ECLI:NL:RBZWB:2026:9218

Datum uitspraak
24-09-2026
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
BRE 25/53 WIA
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

WIA-dagloon. Geen loonloze periodes.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/53 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. M. Berkel),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het UWV), verweerder,

(gemachtigde: mr. M.W.G. Bombeeck).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van eisers dagloon op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het UWV heeft aan eiser een WIA-uitkering toegekend op basis van een maandloon van € 2.263,52 (geïndexeerd € 2.749,85). Met het bestreden besluit van

19 november 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat maandloon gebleven.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben hieraan digitaal deelgenomen. De gemachtigde van het UWV is in persoon verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser was met ingang van 21 juli 2022 werkzaam bij [bedrijf 1] B.V. Op

28 november 2022 is hij voor deze werkzaamheden uitgevallen. Voorafgaande aan deze werkzaamheden is eiser van 27 december 2021 tot en met 14 februari 2022 werkzaam geweest bij [bedrijf 2] B.V. en van 17 februari 2022 tot en met 30 april 2022 bij [bedrijf 3] B.V.

3.1

Met het primaire besluit van 1 november 2024 heeft het UWV aan eiser met ingang van 25 november 2024 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de WIA toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is gebaseerd op een maandloon van € 2.263,52.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bestreden besluit

3.2

Met het bestreden besluit van 19 november 2024 heeft het UWV dit bezwaar ongegrond verklaard. Het UWV heeft het dagloon vastgesteld op basis van het sv-loon en het aantal dagloondagen in de referteperiode.

3.2.1

Omdat eiser op 28 november 2022 ziek is gemeld heeft het UWV de referteperiode bepaald op de periode van 1 november 2021 tot 1 november 2022.

3.2.2

In mei en juni 2022 heeft eiser nabetalingen ontvangen van [bedrijf 3] . Deze nabetalingen zijn als sv-loon in de polisadministratie verantwoord. Daarmee is geen sprake van loonloze tijdvakken en deze heeft het UWV dan ook betrokken in de dagloon-berekening.

3.2.3

Het aantal dagloondagen heeft het UWV beperkt tot 221 omdat eiser als herintreder is aangemerkt. Eiser is op 27 december 2021 gestart bij [bedrijf 2] en heeft in het eerste aangiftetijdvak geen sv-loon ontvangen. De dagloondagen van 1 november 2021 tot 27 december 2027 zijn daarom buiten beschouwing gelaten.

3.2.4

Het UWV heeft het totale sv-loon van € 22.999,37 in de referteperiode gedeeld door 221 loondagen en het dagloon vastgesteld op € 104,07 (geïndexeerd € 126,43).

Beroep

4. Eiser heeft gesteld dat zijn dagloon geen representatief beeld geeft van zijn gebruikelijke verdien- en welvaartsniveau.

4.1

Eiser is zijn werkzaamheden bij [bedrijf 2] op dringend verzoek van de werkgever in verband met de coronapandemie al gestart op 27 december 2021 in plaats van 1 januari 2022. In december 2021 was nog geen sprake van reguliere arbeid maar van opleiding voorafgaande aan de feitelijke inzet. De 16 opleidingsuren heeft de werkgever in januari 2022 betaald. Er is daarmee geen loon over december 2021.

4.2

Vervolgens is eiser gaan werken bij [bedrijf 3] . Op 30 april 2022 stopten die werkzaamheden bij de GGD omdat de coronapandemie over zijn hoogtepunt raakte. Na het eindigen van deze werkzaamheden, toen eiser niet werkte, ontving hij – buiten zijn toedoen – in mei 2022 een betaling van vakantiegeld van € 371,13 en in juni 2022 van door de werkgever vergeten overuren van € 14,21.

4.3

Daarna startte eiser op 27 juli 2022 zijn nieuwe baan bij [bedrijf 1] , ook weer eerder op dringend verzoek van de werkgever. Eiser heeft in die maand maar zeven dagen gewerkt en een loon gehad van € 661,96.

4.4

Eiser stelt dat het betrekken van voormelde maanden en bedragen een totaal verkeerd beeld geeft van zijn werkelijke loon van € 3.500,- en dat daardoor zijn WIA-uitkering langdurig veel lager uitvalt. Dat is niet het gevolg van een structureel lager verdienniveau maar grotendeels van toevallige betaalmomenten, vergeten betalingen, opleiding, baanwisselingen en onvolledige maanden, waarop hij geen invloed had. Volgens eiser had het UWV december 2021, mei 2022, juni 2022 en juli 2022 als loonloze maanden dienen aan te merken dan wel (deels) als niet-representatief buiten beschouwing moeten laten.

4.5

Volgens eiser is strikte toepassing van het Dagloonbesluit in zijn geval onredelijk bezwarend en onevenwichtig. Eiser heeft daardoor en door het ontbreken van een representatieve dagloonvaststelling structureel een financieel nadeel. Met de cumulatieve nadelige gevolgen van het betrekken van de desbetreffende maanden in het dagloon heeft het UWV ten onrechte geen rekening gehouden.

Toetsingskader

5. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Oordeel van de rechtbank

6. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het UWV op goede gronden eisers dagloon heeft vastgesteld op € 104,07 (geïndexeerd € 126,43).

6.1

Het dagloon wordt op grond van de artikel 13, eerste lid, van de WIA en de artikelen 13, eerste lid, en 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit vastgesteld op basis van de periode van één jaar voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid (referteperiode) en het loon dat in deze periode is genoten.

Een uitzondering geldt (onder meer) als de startersregeling van artikel 18 van het Dagloonbesluit aan de orde is. Als aan het begin van de referteperiode geen loon is genoten, wordt het aantal dagloondagen in de berekening van het dagloon op grond van deze regeling beperkt.

Vaststelling dagloon

6.2

De rechtbank stelt vast dat het UWV eisers dagloon conform deze wet- en regelgeving heeft vastgesteld.

6.3

Het UWV heeft op eiser de startersregeling toegepast, omdat eiser pas eind december 2021 is gestart met zijn werkzaamheden bij [bedrijf 2] , en om die reden het aantal dagloondagen beperkt.

6.4

Verder is het UWV bij de vaststelling van het dagloon uitgegaan van het loon dat door de werkgever in de referteperiode is opgegeven in de polisadministratie. Uit de polisadministratie blijkt onder meer dat de werkgever over december 2021 en mei, juni en juli 2022 respectievelijk aan sv-loon heeft verantwoord: € 320,-, € 726,84, € 323,04 en

€ 773,12. Deze bedragen wijken af van de door eiser genoemde bedragen, zoals de door hem benoemde € 14,- over juni 2022.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) mag het UWV echter uitgaan van de polisadministratie, tenzij eiser aantoont dat die gegevens onjuist zijn1. Dat heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Het UWV heeft daarom de gegevens uit de polisadministratie mogen betrekken in de dagloonberekening.

Evenredigheidsbeginsel

6.5

Uit vaste rechtspraak volgt verder dat een bepaling in een wettelijk voorschrift buiten toepassing kan worden gelaten op de grond dat toepassing ervan zozeer in strijd zou zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Daarbij moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst leidt. Hiervan is sprake als het besluit in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is.2

6.6

Naar het oordeel van de rechtbank leidt strikte toepassing van het Dagloonbesluit in dit geval niet tot zodanig onevenredige gevolgen dat het in de gegeven omstandigheden – ook niet als de cumulatieve gevolgen daarvan in samenhang worden bekeken – onredelijk bezwarend is voor eiser.

6.7

Voor de vaststelling van het welvaartsniveau is nu eenmaal niet bepalend het loon dat werd genoten op het moment van intreden van het verzekerde risico, maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode (historisch dagloon). Aan deze dagloonsystematiek is inherent dat periodes waarin minder loon is ontvangen tijdens de referteperiode, een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. De besluitgever heeft hiermee rekening gehouden en maakt daarbij geen onderscheid naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen.3

Dat buiten toedoen van eiser in mei en juni 2022 sprake is geweest van de nabetaling van vakantiegeld en van door de werkgever vergeten overuren is daarom niet relevant. Daarnaast is het eerder starten bij [bedrijf 2] en [bedrijf 1] in respectievelijk december 2021 en juli 2022 een eigen keuze van eiser. Dat eiser zich de gevolgen daarvan niet heeft gerealiseerd maakt dat niet anders. De mindere verdiensten heeft de besluitgever in het Dagloonbesluit verdisconteerd en is een feitelijke afspiegeling van eisers welvaart in de periode van een jaar voorafgaand aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid.

6.8

Verder is er in dit geval geen sprake van loonloze periodes. Eiser heeft in benoemde maanden wellicht fors minder inkomsten gehad maar van loonloze periodes is geen sprake. Eiser kan dan ook geen beroep doen op rechtspraak van de CRvB over loonloze periodes. Het is een bewuste keuze van de besluitgever om alleen de kalendermaanden waarin in het geheel geen loon is genoten, buiten beschouwing te laten. Inherent aan deze keuze is dat werknemers die slechts enkele dagen in een bepaalde maand hebben gewerkt, zoals eiser, nadelige financiële gevolgen ondervinden omdat alle dagloondagen worden meegenomen bij de vaststelling van het dagloon.4

6.9

Daarnaast is op zitting gebleken dat, hoewel het bestreden besluit voor eiser negatieve financiële gevolgen heeft, die gevolgen niet dusdanig zijn dat dient te worden geconcludeerd dat die onredelijk bezwarend zijn voor hem.

Dat eiser wellicht voor langere tijd is aangewezen op een uitkering en slechts in beperkte mate in staat is om te werken en daarmee zijn inkomen aan te vullen is een omstandigheid die ook voor andere uitkeringsgerechtigden geldt en daarom evenmin een bijzondere omstandigheid die aanleiding zou moeten geven om in afwijking van de regels uit het Dagloonbesluit voor eiser tot een hogere uitkering te komen5.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat het bestreden besluit standhoudt. Het beroep is daarom ongegrond. Als gevolg hiervan heeft eiser geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.D. Sebel, griffier op 24 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

Artikel 13

1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

Dagloonbesluit werknemersverzekeringen

Artikel 13

1. Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.

Artikel 14

Onder loon wordt in dit hoofdstuk verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv met dien verstande dat niet onder loon wordt begrepen:

a. de toeslagen en aanvullingen, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van die wet;

b. een eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 ten aanzien waarvan de werkgever met toestemming van de inspecteur van de rijksbelastingdienst geen correctiebericht als bedoeld in artikel 28a van de laatstgenoemde wet heeft ingediend; en

c. een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW.

Artikel 15

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

Artikel 16

1. Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:

(A – B + C) / D

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;

C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en

D staat voor 261.

Artikel 18

1. Het dagloon van de werknemer die vanaf de aanvang van de referteperiode tot en met de laatste dag van het eerste volledige aangiftetijdvak van dat jaar geen loon als bedoeld in artikel 14 of 15 heeft genoten, wordt vastgesteld door bij de toepassing van artikel 16, eerste lid, «261» te vervangen door: het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode.

2. Het dagloon van de werknemer die in de referteperiode geen loon als bedoeld in artikel 14 of 15 heeft genoten is de uitkomst van de volgende berekening:

(A – B + C) / D

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft genoten in het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, bij alle werkgevers;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag in het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden;

C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag in het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden; en

D staat voor het in dat aangiftetijdvak gelegen aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot de dag van intreden van de arbeidsongeschiktheid.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »