [appellant] tegen deze brieven op 18 november 2020 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betalingsbrieven geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht zijn.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

202506221/1/A2.

Datum uitspraak: 2 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 3 november 2025 in zaak nr. 20/3694 in het geding tussen:

[appellant]

en

Dienst Toeslagen.

Openbare zitting gehouden op 2 oktober 2026 om 10:00 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer

griffier: mr. C. Kouidar

Verschenen:

Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden].

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 3 november 2025 van de rechtbank Oost-­Brabant waarbij het beroep van [appellant] tegen het besluit van 18 november 2020 ongegrond is verklaard.

Beslissing:

De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.

Motivering:

1.       Het Landelijk Incasso Centrum heeft op 12 oktober 2020 verschillende betalingsbrieven aan [appellant] verzonden. De betalingsbrieven hebben betrekking op de terugvordering van huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget over verschillende jaren. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar van [appellant] tegen deze brieven op 18 november 2020 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betalingsbrieven geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht zijn.

2.       Uit wat [appellant] in hoger beroep naar voren heeft gebracht, is niet gebleken dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. De betalingsbrieven hebben geen beoogd rechtsgevolg. De brieven leggen geen nieuwe betalingsverplichtingen op aan [appellant]. Die betalingsverplichtingen vloeiden al voort uit de eerdere besluiten waarbij de toeslagen en het kindgebonden budget zijn vastgesteld en teruggevorderd. Indien [appellant] het niet eens was met deze vaststellingen en terugvorderingen, had hij daartegen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Dat tegen de betalingsbrieven geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, leidt niet tot strijd met artikel 6 of 13 van het EVRM. [appellant] kon immers wel bestuursrechtelijke rechtsmiddelen aanwenden tegen de (terugvorderings)besluiten, waaruit de betalingsverplichtingen voortvloeien. De overige gronden die gaan over de schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft [appellant] niet onderbouwd. De betogen slagen niet.

3.       Het hoger beroep is ongegrond.

4.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kouidar

griffier

1120

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »