ECLI:NL:RBZWB:2026:9222

Datum uitspraak
24-09-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
BRE 25/4804 WIA
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

WIA-dagloon. Nabetaling na de referteperiode in de polisadministratie verantwoord. Niet gebleken van vorderbaar maar niet inbaar loon in de referteperiode.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/4804 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. M.J.E.M. Edelmann),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het UWV), verweerder,

(gemachtigde: drs. [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 7 maart 2025 heeft het UWV aan eiser op grond van de WIA met ingang van 3 februari 2025 een IVA-uitkering toegekend, gebaseerd op een maandloon van € 3.383,21.

Met het bestreden besluit van 11 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.

2.1

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2

De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser was met ingang van 5 januari 2015 als torenkraanmachinist werkzaam. Voor dat werk is hij op 18 april 2018 uitgevallen. Op 15 april 2020 is de arbeidsovereenkomst met zijn werkgever middels een vaststellingsovereenkomst beëindigd.

3.1

Eiser heeft op 23 januari 2020 bij het UWV een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering.

3.2

Met het besluit van 15 juli 2020 heeft het UWV aan eiser met ingang van 15 april 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschikt-heid van 80 tot 100% en gebaseerd op een maandloon van € 2.435,49 (geïndexeerd

€ 2.552,15).

Met het besluit van 10 augustus 2021 heeft het UWV eisers loongerelateerde WIA-uitkering met ingang van 15 oktober 2021 omgezet in een loonaanvullingsuitkering.

3.3

Met het primaire besluit van 7 maart 2025 heeft het UWV eisers loonaanvullings-uitkering met ingang van 3 februari 2025 gewijzigd in een IVA-uitkering, gebaseerd op een maandloon van € 3.383,21.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt

Bestreden besluit

3.4

Met het bestreden besluit van 11 augustus 2025 heeft het UWV dat bezwaar ongegrond verklaard.

Het UWV heeft eisers dagloon gebaseerd op het loon dat hij volgens de polisadministratie heeft genoten in het refertejaar van 1 april 2017 tot en met 31 maart 2018.

In november 2020 heeft eisers ex-werkgever een nabetaling verricht van achterstallig loon en niet-genoten vakantiedagen. Deze nabetaling ziet volgens het UWV wel op (een deel van) het refertejaar maar deze nabetaling heeft eiser toen niet genoten. De ex-werkgever heeft deze nabetaling ook niet toegeschreven aan een periode in het refertejaar.

Als het gaat om loon waarop eiser recht had in de referteperiode dan had hij gedurende die periode dat loon op niet mis te verstane wijze bij de ex-werkgever moeten vorderen. Het ligt op eisers weg om aan te tonen dat hij de ex-werkgever destijds heeft gemaand het achterstallig loon te betalen. Niet is gebleken dat eiser dat (in voldoende mate) heeft gedaan. Er is daarom geen sprake van vorderbaar maar niet-inbaar loon. De nabetaling neemt het UWV dan ook niet mee in het dagloon.

Beroep

4. Eiser heeft gesteld dat met de vaststellingsovereenkomst het resterend verlofsaldo werd uitgekeerd en het achterstallig loon inclusief vakantietoeslag nabetaald. Het loon zou met die bedragen gecorrigeerd moeten worden.

Eiser was na zijn uitval bedlegerig vanwege invaliderende hoofdpijn en aangezichtspijnen. Van hem – een zieke werknemer zonder administratieve opleiding – kon niet worden verlangd dat hij zijn ex-werkgever had gewezen op de nabetaling en had verzocht om correctie. Overigens heeft eiser de ex-werkgever aangesproken op nabetaling van achterstallig loon, wat na langdurig overleg heeft geresulteerd in de vaststellings-overeenkomst. Dat de ex-werkgever de nabetaling niet juist heeft verwerkt in de polis-administratie kan eiser niet worden tegengeworpen.

Tot slot vraagt eiser zich af waarom het UWV zijn brief en het verzoek van Surplus indertijd niet heeft opgevat als een verzoek om herziening van het besluit van

15 juli 2020.

Verweer

5. Het UWV stelt in reactie en aanvulling op de beroepsgronden dat het achterstallig loon dat de ex-werkgever in 2020 heeft nabetaald blijkens Suwinet ook in 2020 bij de Belastingdienst is verantwoord. De nabetaling heeft dus buiten de referteperiode plaatsgevonden en is ook niet verantwoord in deze periode. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het nabetaalde loon – dat betrekking zou hebben op de referteperiode – wel vorderbaar maar niet inbaar was in de referteperiode.

Toetsingskader

6. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Oordeel van de rechtbank

7. Voor zover eiser heeft gesteld dat het UWV eerdere brieven (van Surplus en hem) op had moeten vatten als een herzieningsverzoek overweegt de rechtbank dat dat buiten de omvang van dit geding valt. De in geding zijnde besluitvorming heeft uitsluitend betrekking op toekenning van een IVA-uitkering en de hoogte daarvan.

7.1

De vraag die de rechtbank daarom alleen kan beantwoorden is of het UWV eisers dagloon en daarmee de hoogte van zijn IVA-uitkering juist heeft vastgesteld.

7.2

Op grond van artikel 13 van de WIA en artikel 15 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) wordt het dagloon berekend op basis van het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten. Het refertejaar is – kortgezegd – het jaar voorafgaande aan de ziekmelding. De werknemer wordt geacht het loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

Het tweede lid van artikel 15 van het Dagloonbesluit maakt een uitzondering op dit uitgangspunt, in die zin dat onder loon mede wordt begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Het gaat hierbij om situaties waarin recht op loon bestaat, maar dat loon (nog) niet inbaar is omdat bij de werkgever de wil of het betalingsvermogen ontbreekt om het loon op verzoek van de werknemer uit te betalen.

7.3

Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat toepassing van dit besluitonderdeel slechts aangewezen is in situaties waarin duidelijk is geworden dat de werkgever ondanks vordering niet tot betaling overgaat. Daarbij is voldoende dat een belanghebbende aantoont dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren. Omdat het om een uitzondering gaat moet deze bepaling restrictief worden uitgelegd.1

7.4

De rechtbank stelt vast dat de nabetaling van de ex-werkgever na de referteperiode in de polisadministratie is verantwoord. Niet staat vast dat deze nabetaling ziet op de referteperiode en zo ja, voor welk deel. Uit de vaststellingsovereenkomst maakt de rechtbank dat niet op. Wellicht dat dat wel volgt uit de bijlage bij de vaststellings-overeenkomst, maar die is niet leesbaar. Er is partijen gevraagd naar een leesbare versie.

Het UWV heeft in reactie daarop gesteld dat hij nooit een leesbare versie heeft gehad. Omdat dat stuk niet is betrokken bij de besluitvorming en voor hem verder niet relevant was, heeft het UWV bij eiser ook geen leesbare versie opgevraagd. De rechtbank kan het UWV in deze toelichting volgen. De taak van het UWV is niet zo verstrekkend dat hij, alleen ter completering van het dossier, een leesbare versie van de bijlage bij de vaststellingsovereenkomst bij eiser had moeten opvragen.

Eiser heeft gesteld dat hij de bijlage niet meer heeft en dus ook geen leesbare versie daarvan kan overleggen. Aangezien dit stuk ziet op eisers relatie met zijn ex-werkgever en ter onderbouwing is van zijn standpunt, ligt het op zijn weg om te zorgen voor een leesbare versie. Dat eiser dat niet meer kan, dient dan ook voor zijn rekening en risico te blijven.

Dat maakt eisers situatie anders dan in de door hem aangehaalde uitspraak van de rechtbank Overijssel van 11 maart 20252, waarin door betrokkene voldoende was onderbouwd dat de nabetaling betrekking had op de referteperiode.

7.5

Daarnaast is niet gebleken dat eiser zijn ex-werkgever in de referteperiode op niet mis te verstane wijze heeft gemaand om tot nabetaling over te gaan. Eiser heeft in de referteperiode geen rechtsmaatregelen getroffen om de ex-werkgever tot betaling te bewegen. Eiser heeft in ieder geval geen stukken overgelegd waar dat uit blijkt. Op zitting is gebleken dat het een bewuste keuze van eiser is geweest om de relatie met de ex-werkgever niet verder onder druk te zetten en alleen het gesprek aan te gaan. Enkel mondelinge aanmaning acht de rechtbank echter onvoldoende3.

7.6

Nu niet is gebleken dat de nabetaling van de ex-werkgever in 2020 vorderbaar maar niet inbaar loon in de referteperiode betreft, heeft het UWV die nabetaling niet hoeven betrekken in het dagloon. Het bestreden besluit houdt dan ook stand.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Als gevolg daarvan heeft eiser geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.D. Sebel, griffier op 24 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

Artikel 13

1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

Dagloonbesluit werknemersverzekeringen

Artikel 13

1. Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.

Artikel 15

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

2. Onder loon als bedoeld in artikel 14 wordt mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden. Indien in de referteperiode een uitkering is genoten, waarbij in het dagloon loon als bedoeld in de eerste zin is meegerekend, wordt, indien van dat loon in de referteperiode opgave is gedaan, dat loon bij de dagloonberekening buiten beschouwing gelaten.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »