ECLI:NL:RBZWB:2026:9680

Datum uitspraak
05-10-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
BRE 26/3146
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

WOZ woning, gegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 26/3146

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak [adres 1] (de woning) op 1 januari 2025 (de waardepeildatum) (de waardebeschikking) en de aan belanghebbende opgelegde aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2026 (de aanslag). Belanghebbende is het niet eens met de waardebeschikking en de aanslag. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. De heffingsambtenaar bepleit in beroep een waarde van € 861.000. Belanghebbende verzoekt om de waarde vast te stellen op € 712.000.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld, omdat de heffingsambtenaar in beroep een waarde van € 861.000 aannemelijk maakt in plaats van de eerder vastgestelde waarde van € 907.000. Dit betekent dat de waardebeschikking en de aanslag worden verminderd. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De heffingsambtenaar heeft met de waardebeschikking de waarde van de woning op de waardepeildatum vastgesteld op € 907.000. Met deze waardebeschikking is aan belanghebbende ook de aanslag voor het jaar 2026 opgelegd.

2.1.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 mei 2026 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning gehandhaafd.

2.2.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

2.3.

De heffingsambtenaar heeft lopende het beroep een voorstel gedaan tot een compromis, waarbij de waarde van de woning op de waardepeildatum vastgesteld zou worden op € 861.000, en de daarop gebaseerde aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing overeenkomstig zouden worden verminderd. Belanghebbende heeft hierop afwijzend gereageerd.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .

Feiten

3. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een vrijstaande woning (bouwjaar 2003) met een gebruiksoppervlakte van 213 m². De woning beschikt over een aangebouwde woonruimte, twee dakkapellen en een aangebouwde garage. Het perceel heeft een oppervlakte van 454 m².

Beoordeling door de rechtbank

Vooraf

4. Belanghebbende heeft op 6 september 2026 een reactie op het verweerschrift ingediend, met onder meer een cijfermatige reactie op de berekening van de heffingsambtenaar. Artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Belanghebbende heeft de reactie op het verweerschrift op de dag voor de zitting, en dus niet tijdig, ingediend. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard het stuk te hebben gezien, maar onvoldoende tijd te hebben gehad om het te kunnen bestuderen en hierop te kunnen reageren. De rechtbank verklaart het stuk daarom tardief en zal het stuk buiten beschouwing laten bij de beoordeling van het geschil.

Toetsingskader

4.1.

Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding.”1

4.2.

De waarde van de woning is bepaald met de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde elk jaar opnieuw wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.

4.3.

De heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Bij de beoordeling van de vraag of de heffingsambtenaar aan zijn bewijslast heeft voldaan, dient gelet te worden op hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd.2 Wanneer de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechter toe aan de beoordeling van de door de belanghebbende verdedigde waarde. Indien de belanghebbende deze waarde niet aannemelijk heeft gemaakt, kan de rechter zelf tot een vaststelling in goede justitie van de waarde komen.3

De onderbouwing van de WOZ-waarde door de heffingsambtenaar

4.4.

De heffingsambtenaar heeft aan de waardevaststelling in beroep een taxatiematrix ten grondslag gelegd. In de matrix is de waarde van de woning op basis van een vergelijking met referentieobjecten vastgesteld op € 861.000, de waarde die de heffingsambtenaar in het compromisvoorstel hanteerde. Het beroep zal reeds hierom gegrond moeten worden verklaard. Als referentieobjecten heeft de heffingsambtenaar de objecten gebruikt gelegen aan [referentieobject 1] (verkocht op 1 december 2024 voor € 910.000), [referentieobject 2] (verkocht op 9 december 2024 voor € 835.000) en [referentieobject 3] (verkocht op 15 juni 2024 voor € 910.000), alle te [woonplaats] .

4.5.

De rechtbank acht de gebruikte referentiewoningen voldoende vergelijkbaar met de woning met name wat betreft type woning, ligging, bouwjaar en uitstraling.

4.6.

De heffingsambtenaar heeft naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate inzichtelijk gemaakt op welke wijze rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning van belanghebbende. De heffingsambtenaar heeft vanwege de verschillen in grootte negatieve correcties toegepast op de prijzen per vierkante meter van de referentiewoningen. De woningen zijn voldoende dicht bij de waardepeildatum verkocht en de verkoopprijzen van de referentiewoningen zijn geïndexeerd naar de waardepeildatum. Ten aanzien van de KOUDV-factoren heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat de referentiewoningen en de woning tegen elkaar zijn afgezet en geconcludeerd werd dat de woningen op alle punten als gemiddeld moesten worden aangemerkt. Belanghebbende heeft tegen de KOUDV-factoren geen gronden ingebracht.

Weging argumenten belanghebbende

5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de wijze waarop de waarde van de grond bij de woning wordt bepaald niet juist is. Hiertoe voert belanghebbende aan dat het kavelmodel met de grondstaffel dat de heffingsambtenaar hanteert te eenvoudig en statisch is en tot een te fors afnemend grensnut leidt. De grondstaffel doet volgens belanghebbende namelijk geen recht aan het oorspronkelijke verschil tussen de vraagprijs van de woning en de vraagprijs van de woning van de buren, aan de [adres 2] (in 2002 werd de woning van de buren voor € 61.261 meer dan de woning verkocht). Het waardeverschil is bij een volgens belanghebbende inmiddels 90% hogere WOZ-waarde echter gedaald tot € 42.000. De woning van de buren is nagenoeg vergelijkbaar met die van belanghebbende, maar het perceel van deze woning heeft een oppervlakte van 710 m2. Volgens belanghebbende moet meer waarde aan dit grotere perceel worden toegerekend en minder waarde aan het woonoppervlakte, en zou dit moeten leiden tot een lagere waarde van zijn woning ten opzichte van de woning van de buren. Belanghebbende bepleit dat het door hem voorgestelde en uitgewerkte regressiemodel, waarbij de waarde van de grond wordt geschat op basis van vergelijkbare woningen en niet met een statisch model, tot een betere marktwaardering en daardoor beter resultaat leidt. Belanghebbende verzoekt om de waarde van de woning op basis van het regressiemodel vast te stellen op € 712.000.

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat het de heffingsambtenaar vrij staat om de waarde te onderbouwen met de methode die hij daartoe geschikt acht. Met betrekking tot de door belanghebbende bepleite statistische methode overweegt de rechtbank dat het waarderen van woningen geen exacte wetenschap of mathematische aangelegenheid is. Daarbij ligt niet de door de heffingsambtenaar gehanteerde waarderingsmethode ter toetsing voor, maar het resultaat van de toepassing. Hierbij is overigens van belang dat het bij het beoordelen van de juistheid van de WOZ-waarde niet gaat over de vraag of de samenstellende onderdelen van het object op exact de juiste bedragen zijn vastgesteld, maar om de beoordeling van de WOZ-waarde van het object als geheel.4 De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift uiteengezet dat de grondstaffel geen afzonderlijke taxatie van de grond vormt alsof deze onbebouwd zou worden verkocht, maar een modelmatige toedeling van een gedeelte van de totale marktwaarde van de onroerende zaak aan de grond. De hoogte en afstaffeling worden hierbij getoetst aan gerealiseerde transacties, onderlinge waardeverhoudingen, het afnemend grensnut en aanvullende marktinformatie waaronder uitgifteprijzen, aldus de heffingsambtenaar. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar voorts toegelicht dat voor de grondstaffel verschillende waardegebieden en typeaanduidingen worden gebruikt, wat wordt vertaald in uiteenlopende grondstaffelbedragen. Op grond van het voorgaande en de vergelijking met de drie referentieobjecten, heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de door hem in beroep bepleite waarde van € 861.000 niet te hoog is. De rechtbank zal zich daarom bij het compromisvoorstel van de heffingsambtenaar aansluiten. Hierbij merkt de rechtbank op dat zij zich niet kan uitlaten over de verlaging van de aanslag watersysteemheffing, omdat deze buiten het geschil in beroep valt. De rechtbank vertrouwt er echter op dat de heffingsambtenaar deze verlaging conform het compromisvoorstel doorvoert.

5.2.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waarde van de woning en de aanslag te hoog vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde tot € 861.000. De aanslag wordt dienovereenkomstig verminderd.

6.1.

Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen.

6.2.

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor gemaakte reiskosten van € 3,92. De heffingsambtenaar heeft zich akkoord verklaard met dit bedrag. De rechtbank kent deze vergoeding daarom toe. Belanghebbende heeft tevens verzocht om een vergoeding van verletkosten van € 109. De heffingsambtenaar heeft deze kosten betwist. Belanghebbende heeft geen bewijsstukken overgelegd ter onderbouwing van de door hem verzochte verletkosten. Overigens heeft belanghebbende, die in loondienst is, ook niet gesteld dat hij verlof moest nemen voor het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis. De rechtbank kent daarom geen vergoeding van verletkosten toe.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning tot een bedrag van € 861.000;

- vermindert de voor de woning opgelegde aanslag onroerendezaakbelastingen tot een aanslag berekend naar een waarde van € 861.000;

- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 54 aan belanghebbende moet vergoeden;

- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 3,92 aan proceskosten aan belanghebbende.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Welie, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier. De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. De uitspraak is daarom alleen ondertekend door de griffier.

griffier

rechter

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »