RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/436143 / HA ZA 25-331
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
1 [eisende partij 1],
wonende te [plaats 1],2. [eisende partij 2],
wonende te [plaats 2],3. [eisende partij 3],
wonende te [plaats 3] (België),
eisende partijen,
advocaat: mr. S. Meeuwsen,
tegen
[gedaagde partij] ,
wonende te [plaats 4],
gedaagde partij,
advocaat: mr. C. Gelijn.
Partijen worden hierna afzonderlijk [eisende partij 1], [eisende partij 2], [eisende partij 3] en [gedaagde partij] genoemd. Eisende partijen worden samen aangeduid als [eisende partijen]
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 september 2025- de brief van mr. Meeuwsen van 11 maart 2026 met producties 7 en 8
- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitaantekeningen van mr. Gelijn.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Partijen zijn de kinderen van [moeder] (verder: moeder).
[gedaagde partij] was mantelzorgster van moeder. Zij hielp moeder (ook) met haar bankzaken. [gedaagde partij] was, in ieder geval sinds 2013, gevolmachtigd voor de betaalrekening van moeder en sinds 2015 voor haar spaarrekening. 2.3. In april/mei 2018 is moeder verhuisd van haar zelfstandige woning naar een woonzorgcentrum in [plaats 5].
Moeder is overleden op [datum] 2023 te [plaats 6]. Zij was toen (bijna) 94 jaar. Moeder was ten tijde van haar overlijden ongehuwd en niet geregistreerd als partner.
Moeder heeft bij testament van 18 augustus 1997 voor het laatst over haar nalatenschap beschikt. Hierbij is zij niet afgeweken van de wettelijke erfopvolging. [eisende partij 1], [eisende partij 2], [eisende partij 3] en [gedaagde partij] zijn ieder voor 1/4e deel gerechtigd in haar nalatenschap. Zij hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.
De nalatenschap van moeder bestaat onder meer uit banktegoeden.
Op 4 februari 2025 heeft [gedaagde partij] het op dat moment op de bankrekening van de nalatenschap aanwezige saldo van € 7.988,15 verdeeld onder de erfgenamen. Ieder van hen heeft een bedrag ontvangen van € 1.997,03.
3 Het geschil
[eisende partijen] vorderen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de nalatenschap vast te stellen, inhoudende:I. voor recht te bepalen dat het banksaldo van de nalatenschap € 45.895,37 bedraagt,II. [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 9.476,81 aan ieder van [eisende partijen], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2025 tot de dag van de algehele voldoening,III. [gedaagde partij] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
[eisende partijen] stellen dat [gedaagde partij] een bedrag van € 37.907,25 aan het vermogen van moeder heeft onttrokken. [gedaagde partij] was sinds 2009 gevolmachtigd voor de bankrekeningen van moeder. De laatste jaren van haar leven was moeder niet meer wilsbekwaam. Zij begon vanaf januari 2017 te dementeren en werd in april 2018 opgenomen in een verzorgingscentrum voor mensen met dementie. In ieder geval vanaf dat moment had moeder feitelijk niet meer het beheer over haar bankrekeningen. Uit een overzicht van de banktransacties (productie 2 bij dagvaarding) volgt dat vanaf 2017 uitgaven zijn gedaan ten behoeve van [gedaagde partij] of haar familieleden die niet kunnen worden gerekend tot het normale uitgavenpatroon van moeder. Het gaat om een bedrag van € 37.907,25. [gedaagde partij] heeft hiervoor geen deugdelijke verklaring gegeven. Zij moet daarom dit bedrag aan de nalatenschap vergoeden.Door zich gelden van moeder toe te eigenen heeft [gedaagde partij] onrechtmatig gehandeld jegens moeder en daarmee jegens de erfgenamen als haar rechtsopvolgers. Voor zover moeder zelf betalingen aan derden heeft verricht of haar bankpas met inlogcode aan [gedaagde partij] heeft afgegeven, kan het handelen van [gedaagde partij] worden gekwalificeerd als misbruik van omstandigheden.[eisende partijen] stellen dat moeder schade heeft geleden door het handelen van [gedaagde partij] en dat deze schade aan de nalatenschap moet worden vergoed. Het saldo van de nalatenschap bedraagt € 37.907,25 + € 7.988,15 = € 45.895,40. Het erfdeel van iedere erfgenaam bedraagt dan € 11.473,84. Aangezien [eisende partijen] ieder al een bedrag van € 1.997,03 hebben ontvangen, moet [gedaagde partij] aan ieder van hen nog € 9.476,81 betalen.
[gedaagde partij] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisende partijen] in hun vorderingen, dan wel tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eisende partijen] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.[gedaagde partij] stelt dat de gevorderde ‘verklaring’ voor recht niet kan worden toegewezen, alleen al omdat het bedrag van € 45.895,37 niet op de bankrekening van moeder stond/staat. Daarnaast hebben [eisende partijen] hun belang bij deze vordering niet aangetoond.Voor beide vorderingen geldt bovendien dat [eisende partijen] pro sé zijn verschenen in de procedure. In die hoedanigheid kunnen zij geen verklaring voor recht en/of betaling van [gedaagde partij] vorderen ten behoeve van de gemeenschap van de nalatenschap. Voor zover zij zijn verschenen in hoedanigheid van deelgenoten van de gemeenschap, bestaat er geen beheersregeling op grond waarvan zij een vordering tegen een andere deelgenoot mogen instellen. Artikel 3:171 BW mist in dit geval toepassing. [gedaagde partij] heeft de vorderingen overigens inhoudelijk betwist.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Deze zaak heeft een internationaal karakter omdat [eisende partij 3] in het buitenland woont. [gedaagde partij] woont in [plaats 4]. Deze rechtbank is (relatief) bevoegd om van het geschil kennis te nemen op grond van de artikelen 2, 6 sub g, en 99 Rv. Op het geschil is Nederlands recht van toepassing omdat moeder haar laatste woonplaats had in Nederland.
Aan de orde is de verdeling van de nalatenschap van moeder. Weliswaar volgt uit de kop van de dagvaarding dat [eisende partijen] hun vorderingen pro sé hebben ingesteld, maar uit het lichaam van de dagvaarding kan worden opgemaakt dat zij procederen in hun hoedanigheid van erfgenaam in die nalatenschap. Zij hebben onder meer gesteld dat [gedaagde partij] onrechtmatig heeft gehandeld jegens moeder, en daarmee jegens de erfgenamen als haar rechtsopvolgers, en dat de schade aan de nalatenschap moet worden vergoed. Ook vorderen zij in de eerste zin van het petitum van de dagvaarding om de verdeling van de nalatenschap vast te stellen. In zoverre volgt de rechtbank het verweer van [gedaagde partij] niet.
Een vordering op grond van onrechtmatige daad jegens (een van) de deelgenoten in de nalatenschap kan echter alleen worden ingesteld ten behoeve van de nalatenschap en alleen op de voet van de artikelen 3:184 en 185 BW, dus in het verband van de verdeling. Dat hebben [eisende partijen] niet gedaan. Hoewel aan laatstgenoemde voorwaarde lijkt te zijn voldaan in het lichaam van de dagvaarding, vorderen [eisende partijen] vervolgens betaling aan zichzelf van 1/4e deel van het gestelde schadebedrag en niet betaling aan de nalatenschap. Deze ingestelde vordering is niet toewijsbaar en zal dan ook worden afgewezen.
Voor de gevorderde “verklaring” voor recht geldt het volgende. [gedaagde partij] heeft gelijk dat deze vordering moet worden afgewezen, alleen al omdat dit bedrag niet op de bankrekening van erflaatster staat/stond.
De rechtbank overweegt daarbij dat zij uit de dagvaarding opmaakt dat [eisende partijen] kennelijk hebben bedoeld te vorderen dat bij de vaststelling van de omvang van de nalatenschap rekening moet worden gehouden met het door hen gestelde bedrag aan onttrekkingen van € 37.907,25. Deze vordering houdt verband met de onder II gevorderde betaling. Als de vordering onder II op de juiste wijze was ingesteld, was er (mogelijk) reden geweest om de gevorderde “verklaring” voor recht op voornoemde manier uit te leggen. Maar nu de vordering tot betaling wordt afgewezen, worden [eisende partijen] geacht geen (afzonderlijk) belang te hebben bij de gevorderde “verklaring” voor recht. Zij hebben over dat belang niets gesteld. Deze vordering zal ook worden afgewezen.
Uit het voorgaande volgt dat [eisende partijen] in het ongelijk zijn gesteld. De rechtbank ziet in dit geval reden om hen daarom te veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [gedaagde partij] worden vastgesteld op:
|
- griffierecht |
€ |
1.374,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
2.580,00 |
(2 punten × € 1.290,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
4.143,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen af,
veroordeelt [eisende partijen] in de proceskosten, waarvan € 4.143,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe aan [gedaagde partij], te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partijen] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eisende partijen] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de nrs. 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.